Zeg maar niets meer

Hazes1

André Hazes. Om kwart voor drie in de nacht. Dat wil zeggen, een lied van André Hazes. Hij zelf natuurlijk niet. Ook niet in een of andere bizarre droom. Nee, ik was wakker.
Door dat lied.
‘Zeg maar niets meer.’
Dat was de titel van het lied. Starend in het donker wist ik dat nog niet, want om een of andere reden bleven de jongens van het hengstenbal bij de achterburen (want die zongen het) telkens hangen bij ‘maar dit is de laatste keer!’ Met een uitroepteken dat niet in de officiele tekst staat.
Ik heb dit de volgende morgen opgezocht, of eigenlijk een uur of wat later al, toen ik om niet krankzinnig te worden maar opstond, nee, op de rand van mijn bed ging zitten en die ene godvergeten zin van André googelde om ook de rest van het lied te weten, en te horen, en te zien, want nu wilde ik alles in mij opnemen, in mij opzuigen zelfs, ja ik was niet meer te houden, ik haalde diep en dieper adem alsof ik Hazes zelf was… en alles kwam weer terug!
Kwam weer terug?
Ho, ik ga te snel. Onthoud deze bekentenis en lees gewoon door.
Terug naar dat uitroepteken dat er niet was, maar dat ze wel zongen. Die jongens.
Heel erg zongen.
Om dan vervolgens niet meer te weten hoe het verder ging.
Dat lied. Die zin. Ja, zelfs die ene zin verhaspelden ze iedere keer.
Nou vind ik keihard zingen in de nacht tot daar aan toe, iedereen doet dat wel eens, denk ik, in een bepaalde fase van zijn leven (ja, zíjn leven, vrouwen doen dat volgens mij niet, zingen in de nacht, ik weet niet waarom niet, kan iemand dat eens uitzoeken voor mij?), maar keihard zingen om 02:45 en dan alleen de eerste regel van het refrein, steeds opnieuw, en steeds net verkeerd, dat is irritant.
Strafwaardig, om eens een akelige hedendaagse constructie te gebruiken (iedereen plakt tegenwoordig overal ’waardig’ achter, heel deftig).
Goed, er zijn mensen die voor minder de politie bellen. Die durven dat. Ik bedoel dan dat ze er niet voor terugschrikken om 112 lastig vallen met de klacht dat er een paar dronken gozers lawaai maken.
Ik durf dat niet, omdat ik dan zonder dat de meneer/mevrouw aan de andere kant erom vraagt, ga uitleggen welk lied het is dat ze zingen (die jongens), en me dan vergis en die meneer/mevrouw nutteloos bezet hou omdat ik twijfel over de juiste tekst, interpunctie, melodie, rijmschema, et cetera.
Dus ik blijf wakker liggen en doe niks.
Dat is in mijn leven heel vaak het beste.
Alhoewel, als ik niets dóé, ga ik denken. In mijn bed en in het donker is dat niet goed. Laat staan het beste.
Er was iets met dat lied, drong heel langzaam tot me door. Ik was niet van de branieschoppers en hun gezang wakker geworden, maar van een herinnering.
Maar van welke?
Ik heb er heel veel.
Het was een nare herinnering, dat had ik zo onderhand wel door.
Daar heb ik er ook heel veel van.
U mag er gratis een paar komen ophalen, als u wilt.
Goed, verder verdringen heeft dan geen zin meer, weet ik inmiddels, dus iPhone erbij.
Zo’n lied is niet moeilijk te vinden. Na twee woorden staan de hits (no pun intended) met miljoenen om aandacht te juichen. Angstwekkend is de menigte die zelf niet vreest. Die is niet van mij, maar van Spinoza, die het weer van Tacitus heeft, ja mensen het spijt me dat ik dat allemaal hier optyp, maar ik moet dat, en niet om erudiet te doen, maar om te voorkomen dat ik gek word (die is dan weer van Gerard Reve, die ook een zenuwlijder was, maar mooier schreef dan ik, dat is echt waar).
Ik durfde niets aan te tikken en legde het ding weer weg. Wel knap hoe gevoelig ze die schermpjes tegenwoordig kunnen maken hoor, maar wat een mens allemaal niet teweeg brengt met het minste gebaar, dat is zo’n beetje gevaarlijk aan het worden…
Hazes begon te zingen vanaf mijn nachtkastje.
Hm… er begon me iets te dagen.
ik zette m’n iPhone harder.
God wat kon die man mooi zingen.
Mooier dan ik. Maar ja, hij stond niet ongenodigd op de bruiloft van zijn jeugdliefde te galmen. En hij hoefde niet naar lucht te happen omdat er vijf mannen op hem waren gesprongen.
Tja… geen plan B, dat is altijd mijn makke. Ik had wel de tekst en melodie dertig keer geoefend, maar niet nagedacht over hoe zo’n partycrash op anderen over zou komen. Dus een vluchtweg had ik niet.
Jeanette vond het zelf wel grappig trouwens, meende ik me te herinneren (ja ik zag het allemaal weer helder voor me).
Haar broers en vader dus niet.
Carré zong intussen met Hazes mee.
iPhone nog iets harder. Ik zong ook mee.
Eerst in gedachten.
Zo’n tekst vergeet je nooit meer. Ik haalde diep adem en voegde me feilloos in de zingende massa.
Heerlijk, zo’n samenzang!
Goed, er zijn mensen die voor minder de politie bellen.
Zoals de jongens van dat feest, die inmiddels allemaal moe van het zingen in slaap gesukkeld waren.

Dikke Ed en Eddie

figuurzaaag

In de stad zag ik dikke Ed. Een man uit de tijd dat ik ‘cultureel jongerenwerker’ in een buurthuis was (ja, kinderen, dat was in de jaren zeventig; straks leg ik uit wat ik in dat buurthuis deed).
In die tijd was hij een kolossale man die op een onbegrijpelijke maar vanzelfsprekende manier heroïne, bier en overgewicht combineerde met een huwelijk en de opvoeding van zijn zoon. Dat leek lange tijd goed te gaan. Maar de voorlaatste keer dat ik hem zag, probeerde hij dronken, op de rand van laveloos, zwalkend over de stoep een krant te lezen die telkens tegen hem aanwaaide tot de wind er een eind aan maakte en alles uit zijn handen rukte en de straat inblies. Dikke Ed ging er achteraan en graaide wild met zijn handen naar de dichtst bijzijnde bladzijde, als iemand die verdrinkt en iets drijvends zoekt.
Hij viel.
Nadat ik hem overeind had geholpen en op een vensterbank had gemanouvreerd herkende hij me. Hij vertelde me dat hij drie dagen daarvoor wakker was geworden in een ziekenhuis met allemaal plastic slangen in en uit zijn armen, draden op zijn borst geplakt en naast zijn bed ‘van die tv’tjes waar alleen maar bewegende lijnen op te zien waren’.
‘Niks voor mij, zo’n ziekenhuis,’ zei hij. Hij had alles losgetrokken en was naar huis gelopen. Waar zijn vrouw zijn spullen op de stoep had gezet en de sloten had vervangen.
Hij miste Eddie. Zijn zoon.
‘Wil je hem de groeten doen?’
Eddie zat bij mij op ‘de club’. De club, dat was een cultureel werk-fenomeen. In dit geval bestond de club uit zes jongens die onwennig maar gretig aan het begin van hun pubertijd stonden en eens in de week naar het buurthuis kwamen om mij angst aan te jagen. Want hoewel ze ijverig en van goede wil waren, telkens weer bereid om hun ziel en zaligheid in mijn plannen te steken, liep alles altijd in het honderd en mondde iedere activiteit (ik organiseerde ‘activiteiten’) uit in een hilarische apenkooi met mij als een oppasser die bij iedere afwijking van het oorspronkelijke programma twijfelend zijn rol overdacht. Ja, twijfelend, want hoewel ik destijds (ik was nog student) nog geen benul van beleid of ‘doelstellingen’ had, was op het buurthuis wel duidelijk dat het cultureel jongerenwerk natuurlijk niet het zoveelste bolwerk van autoritaire betweters moest zijn. Die waren er al genoeg (bolwerken én betweters). Nee, als er iets van die jongens terecht moest komen, als zij niet verslaafd en crimineel moesten worden zoals de rest van de buurt, dan waren verboden uit den boze. Ze mochten toch al zo weinig.
Dus leerde ik de jongens zelf brood te bakken, asbakken te kleien en kapstokjes of andere huishoudelijke attributen te figuurzagen, en nam ik hen mee op reis met de trein (naar Driebergen-Zeist en weer terug) in de veronderstelling dat zulke activiteiten waren die hun wereld verruimden. Thuis, school en ‘het wijk’ waren benauwend en via cultureel jongerenwerk kon je daar uit ontvluchten.
Dat was de gedachte.
Voor 50 cent kregen de jongens anderhalf uur iets anders dan een kansloos bestaan, met de uiteindelijke bedoeling dat zij dat bestaan zodoende konden verlaten.
Welja. Lang leve de maakbare samenleving.
!!! Spoiler alert !!! dit blog wordt steeds cynischer !!! Sorry !!!
Jaren later kwam Eddie opeens naast mij op een bankje in het Wilhelminapark zitten. Hij sloeg zijn arm om mij heen en drukte me even ruw tegen zich aan. Om het weerzien te vieren, denk ik. Daarna vertelde hij wat hij allemaal had gedaan en meegemaakt sinds de woensdagmiddagen op het buurthuis. Tragisch triomfantelijke verhalen over zijn leven binnen en buiten de bajes met de andere jongens van de club. Dat cultureel werk-fenomeen was namelijk naadloos in een heuse gang overgegaan. Hij somde op waar hij allemaal voor had gezeten (en nog een paar keer zou zitten, maar dat wisten we toen nog niet).
Hij was even groot, zo niet groter dan zijn vader, maar hij heette nog steeds Eddie, al noemde iedereen hem meestal ‘het beest van de Maasstraat’.
Zei hij.
Omdat ook zíjn gulzigheid, net als die van zijn vader, groter dan zijn leven zelf was.
‘Ik weet niet wat het is,’ zei hij, ‘het is gewoon nooit genoeg.’ Hij moest alles meemaken en alles moest daar voor wijken.
Alles.
God mocht weten waarom. Eddie wist het in ieder geval niet.
Tot zover de werking van broodjes bakken en figuurzagen. Zijn ziel en zaligheid was nergens meer te bekennen en de ijver die hij nog had, gebruikte hij voor inbraken, berovingen en vechtpartijen met agenten. Na het gesprek op dat bankje verloor ik hem voorgoed uit het oog.
Maar zijn vader, niet. Die kwam ik nog wel eens tegen, zoals laatst dus in de stad. Hij was allang niet dik meer. Zijn enorme lichaam was verschrompeld tot een scharminkelig lijf met dunne armen en hij zat met een plaid over zijn benen weggezakt in een elektrische rolstoel die zo nu en dan met een schokje naar voren of naar achteren reed omdat hij zijn handen niet stil kon houden. Gewoon opstaan en dan terug naar huis lopen zat er niet meer in.
‘Hé!’ riep hij naar mij. ‘Zeg je niet meer gedag?’ Ik bleef staan. ‘Ken je me niet meer?’
‘Jawel,’ antwoordde ik. ‘Jij bent toch Dikke Ed?’
‘Nee, man! Eddie! Eddie van de club!’

Pervers

ratten

Perverse prikkels, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ja, een rare term voor iets dat gedrag motiveert om oneigenlijke redenen en zodoende juist het verkeerde gedrag veroorzaakt. Een fenomeen dat optreedt zodra geld de achterliggende drijfveer van beleid is en een telraam de manier om te controleren of dat beleid lukt. Een bekend voorbeeld is dat van Hans de Bruijn over rattenvangers.
Stel je wilt dat dijken heel blijven. Dan moet je iets doen aan muskusratten, want die graven ze kapot. Je stelt rattenvangers aan en betaalt ze per gevangen rat. De rattenvangers gaan ratten fokken. Als je erachter komt dat je wel veel dode ratten hebt, maar geen waterdichte dijken, sta je tot je knieën in een ondergelopen uiterwaard te soppen.
Als ik van mijn werk naar het station loop om naar huis te gaan, moet ik daar altijd aan denken. Aan die perverse prikkels. Niet aan die uiterwaard. Of die knieën.
Trouwens, toen ik eens in het Engels aan een mevrouw van de probation wilde uitleggen wat dat was, een perverse prikkel dus, kwam ik in een heel vreemd en nogal ongemakkelijk gesprek terecht. In een hippe comedy of errors of sitcom met een professioneel acterende stuntel levert dat veel vermaak en een sprookjesachtig einde op, maar niet in mijn leven. Ik was al blij dat zij geen aangifte deed.
Eh… waar was ik?
O ja, op weg naar huis. Dan kom ik altijd langs een reusachtig gebouw in aanbouw of verbouw (het verschil kan ik niet zien, heb ik geen verstand van, maakt voor het verhaal ook niet uit…) met een schutting er omheen en een keet daarachter waarop een bord staat met de tekst: ‘Al 112 dagen zonder ongevallen met verzuim’.
Die 112 heb ik nu verzonnen, want elke dag staat er natuurlijk een ander cijfer, maar ‘..’ (puntje, puntje) typen, dat vond ik niks (dat is ook niks, letterlijk, eh… Letterlijk? Nou ja, u begrijpt wel wat ik bedoel, lieve help dit wordt een lang blog, als ik zo doorga).
Overigens zit ik er niet ver naast met dat getal, want afgelopen week heb ik het volgens mij zien staan.
Onthoud in ieder geval meer dan honderd. Om een idee te hebben.
Er staat geen uitroepteken achter de zin (ik bedoel het citaat), maar dat had makkelijk gekund, want er spreekt triomf uit, vind ik.
Trots.
Mag ook wel.
Want 112 dagen zonder ongevallen, dat is geen kattenpis. Probeer zelf maar eens een beetje te klussen zonder op je vingers te slaan of je hoofd te stoten. Ja, dat noem ik ongevallen. Je moet zo’n begrip ruim zien. Anders stelt dat getal ook geen snars voor. Om een of andere reden zie ik bij al die glorievolle dagen vol ongebeurde ongevallen een indrukwekkend zwaar gebouwde maar ook heel goeiige voorman (denk aan iemand met het postuur van de dokwerker) die de voorzichtigheid zelve is en dat zo overtuigend in zijn bouwput weet uit te stralen dat alle mannen onder zijn hoede magisch onaantastbaar rondklossen.
Ja, soms zie ik dat soort dingen. Misschien zijn het dagdromen. Ik ben op weg naar huis als ik dat bord zie, weet u nog? Dan valt alles van me af.
Maar goed, lang droom ik niet want telkens begint er meteen iets aan me te knagen.
Dat ‘met verzuim’.
Een geniepige kanttekening bij de triomfantelijke veer in eigen reet, die alle glans van de prestatie wegneemt. En mijn droom verpest.
In plaats van de lobbes met zijn mannen, zie ik een of andere dorknoper van personeelszaken die de statistieken van het verzuim rozegeur en manenschijn wil geven.
Ja, noem me een lettervanger, maar zodra dat ‘met verzuim’ in mijn gedachten postvat, denk ik mijzelf: ja, dan kan ik het ook.
De Messiaanse voorman die al zijn mannen toverachtig voor letsels behoedt, verandert in een brute despoot die hen dwingt om met gebroken benen en/of zwerende vingers door te werken en ze ontslaat als ze een dagje thuis willen blijven om een beetje te herstellen van een of andere hoofdwond. Of ik zie, in een minder gewelddadige versie van het verhaal, een of andere construction manager die heel bijdehand en gewiekst alle kwetsuren onder de vlag van ‘ongevallen’ vandaan redeneert door telkens de definitie ervan bij te stellen. Wel een hoop verzuim, maar niet wegens ongevallen, omdat een gebroken been gewoon pech is. Kan iedereen overkomen. Blijf maar lekker thuis, maar noem het geen ongeval.
In beide varianten levert de voorman precies wat zijn chef personeel hem gevraagd heeft, zonder het doel te bereiken.
Dat is pervers.
Of laat ik zeggen, niet de bedoeling.
Averechts.
Contrarily.

Pipa

pipa1

‘Heb je mijn mailtje gehad? En de bijlage gelezen?’ vroeg een rommelig gekapte vijftiger aan een oudere man die hem en zijn metgezel een natte hand gaf terwijl hij hen probeerde aan te kijken door zijn beslagen bril. Hij knikte en de man met het rare haar knikte ook, alsof hij daar al bang voor was. (Wicky de Viking was mijn hardnekkige associatie, en ik merkte dat ik de hele tijd op zijn triomfantelijk geheven eurekavingertje zat te wachten).
‘Wat vond je ervan?’ vroeg hij met meteen een antwoord erbij: ‘Nou ja, ze bieden wel hoop, ook al is het een afwijzing, want we hebben veel pluriformiteit.’
Het was een bewering die aan het tafeltje weinig meer teweegbracht dan overdenking. De derde man die tot nu toe heen en weer van zijn laptop naar de andere twee had zitten kijken, fronste zijn wenkbrauwen.
Hij snapte er net zoveel van als ik.
Veel pluriformiteit.
Dat klonk als een pleonasme. De helft verbodig.
De hele wickie-man was een pleonasme, trouwens. Kan dat? Weet ik niet, hij was het. Vraag me niet hoe. Alles wat hij deed of zei was dubbelop. Geen herhaling, maar verdubbeling. Vergroting. De scheppen suiker in zijn overvolle kopje koffie verkeerd gingen gepaard met luid gesnuif, het schuim kolkte terwijl hij roerde, en de herrie van zijn geslurp begeleidde hij met uit het niets opdoemend geneurie. Ik weet niet hoe mensen dat voor elkaar krijgen, in hun eentje twee of drie tegelijk zijn. Ik vind één mens zijn al ingewikkeld.
Hun gesprek ging verder en al snel lieten ze hun bespreking van de kennelijk afgekeurde subsidie-aanvraag voor wat het was. Wicky gaf een puntsgewijze samenvatting van de kordate stappen die ze zouden nemen om een herkansing in de tweede termijn te wagen. De stille typte ze in zijn laptop, waarna ze vol vertrouwen in een goede afloop meteen aan de opzet van de pipaworkshop voor pubers begonnen die ze met de subsidie gingen organiseren.
Dit is echt waar.
Een pipaworkshop.
Voor pubers.
Ik ben helemaal gek van muziek en sinds mijn elfde een veelvraat, luister echt naar álles, maar toen een huisgenoot van mij na een vakantie uit China terugkwam met een integrale opname van een pipaconcert dat hij daar had bijgewoond en hij niet rustte voor hij die van begin tot eind op een door hem zelf georganiseerde culturele avond mocht afspelen in het wijkcentrum waar ik vrijwilligerswerk deed, inclusief dia’s en zijn aanvullend ooggetuigenverslag, wist ik waar de grens van mijn liefde voor muziek precies lag.
Bij de Chinese muur (inmiddels niet meer trouwens, dank zijn het Kronos Quartet en Wu Man)
Ik kon me niets meer van die avond herinneren, allemaal verdrongen. Ik googelde ‘pipa’ op mijn iPhone om mijn geheugen op te frissen.
Intussen namen de mannen de workshop door. Ze zongen elkaar frases voor die ze gingen gebruiken (‘ping, pung, peng peng peng, pong!’) vroegen zich had radeloos af waar ze de rij voor de deur heen moesten leiden als het storm liep, bespraken de breedte en kleefkracht van het plakband waarmee ze de posters op gingen hangen, tekenden een plattegrond van de instrumentenopstelling op een groot vel papier, zochten op internet naar voorbeelden van jeugdtaal om een ‘vette titel’ te verzinnen, en om de beurt probeerde een van de drie zich te herinneren waar hij ook alweer iets (een of ander attribuut dat handig zou kunnen zijn) op zijn zolder had weggelegd.
Ik begon die pluriformiteit steeds beter te begrijpen. Het was een ander woord voor warboel.
Ik zuchtte.
Dat had ik niet moeten doen.
Wicky hoorde me, bekeek me, en kwam naar me toe. Voor ik het wist gaf hij me een klap op mijn schouder.
Nogal hard.
Agressief, eigenlijk.
‘René!’ riep hij. ‘jij bent toch René Poort?’
Nee! De huisgenoot!
’Helaas, dat is mijn neef,’ hoorde ik mijzelf zeggen.
Hij bond in en bekeek me nog eens. ‘Tss, ik zou gezworen hebben…’
‘Ja, dat horen we wel vaker. Onze vaders waren een eeneiïge tweeling.’
Hij ging tegenover me zitten. ‘Maar dan ben jij de neef die in China heeft gewoond!’
Ik moet toch eens beter uitkijken met wat ik allemaal bij elkaar fantaseer. Waarom heb ik een neef in China?
Dat wist Wicky: ‘De pipa-kenner!’
Hm, dit werd ingewikkeld. Ik was nu mijn eigen ‘Chinese’ neef, die Pipa-kenner was.
‘René heeft ooit een afspraak tussen ons geregeld omdat jij Liu Dehai naar Nederland zou kunnen halen voor een exclusief optreden in het wijkcentrum.’
En impressario.
‘Ja, hoor. Liu Dehai,’ zei ik. ‘Samen met Seiji Ozawa en the Boston Symphony Orchestra zeker.’
Lang leve internet.
Wicky zweeg. Ons gesprek stokte. ‘Je kwam niet opdagen,’ zei hij ten slotte. ‘En die hele avond ging niet door.’
‘Het spijt me. Ik zat waarschijnlijk gewoon in China.’
’Ja, dat denk ik ook… En nu, terug in Nederland?’ Ik knikte. ‘Maar natuurlijk nog steeds pipa-liefhebber. Als dat instrument je eenmaal gegrepen heeft…’ Hij keek me aan. In zijn blik zag ik langzaam zijn pleonasme weer tot leven komen. Het was eigenlijk meer een soort manie, zag ik nu. Hij ging rechtop zitten en wenkte zijn tafelgenoten. ‘Raad eens wie hier zit!’
Enfin, vijf minuten later zat ik zwetend over hun papieren gebogen, tuurde ik in de laptop om het programma te beoordelen, gaf ik argumenten voor een nog betere subsidieaanvraag, en luisterde ik huiverend naar de composities die zij me voorspeelden.
Op luchtpipa’s!
Na een uur of wat namen we als goede vrienden afscheid.
Nu moet ik alleen iets verzinnen op die workshop. Want die ga ik niet leiden natuurlijk.
En mijn neef ook niet.

Geluk

Bladerdak1

Als je een niet zo heel smerig maar ook weer niet echt schoon cafétoilet binnenstapt, de lucht van de luchtverfrisser, of misschien wel de waterverfrisser of hoe heet zoiets wat aan de rand van de pot hangt, ruikt, nee opsnuift, opzuigt alsof het een of andere verlossing is, het einde van bedompte ademnood, en je dan bij je eigen denkt, oh god een vrouw die zo’n geur draagt, zou ik meteen ten huwelijk vragen, dan is het tijd om toch maar eens de balans van je leven op te maken – vraag me niet waarom precies dán – of althans die van een mooie afgeronde periode, want je hele leven, dat is echt niet te doen in die paar minuten dat je op die plee zit, dus bijvoorbeeld alleen de tijd die verstreek sinds je alles achter je liet en opnieuw begon, laten we zeggen het hele vorige jaar, waarin je dus opnieuw wilde beginnen, met een schone lei, lege bladzijde, blanco, om alle oude fouten te vergeten en geen nieuwe te maken, goede voornemens uit te voeren, terwijl je tegelijkertijd ingesleten gewoontes die niets dan belemmeringen en balast waren zou afleren, om een leidraad te vinden voor de rest van je leven, welja, om er voor de zoveelste keer achter te komen dat die belemmeringen of balast of wat al niet meer wel mooi de enige houvast vormden – nee vormen, tegenwoordige tijd! – in god beter het om het even welke fase van je leven dan ook, inclusief de toekomst, waarschijnlijk, en je ze niet missen kunt, omdat die, godverdomme-zonde-dat-ik-het-zeg, nou precies dat zijn wat je bent, een bijna oude zenuwlijder die niet zonder zijn zenuwen kan en bij het minste of geringste sentimenteel wordt, ook op de w.c. van een kroeg, kort voor twaalf uur op de laatste dag van het jaar, maar wel met de tegenwoordigheid van geest om dit allemaal te noteren, want, ja, dat doe ik, met mijn duim, letter voor letter typ ik alles in mijn iPhone, die telkens op zwart gaat als ik te lang nadenk over een volgend woord, de precieze betekenis ervan wik en weeg tot ik gek ben, waarna ik het ding weer tot leven wek en als een kind zo blij naar het scherm lach, omdat ik op dat scherm een herinnering heb geïnstalleerd, dat wil zeggen een foto die me aan iets van vroeger doet denken, aan een wandeltocht door de Drunense duinen met mijn vader en moeder, zij hand in hand voorop en wij, de kinderen, in de bolderwagen, die mijn vader voorttrok en voorttrok en voorttrok tot we zoals gewoonlijk verdwaalden, dat voelde ik de hele weg al, hoe mooi is zoiets, dat je zo klein als je bent al ergens in je achterhoofd of je hartje weet dat welke reis je ook met je ouders maakt je altijd ergens anders uitkomt dan de bedoeling is, en dit is geen metafoor, we raakten gewoon altijd de weg kwijt, maar dat was niet erg, want het kwam altijd goed, zoals toen ook, toen we opeens een open plek opreden, een tra van rul zand, waar de wagen in weg zakte zodat we niet verder konden en mijn ouders gewoon op de grond gingen zitten, omdat ze van de slappe lach niet meer konden staan en wij toch alledrie al bijna sliepen, mijn broertje, mijn zus en ik, dus wat maakte het allemaal uit, we hoefden nergens heen, zeiden mijn vader en moeder tegen elkaar, dit was een mooie plek om uit te rusten en niks te doen, dus dat deden we, uitrusten en niks, en ik staarde slaperig omhoog, naar de zon die door de bladeren scheen, en dácht ook niks, of nou ja, ik dacht, wat is niks eigenlijk, wist ik niet, maar als dit het was, deze warme zomermiddag, een onzichtbare deken van zoemende insecten en kwetterende vogels waar het zachte grinniken van mijn ouders langzaam in verdween, mijn broertje en zusje warm en loom tegen mij aan, een ritselende groene hemel boven mij, overal de geur van mos, en alles oneindig alsof de tijd stil stond en dit moment nooit meer op zou houden, als dat niks was, dan was niks het mooiste wat ik ooit had meegemaakt… over balans opmaken en een leidraad vinden gesproken, dat had ik al gedaan, op die middag in dat bos – ja, toen ik zeven was al! – alleen dan zonder dat ik het wist, om er pas vijftig jaar later opeens aan terug te denken bij het zien van een foto ergens op internet en nog wat later pas te beseffen dat het niet zomaar een herinnering was, maar een herinnering aan niks, aan niks hoeven.
Dat heb ik weer.
Nee, positiever.
Ik héb het!
Eindelijk.
Nu vasthouden.
Minstens een jaar.
Geluk, bedoel ik.
Moet ik kunnen.
Ik hoop u ook.

Vergiffenis

fields1

Op het jaarbeursplein zag ik mijn fiets.
Mijn gestolen fiets.
Mijn víérde gestolen fiets.
Het weerzien viel nogal tegen, vooral doordat de kennelijk nieuwe eigenaar vertrouwelijk op het stuur leunde alsof hij godbeterhet met het ding verkering had.
Als ik een fiets verlies, ga ik altijd alle fasen van rouw door en bij deze zat ik nog midden in woede, en de nieuwe man van mijn fiets wakkerde die gewetenloos aan.
Ja, hij wist van niks, dat snap ik, maar dat telde niet, vond ik, want ergens kon hij heus wel vermoeden dat die fiets niet kosher was. Toch?
Het was zo’n tegen zijn zin volwassen geworden dertiger. Hipster hoedje, baard, T-shirt van een jaren negentig band waar hij kernnelijk nog steeds aanhanger van was, te grote cargobroek (ik weet dat zoiets baggy heet, maar dat maakt het niet minder potsierlijk) met nodeloze ruiten en dito zakken (een driekwart model trouwens, dus harige kuiten voor de hele wereld zichtbaar, hoe aanmatigend is dat?), en de onvermijdelijke Chuck Taylor All Stars. Of nee, Adidas Superstars geloof ik. Nou ja, wat maakt het uit, alles bij elkaar een compleet fantasieloze, wat zeg ik, bloedeloze outfit en hij hing daarmee pontificaal de eigenaar van mijn fiets uit.
Welja.
Die outfit was tot daaraantoe, hoewel zoiets best ergens in het wetboek van strafrecht mag komen te staan, vind ik, maar hij had ook nog eens zonder iets aan mij te vragen zo’n hippe houten zogenaamde veilingkist op mijn voordrager geschroefd (onvermijdelijke Freitag messenger bag erin, schouderband over de rand) en maar liefst twee kinderstoeltjes op de fiets gemonteerd. Dat voelde toch als een soort inbreuk op de lichamelijke integriteit.
Voor en achter!
Eh, dat staat hier opeens erg raar. Ik bedoel die stoeltjes.
Ik heb helemaal niks tegen kinderen op een fiets in een stoeltje hoor, maar terwijl ik de man, die nog steeds doodgemoedereerd over het stuur van mijn fiets hing, nog eens bekeek, kreeg ik steeds meer sympathie voor W. C. Fields, de man die misantropie in het algemeen en kinderhaat in het bijzonder op een hoger niveau had weten te brengen.
Ja, dat kan.
Mijn haat jegens de dief die ooit mijn fiets gestolen had, was opeens níéts vergeleken bij de weerzin die deze man aan wie hij hem verkocht had, opriep. Die was kennelijk niet te beroerd om een fiets met slechts één paar sleuteltjes te kopen (ja, de dief had ingebroken terwijl ik thuis was en had toen hij daarachter kwam zich beperkt tot plundering van mijn kapstok, waar nogal wiedes mijn jassen aan hingen, waaronder de jas waarin mijn fietssleutels zaten, die hij dus pikte om mijn fiets te mee te nemen).
Als die man (i.e. de heler) dan toch zo graag would be modern wilde zijn, waarom had hij dan niet gewoon de oude zeventiger-jaren-racefiets van zijn vader helemaal gestript en omgebouwd tot een onbestemd grijs gespoten fixie met zo’n lullig recht stuurtje, kurken handvaten en gifgroene banden?
Ja, waar laat je de kinderen op zo’n fiets. Die laat je gewoon thuis bij je vrouw, ook net als in de jaren zeventig. Ja, ik bedoel dan de jaren zeventig van vóór de tijd dat opeens de halve intelligentsia in zelf gebreide paarse tuinbroeken rond ging lopen en iedere ziel excommuniceerde die per ongeluk timmerman zei in plaats van timmermens.
Ja, kinderen zo een tijd heeft bestaan.
Maar laat ik niet te cynisch doen, want ik deed er ook aan mee, heb zeker twee wollen dassen gebreid en één kabeltrui.
Een groene, dat dan wel.
Ja, jeetje, ik dacht toen nog dat ik ergens bij moest/kon horen.
Allemaal verspilde moeite.
Zoals mijn woede, besefte ik opeens. Ik moest denken aan de gierende nijd die me een tijd geleden had overvallen toen iemand op marktplaats me genept had met een regenjas die niet alleen naar natte hond en zware Van nelle rook, maar die ook een nare winkelhaak bij de linkerzak had, en die toen ik hem, alle teleurstelling ten spijt, toch maar eens aantrok – altijd hoopvol blijven, zelfs als je niet weet wat je hopen moet – een damesjas bleek te zijn, die me wonder boven wonder paste, ware het niet dat de coupenaden om vulling schreeuwden, vulling die ik, geluk bij een ongeluk – zie je wel, altijd blijven hopen – niet had.
De correspondentie die ik met ingehouden woede componeerde en aan de man (kon ook een vrouw zijn, ik had geen flauw idee tot hoe ver het bedrog zich strekte) zond, besloot ik ten slotte met een derde bericht vol louterende vergiffenis die ergens uit mijn eigen binnenste opwelde als een of andere openbaring die ik al die tijd over het hoofd had gezien. ‘Ik hoop oprecht dat je iets moois of nuttigs met het geld hebt gedaan’, schreef ik.
Weg woede, ergernis en wat al niet meer.
Vraag me niet hoe ik het deed, ik deed het.
Zou ik het weer kunnen? Bij die man?
Toeval bestaat niet. Zij hoedje waaide af en hij moest kiezen, erachter aan en de fiets alleen laten of de fiets vasthouden en het hoedje nakijken. Ik stapte op hem af en zei dat ik zijn fiets wel even vast zou houden. Hij glimlachte en rende weg.
Je hoeft mij niet te vertellen wat een man allemaal voor zijn hoed overheeft.
Even later keerde hij hijgend terug.
‘Dank je wel,’ zei hij.
‘Graag gedaan.’
Hij pakte het stuur over en keek naar beneden. ’Shit, een lekke band. Dat zie ik nou pas.’ Hij lachte. ‘Nou ja, je kunt niet alles hebben.’ Hij drukte het hoedje wat vaster op zijn hoofd.
Ik knikte.
‘…’
Toch wel moeilijk hoor, vergeven. Zeker twee keer kort achter elkaar. En ik moet die jaren zeventig ook nog verwerken.

He no this

vliegtuig

De steeg was eigenlijk geen steeg, maar gewoon een smal straatje. Je kon er zonder problemen in- en uitlopen, en eenmaal onderweg, kon je eenvoudig op je schreden terugkeren.
Dat zag je zo.
In een zuivere steeg is dat allemaal niet zo makkelijk. Dan moet ik over een drempel om erin te stappen (ja, niet echt, figuurlijk), en zou er al na twee, drie stappen aan omdraaien geen denken meer zijn.
Het is een ziekte.
Wie een echte steeg betreed, is roekeloos of wanhopig.
Vind ik.
Dus ik mijd stegen.
Dit smalle nepstraatje niet.
Dom!
Ik zag de man pas toen ik al halverwege was. Te laat. Hij was vastberaden naar mij op weg als iemand die niets te verliezen heeft.
Een bedelaar.
Ik berekende snel hoeveel kleingeld ik nog had. Zes cent. Dat was
niets. Een tientje had ik wel.
Hij hield mij staande en haalde meteen een waaiertje van plastic pasjes tevoorschijn om me een verhaal te vertellen. De pasjes waren de plaatjes.
Bij ieder volgend pasje werd hij treuriger, want het hele verhaal was een inleiding op een ongeluk met zijn broer die hij in Groningen in een ziekenhuis had moeten achterlaten: een wit pasje van het academisch ziekenhuis waar hij naast hem had gelegen.
‘My brother very sick,’ zei hij, ‘and he no this!’ Hij schoof zijn verblijfsvergunning bovenop het stapeltje en zette er met zijn vinger een kruis over.
Ik keek naar zijn bleke pasfoto.
‘He no this!’ hij keek me aan om te zien of ik het begreep. Ik knikte. ‘If better, he must go!’ Hij deed met zijn hand een vliegtuig na. We staarden er achteraan. ‘My brother, I want visit.’
Ik ben van beleid en heb natuurlijk bedelaarsbeleid. Dat is heel eenvoudig: ik geef altijd. Simpeler kan niet. Het tegenovergestelde beleid – nooit iets geven – is ook simpel, maar dat vind ik harteloos. En iedere variant van halfslachtig ander beleid – soms wel, soms niet geven – heb ik verworpen, omdat ik daarvoor moet bepalen welke criteria ik voor geven of niet geven gebruik, al een heel gedoe an sich, en ik dan ook nog eens telkens in enkele tellen alles op een rijtje moet zetten om een juist oordeel over een vreemde te vellen.
Over gedoe gesproken.
Ik ken mijn grenzen, dus dat doe ik niet. Geen criteria. Geen oordelen.
Het laatste pasje dat hij te voorschijn trok was een glimmende pinpas. Hij wilde namelijk geen geld kríjgen, maar lénen en dat ding was het bewijs van zijn bankrekening en dus zijn goede trouw. Ik hoefde alleen maar even mijn eigen rekeningnummer voor hem op te schrijven, zodat hij het bedrag weer kon terugstorten zodra hij weer geld had.
Een geniale zet. Principiële weigeraars zou hij er natuurlijk niet mee winnen, maar twijfelaars zouden niet tegen de absurditeit opgewassen zijn, en gewoon iets geven zonder terugstorting te verlangen, om er vanaf te zijn.
Maar een ‘altijd-gever’ zoals ik, bracht hij met zijn bizarre voorstel in de war. Want moest ik hem een lening verstrekken of zomaar iets geven?
Nou ja, iets… een tientje dus. En ofschoon ik best een tientje kon missen, en ik het graag gaf, leek me nu een tientje opeens meer iets om te lenen dan om te geven. Maar om nou mijn gironummer en andere personalia aan de man te geven, dat vond ik weer iets te ver gaan.
Te intiem.
Langzaam drong tot me door dat ik liever had gehad dat hij gewoon een bedelaar was gebleven.
Het zweet brak me uit. Ik met mijn beleid ook altijd.
Dat zag de man. Hij vatte zijn verhaal nog eens bondig samen, in omgekeerde volgorde: eerst de vermaledijde pinpas; daarna het ding van het ziekenhuis; en tot slot de verblijfsvergunning met een kruis erdoor.
‘He no this.’
Het klonk alsof hij huilde, maar dat kon ik niet zien, want ik tuurde naar het einde van de steeg. Ja, het straatje was opeens een steeg geworden. Ik kon geen kant op. Verstrikt in een stenen fuik.
Ik was blij toen ik eindelijk de markt op stapte.
Aan de man, die voor mij liep, was niets te merken. De steeg had hem niets gedaan. Hij was wanhopig.
Of roekeloos.
En nogal vrolijk, aan zijn tred te zien.
Ik staarde naar de grond om niet te zien waarheen hij verdween.

Het syndroom van Brompton

zouaaf1

Tegenwoordig ben ik een forens. Toen ik als kind voor het eerst dat woord hoorde, leek me dat geweldig. Een forens zijn, dus.
Mooi woord, toverachtig fenomeen.
Later (toen ik groot was geworden) had ik hetzelfde met zouaaf. Ook zo lekker geheimzinnig.
Stond me wel aan.
Zouaaf zijn.
Zouaaf?
Hoezo dat?
In het graf naast dat van mijn vader ligt de laatste Pauselijke Zouaaf van Nederland begraven. Ja, dat staat op zijn zerk (van die zouaaf): “hier ligt de laatste Nederlandse Pauselijke Zouaaf”.
Met hoofdletters.
Dus het is niet zomaar wat, dacht ik meteen.
Mysterieus én belangrijk. Wat wil een mens nog meer?
Al meteen de eerste keer dat ik mijn vader bezocht om hem te vertellen hoe het met me ging (dat deed ik vanzelf toen ik voor hem stond en ik kan wel zeggen dat het toen niet zo goed ging, geen wonder, want hij was net gestorven, nogal onverwacht bovendien, echt kut, een ander woord heb ik even niet) dwaalde mijn blik en gedachten af naar die zouaaf. Ik zag een kruising tussen de vaandeldrager van een blaaskapel en Zwarte Piet. En ik zag mooie ceremoniële handelingen.
Vraag me niet waarom.
Allemaal oneerbiedig misschien, maar hij zou het wel begrepen hebben.
Mijn vader, bedoel ik.
Begrip was zijn middle name.
Ik liet die zouaaf tenslotte voor wat hij was, want alles wat ik over hem te weten kwam, zou iets van zijn magie wegnemen. Zoals in de loop van mijn leven al het wonderlijke uit ‘forens’ verdwenen was.
Want een forens is gewoon iemand die heen en weer reist.
Met de trein
Een volle trein.
Vol met mensen.
Voor een amateur misantroop als ik ben, is dat niet goed, want hoe meer mensen, hoe misantropischer ik word.
Nog even en ik ben beroeps.
U wilt niet geloven wat me door de week allemaal overkomt op het spoor. Ik wil best een beetje geduld met de mensen hebben hoor, een hekel aan iedereen hebben gaat je ook niet in de houde kleren zitten, maar ze maken het mij wel moeilijk.
Zoals de vrouw met de parelmoerroze (en deels afgebladderde) nagellak op haar dikke teennagels die op haar te kleine peeptoes langs mij wankelde en me aanstootte, zodat ik mijn hoed liet vallen en ik er tussen de benen van medereizigers naar op zoek moest.
Of de heel luide en duidelijke zakenman die nogal directief met zijn secretaresse de notulen van een of andere vergadering doornam, woord voor woord en komma voor komma, om betweterig de ene na de andere zin in zijn telefoon te dicteren.
Eh… de volwassen man die met zijn grote-mensen-step (ja, zoiets bestaat) over mijn schoenen reed.
In de trein!
Een step!
Grow up! dacht ik.
Nee, schreeuwde ik.
Ja, niet echt.
In mijn hoofd.
Mijn arme hoofd.
Wat ik daar niet allemaal voor me hou om de lieve vrede te bewaren…
Jonge vrouwen die op een halve meter afstand van mij hun bakjes muesli bereiden. En dan zelfgenoegzaam naar binnen lepelen.
Triomfantelijk.
Ja, triomfantelijk!
God mag weten waarom.
Er zijn trouwens ook van dat soort mánnen. Die hebben dan geen muesli bij zich (want dat vinden ze niet stoer, denk ik) maar ruig gesneden boterhammen. En roestvrijstalen thermosflessen met erop geschroefde bekers. Koffie waar ze met volle teugen van genieten.
Neem dat letterlijk.
Of nou ja, genieten. Vorige week zat ik naast een welzijnswerker (tuiglederen schoudertas) die tussen Gouda en Den Haag zes volkoren sneeën met pindakaas wegwerkte. Da’s ook een gave hoor. Een luidruchtige. Maar hij hoorde zichzelf niet, denk ik, want hij bleef laatdunkend om zich heen kijken naar de stakkers die gewoon rustig niets zaten te doen.
Ben ik even efficiënt, zag je hem denken.
Net als de mensen met hun vouwfietsjes. Die lopen met die dingen rond alsof ze de uitvinding van de eeuw hebben gedaan.
Eh, niet om het een of ander, maar een fiets opvouwen om die dan in een trein mee te nemen… hoezo is dat de uitvinding van de eeuw?
Dat is het niet dus, al was het alleen maar omdat ze, als je niet oplet, de vuile vette ketting tegen je broek duwen. Ja, per ongeluk, dat zal heus wel, maar door hun monomane jubel om het technische vernuft dat ze meezeulen en in gangpaden neerzetten, komt er geen enkel kritisch signaal van omstanders bij hen binnen. Ze snappen werkelijk niet waarom je niet meejuicht.
Het syndroom van Brompton noem ik dat.
Ja, mobiliteit is een ziekte. Alles en iedereen de hele tijd onderweg, maar niet heus. Wel onderweg, maar niets achterlaten. Dan kan ik het ook.
Goed, een mens moet wel eens van A naar B, maar de charme daarvan is precies dat: eerst A, dan de weg naar B, en dan B.
Niet alles tegelijk! Efficiency is zonde van je tijd.
Ja, denk daar maar eens over na.
Of niet, ook goed, maar – ik richt me nu tot alle doorgewinterd doelmatige reizigers – anderen hoogmoedig uitlachen omdat ze thuis ontbijten en hun fiets in de stalling zetten, dat vind ik het andere uiterste.
Neem een voorbeeld aan mijn vader. Die begreep mij tenminste.
Begrijpt.
Tegenwoordige tijd.
Als hij niet uit de dood herrezen was om me vorige week vrijdag met lieve woorden uit het bagagerek van de 17.09 uit Den Haag te praten, zou ik daar nu nog van radeloosheid liggen beven als pasgeboren baby.
Ik had veel beter zouaaf kunnen worden.

Leeg

 Leeg. Dat was nog de beste beschrijving van de man zijn blik. Leeg, dat is niks. Er was helemaal niets in zijn gestaar te ontdekken. Ja, hij staarde dus. Dat zegt natuurlijk wel iets, maar niet veel, want staren is kijken zonder iets te zien. Blijft weinig. Hij staarde naar zijn telefoon.
Desolaat, dat was het tweede woord wat me te binnen schoot. Dat is ook leeg, maar dan als gevolg van iets wat er niet meer is. De man zag er verlaten uit. De hele metro zat vol mensen, maar hij was de enige op de hele wereld.
Heb ik al eens verteld dat ik nieuwsgierig ben? Vast wel.
Hoe dan ook, ik ging naast de man zitten om te zien wat er in zijn mobieltje te zien was.
Ja, ik ben niet alleen nieuwsgierig, maar ook brutaal.
Ik moet namelijk ook blogs schrijven, die komen niet zomaar uit een ei in mijn achtertuin! Ik heb trouwens geen achtertuin. Niet meer. Wel een balkon, maar daar groeien ook geen eieren.
Waarom schrijf ik dit allemaal op? Weet ik niet. Terug naar die man.
Hij had enorme handen met tatoeages op zijn vingers, rechts ‘love’ en links ‘hate’, in vette gotische letters. Hij had zeker de helft van al zijn nagels weggebeten. Een zenuwenlijder. Net toen ik een blik wilde werpen op het schermpje, ging het op zwart. Hij veegde het meteen weer tot leven.
Een appje in beeld: ‘Well now he will lose everything because of his stupidity!!!!!’. Ik telde de uitroeptekens en vroeg me af of degene die de boodschap verstuurd had, dat ook had gedaan. Ik zag haar driftig tikken en op het einde van de zin nadenken over het aantal exclamation marks. Geen vier, geen zes, maar vijf. Wat mij betreft vier teveel, want zo’n teken devalueert waar je bijstaat, iedere herhaling is halvering van de zeggingskracht. Een stuk of tien en geen enkele lezer slaat er nog acht op.
Om een of ander reden ging ik er vanuit dat het een vrouw was die ze getypt had. Vraag me niet waarom. De vrouw van de man om precies te zijn. En hun zoon stond op het punt om alles te verliezen. Wedden? De sufferd. Terwijl de vrouw haar geduld allang op was, dat zag je zo, wat haar betrof was alles verliezen nog schappelijk, had de man naast mij nog medelijden.
Of, nou ja, medeléven.
Hij zag het voor zich, alles kwijt.
Dan heb je niets meer. Lijkt nogal simpel om je voor te stellen, maar dat is niet waar. De man had er zichtbaar moeite mee. Verder dan een lege flat ergens in een buitenwijk kwam hij niet.
Ik trouwens ook niet. Ja, ik zag die jongen nog ergens op een bakje zitten in een kaal park. Intussen vroeg ik me af wat de jongen gedaan had om het zover te laten komen. Dat is een ook een beroepsdeformatie. Ik ben nieuwsgierig en zie overal ontsporingen, kwaad in allerlei gedaanten. In dit geval: domme speculaties op de beurs; drank en dope; foute vrouwen; gokhallen.
Kon allemaal. Hoef ik u niet te vertellen.
Ook dat kwaad zag de man voor zich. De foute vrouwen vooral. Sommigen hadden bij hem op de bank gezeten met gelakte nagels en een glaasje sherry. Om kennis met hem te maken. Hun aanstaande schoonvader. Nu waren ze allemaal weer uit beeld. Vertrokken met huisraad en halve bankrekeningen.
De bitches!
Exclamation mark!
Zijn jochie in het verderf gestort. Als hij ze in zijn vingers kreeg…
Zijn vingers waar ‘hate’ op stond. Het scherm ging weer op zwart, maar nu liet hij het zo. Hij dacht na. Na een poosje bracht hij de tekst weer te voorschijn en begon hij aan een antwoord. Letter voor letter met zijn reusachtige afgekloven wijsvinger.
‘Just like we did. And now we lost him too.’

Feest

scotty
Toen ik vijf werd, was ik ziek. Mijn moeder had geregeld dat mijn vriendjes na school rond een uur of vier langs zouden komen om mijn verjaardag te vieren. Ik weet niet meer of zij nu echt een feestje op het oog had gehad, met spelletjes en zo, of alleen maar wat bijeenzitten met snoep en ranja als een soort uitgebreid ziekenbezoek, maar toen de vriendjes gearriveerd waren, bleek al snel dat wat er ook gepland was, zij eigenlijk alleen maar kwamen vertellen dat ze niet konden blijven omdat zij voor school iets moesten doen. Aan de manier waarop zij de woorden hakkelden, hoorde ik meteen dat zij logen. Ze hadden gewoon geen zin, waarschijnlijk omdat ze onderweg op iets veel interessanters waren gestoten (een dood beest in de berm van de weg, of een gat in de omheining van de nieuwbouw, een pak kranten waar de fik in kon). Ik kon het allemaal in hun schichtige blikken zien.
Dan niet, dacht ik.
Straalde ik uit, om het eens modern te zeggen.
Maar van afgelasten wilde mijn moeder niets weten. Met als gevolg dat ik ten overstaan van de jongens moest meemaken hoe zij mijn zaak bij hen ging bepleiten, onder andere door voorbeelden te beschrijven waaruit zij moesten begrijpen dat ik mij enorm op hun komst verheugd had.
Dat ik haar om het kwartier had gevraagd of het al vier uur was.
En de rest van de dag voor het raam had gestaan om te zien of zij er al aankwamen.
Mijn vriendjes hoorden het gelaten aan. Ik zag ze denken aan het avontuur dat zij hadden uitgesteld. Voor je het wist had een ander dat dode beest gevonden, het gat in het hek ontdekt, de kranten in de hens gestoken.
Toch kreeg ik door de hele situatie wel enorm medelijden met mijzelf. De onverzettelijke tegenzin van mijn vriendjes gecombineerd met de groeiende wanhoop van mijn moeder (die stukje bij beetje in paniek raakte omdat ze geen steek verder kwam met haar op het gevoel van de jongens gerichte verhalen) veroorzaakte dat ik in mijzelf gekeerd naar de grond staarde in een verwoede poging om zo mijzelf en de rest van de wereld te laten verdwijnen (ik wist zeker dat zoiets moest kunnen, god mag weten hoe ik daar bij kwam – het was meer een soort hoop, geloof ik – maar ik denk het nog wel eens en probeer het dan weer, tegen beter weten in, wat voor omstanders vaak een ongemakkelijke situatie oplevert, en voor mij gevaarlijke, want soms willen ze me naar de eerste hulp of de crisisopvang brengen).
Dat lukte (en lukt) natuurlijk niet. Sterker nog, in plaats van dat ik en met mij alles en iedereen verdween, trad ik buiten mijzelf en zag ik mijzelf daar staan, in mijn pyjama en kamerjasje, met mijn sloffen op het linoleum van de gang (ook geen uitrusting waarin je je vriendjes wilt ontmoeten, trouwens), koortsig tegenover mijn onwillige visite, terwijl de hoge stem van mijn moeder als een gummibal door de ruimte stuiterde.
Tja.
Even voor alle duidelijkheid, dit is geen verhaal om een jeugdtrauma te verwerken en en passant mijn moeder een veeg uit de pan te geven. Zij handelde geheel en al uit liefde, dat begrijp ik ook wel.
Toen niet.
Da’s trouwens een algemene eigenschap van liefde, denk ik, dat je die zelden op het moment zelf ziet.
Goh, da’s ook sneu.
Nu ik toch bezig ben, nog zoiets: ik voelde mij toen voor het eerst in mijn leven helemaal alleen in het bijzijn van anderen, maar dat zoiets kon, begreep ik op dat moment ook nog niet.
Gelukkig maar, want alles bij elkaar was het al een verjaardag van niets, daar hoefde zo’n besef niet ook nog eens bij.
Goed. Tot zover de droevigheden.
Uiteindelijk hebben we bij wijze van compromis staande in de gang het snoep naar binnen gepropt alsof het een straf was en de limonade opgedronken als mannen met bier aan de zijlijn van een voetbalveld. Of nee, aan de rand van een graf, eigenlijk, maar zoiets komt natuurlijk niet vaak voor, dus is niet zo’n geschikte beeldspraak, hoewel ik het wel eens heb meegemaakt, een drinkgelag bij iemands kuil, nota bene van een man die aan de drank gestorven was.
Eh… ik wil maar zeggen dat de stemming bedrukt was.
Als ik door een of ander geheimzinnige plooi in de tijd had geweten wie Scotty was-schuine-streep-zou-zijn, had ik hem aangeroepen.
Toen de jongens waren vertrokken, gaf ik over.
Dat was vreemd genoeg het leukste van de hele dag.
Een opluchting.
Wat verklaart waarom ik sindsdien op al mijn verjaardagen steevast ontwaak met de troostrijke herinnering aan het heldere gespetter van oranje braaksel (spekkies en limonade) op het koningsblauwe zeil van ons halletje.
Geluk zit in kleine dingen.