Vanmorgen om kwart over vijf fietste er een vrouw door de straat die om de drie vier tellen zangerig ‘Noa!’ riep.
Zoals je een kind roept dat zich verstopt heeft. Zogenaamd in paniek. Of, nee, het klonk wel iets échter, zoals je een poes lokt.
Langgerekte ‘o’, korte ‘a’.
Meer een ‘ah’, eigenlijk.
‘Noooah…’
Die puntjes horen erbij.
Sirene zonder overtuiging. Mooi gezongen, maar tegen beter weten in.
Verwarrend allemaal.
’s Morgens om kwart over vijf.
Niet iets om monter de dag mee te beginnen. Daar ben ik toch al niet zo goed in, monter de dag beginnen.
Überhaupt, de dag beginnen, monter of niet, niks voor mij. Als ik moet kiezen tussen slapen en waken, neem ik het laatste, maar dan alleen omdat slapen echt zonde van je tijd is, niet omdat wakker zijn zo leuk is. Of nou ja, wakker wórden, dat is gedoe. Het eerste kwartier van de dag, dat is ploeteren, daarna gaat het wel, maar de angst dat ik die vijftien minuten niet doorkom, is vreselijk.
En dat dan iedere dag.
Het is een ziekte.
De remedie is toch niet anders dan de dag maar beginnen. Bij de minste of geringste aankondiging van dageraad met een soort doodsverachting zonder dralen aan de slag.
Aan de slag, dat is denken. Dat gaat gelukkig vanzelf. Mijn hoofd doet doet dat.
Toen de vrouw langsfietste ook. Ik luisterde naar de vergeefse Noa’s, hoorde hoe ze een voor een wegstierven terwijl de vrouw de straat uitfietste, en ergens in mijn verstand kwam een voorstelling van haar te voorschijn.
Om een of andere reden leek ze op de vrouw die ik eens had gezegd dat ik het blauw van haar jurk prachtig vond kleuren bij haar ogen. Of nee, ik had alleen gezegd dat ik die kleur mooi vond.
Yves Klein-blauw. Ik heb ooit een van zijn sponzen in het echt gezien en alle besef van moraal verloren terwijl ik bedacht wat ik zou moeten doen en/of laten om het werk bij mij op het dressoir te krijgen; gewetenloze delicten, alles voor schoonheid.
Hoewel ze me in haar ogen liet kijken alsof ze wist wat ik niet had durven zeggen, en hoewel ik toen bloosde, en hoewel we toen lachten, heb ik haar daarna nooit meer gezien.
Tot ze opeens door mijn straat fietste.
In mijn gedachten dan.
Ik wist niet eens of ze bij mij in de buurt woonde.
Ik wist niet eens of ze wel een kat had.
Wist niet eens of Noa een kat was.
Moest haast wel. Ik kon me geen ander dier voorstellen dat je Noa zou noemen. Een hond? Nee, een hond genaamd Noa, dat is gewoon zielig. Dito voor parkiet, cavia, hamster, woestijnrat, slang, schildpad, eh… een paard, dat zou nog kunnen. Maar zo’n beest raak je niet zomaar kwijt, dunkt mij. En als je dat doet, vind je het zo weer terug.
Toch?
Ik had in ieder geval rechtop in bed gezeten als er een Friesche hengst door de straat had gedraafd.
Goed, dus Noa was een kat, en ze was zoek, maar hoezo gaat die vrouw dan ’s morgens om kwart over vijf op zoek? Ik bedoel, kan zoiets niet wachten tot de dag een beetje op streek is?
Kennelijk niet.
Wat alles nog droeviger maakte dan het al was.
Want radeloos.
Wanhopige sirene, dat kan eigenlijk niet.
Had ze de hele nacht gewacht tot Noa thuis zou komen? Zoals Joni Mitchell, waiting for a car on the hill?
Oh, hoeveel van die nachten heb ík niet gek van angst bij het raam doorgebracht. Verliefd zijn is mooi, maar de hele tijd overgeven en huilen als een kind… dat dan weer niet.
Misschien had ik beter als de vrouw kunnen doen. Op mijn fiets door de straten rijden om de naam van mijn geliefde te zingen. Dat was tenminste iets.
Nutteloos maar romantischer.
Dus eh… misschien was Noa wel gewoon de vrouw van die vrouw?
Ja! Ik zag haar meteen voor mij. Zo genadeloos lief en mooi dat een mens er alles voor over zou hebben om van haar te mogen houden.
Gewetenloze delicten.
Terwijl ze zelf niet besefte waarom. Zulke vrouwen bestaan (mannen ook, Ramses Shaffy bijvoorbeeld, heb ik eens gelezen). Geen flauw benul van de liefde die ze oproepen. Laat staan van het bijbehorende verdriet.
Wedden dat die Noa doodgemoedereerd ergens een laatste sigaret van een nacht doorhalen zat te roken en onthecht van het alledaagse bestaan op de zonsopgang wachtte terwijl ze ergens in de verte haar naam tussen de huizen hoorde kaatsen?
En wedden dat ze dacht dat iemand een kat riep?
‘Duh! Om half zes. Hoe bizar is dat?’ fluisterde ze tegen zichzelf.
Ik draaide me op mijn zij en keek op mijn wekker.
Ja, verdomd, half zes.
Yes!
Kees

Kees had Korsakov. Dat zag iedereen meteen, maar hijzelf wilde er niets van weten. Dat hoorde erbij, maar ook daar wilde hij niets van weten. Eigenlijk wilde hij nergens meer van weten. Hij had aan de hele wereld een hekel, en hij maakte er een punt van om te pas en onpas uit te leggen aan wie precies.
Mensen.
Maar hij zei er nooit bij waarom of hield het bij onnavolgbare redeneringen als ‘ik haat … (vul maar een doelgroep in) omdat ik een hekel aan ze heb’, waardoor het vreemd genoeg wel een draaglijke misantropie was, want discussies erover gingen nooit dieper dan een paar krassen in zijn granieten logica.
Hij hield alleen van zijn hond. Waarom dat zo was, hoefde hij dan weer níet uit te leggen, want ook dat zag iedereen meteen. De hond hield namelijk ook van hem. Dat is het mooie van honden, zei iemand me eens: ‘een hond houdt altijd van je, wat je ook hebt gedaan.’
Dat moest wel waar zijn, want Kees had alles gedaan wat God verboden had. Vooral veel mensen in elkaar geslagen. Dat was zijn leven nu eenmaal, zei hij, slaan of geslagen worden (als hij helder was: to beat or not to beat, hij had gevaren en sprak een beetje Engels).
‘Ja, en drinken dan.’
Als hij dronk, zette hij zijn woorden om in daden en werd zijn irritante maar tandeloze haat van het ene op het andere moment een tomeloze woede die geen andere weg kende dan die naar vernietiging. Dan moest alles kapot of dood. Dat laatste was er – tot zijn verbazing nota bene – nooit van gekomen, maar hij had wel een ‘hele stoet mensen in een rolstoel geholpen’.
Dat dus wel.
Tot meerder eer en glorie van hemzelf, vond hij. Want de drank werkte twee kanten op. Woorden werden daden en nu hij door zijn ziekte nog geen veer meer weg kon blazen, maakte hij van zijn daden weer woorden. Na voldoende bier maakte hij van alles wat hij had uitgevreten met wilde gebaren het ene na het andere heldenverhaal.
Met veel oog voor detail.
Ja, veel details.
Als het een film op tv was zou ik wegzappen. En de tv het raam uit gooien. Ik heb vaak gefantaseerd dat ik hem op een of andere manier de mond zou snoeren, om hem gewoon op te laten houden met zijn vuile branie. Maar tussen droom en daad staan wetten in de weg en morele bezwaren. En ik was natuurlijk veel te schijterig voor zoiets. En te klein. Hij was een kop groter dan ik (dat heb ik dan weer, story of my life).
Daarom was ik zo blij met de hond. Die hielp mij. Want telkens als Kees weer over weet ik veel wat van leer trok, richtte ik mij op zijn hond, die op haar beurt zich weer laafde aan Kees’ triomfantelijk gekraai en gespetter en de nauwelijks te harden kegels die hij met ieder woord de ruimte in stootte. Als Kees om zijn verhalen in te leiden in zijn handen wreef, zijn dikkige paarse handen met zijn worstenvingers die een voor een eigen leven leidden, begon ze al te kwispelen. En als hij om zijn eigen verhaal genieterig ging grinniken, blafte ze mee. Hij grinnikte godverdomme het bloed onder je nagels vandaan, maar de hond vond dat niet erg.
Onvoorwaardelijke liefde. Daar kan een mens nog wat van leren.
Wat ook gebeurde. Want Kees had van lieverlede kennelijk toch wat van de hond opgepikt, zodat hij op een dag tijdens een wandeling aan de praat raakte met een mevrouw die een cocker spaniel uitliet, en er iets tussen hen ontstond terwijl zij uren op een bankje doorbrachten, hij vol van zijn verhalen en zij een en al oor.
Hoe ze het voor elkaar kreeg, bleef een raadsel, maar ze luisterde. Sterker nog, ze vroeg hem naar nieuwe verhalen.
Details.
En van de weeromstuit vergat hij de gruwelijkheden waarmee hij gewoonlijk zijn dikke gepoch schraagde, en vond hij kleine dingen die schoorvoetend uit zijn wankele geheugen tevoorschijn kwamen, herinneringen aan zijn jeugd, de aftershave van zijn vader, hoe een zeebries het rode haar van zijn moeder uit haar gezicht blies, de drie-en-twintig sproeten van een meisje uit de straat.
De verhalden bleven maar komen. Zijn hond kwispelde en blafte, de cocker spaniel ook, en de vrouw grinnikte. Ze grinnikte en lachte en brak zijn hart.
En verdomd als het niet waar is, ze leefden nog lang en gelukkig.
Rood
De verpleegster heette Gladys en ze was erg mooi. Maar ze duwde mij ook in een knalrode rolstoel door het half verlaten ziekenhuis, waardoor schoonheid opeens een aspect van het leven was waar ik niet lang bij stilstond.
Alhoewel. Het troostte me wel.
We reden langs de glazen wand van een schemerige binnentuin. Donker en zwijgend struikgewas achter dertig vierkante meter plotselinge spiegel.
‘Kijk daar gaan we,’ zei Gladys.
Witte man, zwarte vrouw, rode rolstoel.
‘Zo heeft u zichzelf waarschijnlijk nog nooit gezien?’
Nee.
My first wheelchair.
Hij was verplicht. En dus absurd. Wie een ziekenhuis binnenstapt moet ziek doen. Voor zich laten zorgen.
Kan ik niet. Maar ja, ik kan zoveel niet.
Twee uur daarvoor was ik tegen een auto opgeknald, door de lucht gevlogen (vermoedde ik), had ik mijn racefiets uit een berm vol brandnetels getrokken, adresgegevens uitgewisseld met de automobilist, samen met een voorbijganger alles wat krom was aan mijn fiets weer recht gebogen, mijn door elkaar geschudde gedachten en herinneringen bij elkaar geveegd, en ten slotte dertig kilometer terug naar Utrecht gefietst (in minder dan één uur, wind mee).
Thuisgekomen dacht ik, toch maar even checken of alles goed is. Lang leve de techniek, mobieltje op selfiestand naar de achterkant van mijn oor laten kijken terwijl ik voor de spiegel stond; schilderij van Margritte, of zoiets, inclusief Droste-effect: diepe snee.
Bloed.
Knalrood.
Daarna gedoucht, naar het ziekenhuis gefietst (andere fiets), verhaal verteld (3x), en twijfel gezaaid, want was ik nou buiten bewustzijn geweest of niet?
Ja, in de lucht.
Dacht ik.
Wist ik niet meer.
Hm.
Naar de neuroloog.
In een rolstoel, want verplicht.
Absurd.
Knalrood.
Ik zag ‘Don’t look now’; de hele film in een paar seconden. In iedere scène tergende dreiging van datzelfde rood. Meteen in de eerste minuut te beginnen met het regenjasje van een verdronken kind.
Kwam niet meer goed, dat had ik aan alles gevoeld. Toch uitgekeken.
Had ik niet moeten doen, dacht ik, veertig jaar later, in de rolstoel.
Opeens dreiging alom.
Gladys glimlachte naar me via de spiegelwand.
Troost.
‘Sorry,’ zei ze. ‘We willen niet dat u valt.’
‘Ik ben al gevallen. En door de lucht gevlogen en opgestaan, en…’
‘We weten nog niet of u iets heeft. Vandaar.’
‘…’
‘Die rolstoel.’
Ik glimlachte terug.
Berustte.
Ziek zijn ís absurd.
Wat de neuroloog per se nog eens wilde bewijzen. Hij gebood me uit de rolstoel en liet me op mijn blote voeten over een denkbeeldige lijn lopen, op m’n hakken, op m’n tenen, terwijl hij ernaar keek alsof hij bang was dat het verkeerd zou gaan maar niet wist wat verkeerd was.
‘Kunt u uw ogen sluiten en met uw linkerhand uw neus aanraken?’ vroeg hij. Dat kon ik. Ook met mijn rechterhand. Toen ik mijn ogen opende, lachte Gladys me weer toe.
‘We gaan een scan maken.’
Van mijn hoofd.
‘En daarna ga ik een chirurg zoeken.’
Voor mijn oor.
Hechtingen! Alle plekken op mijn lijf waar ik ooit met naald en draad behandeld was, begonnen te steken alsof het gisteren gebeurd was.
Gladys las mijn gedachten en liet haar blik langs mijn herinneringen gaan. Ze bekeek mijn oor.
‘Misschien kunnen ze het plakken.’
Troost was haar reden van bestaan.
Niet waar natuurlijk, maar wel een mooie gedachte. Die hield ik vast tot ze me ten slotte kwam vertellen dat ik weg mocht. Alles was goed, op één ding na.
‘Woont u alleen?’
Ik knikte eerst ferm en daarna zielig, maar dat hielp allemaal niet, want in mijn uppie de nacht in, dat mocht niet. Punt.
Tot zover de troost.
Streng.
Iemand moest mij om de twee uur wekken en checken of ik nog wel bij mijn verstand was.
Dat kwam mijn dochter doen. Om half een verscheen ze de eerste keer slaperig naast mijn bed, om te vragen wie zij was.
Dat wist ik heus wel.
‘Gelukkig heb je nooit een rood regenjasje gehad,’ hoorde ik mijzelf zeggen.
Ze glimlachte.
‘En wie ben jij?’ vroeg ze.
‘René… René Magritte.’
Toen belde ze voor de zekerheid toch maar even de dokter.
Genieten
Ik kreeg een e-mail van iemand van vroeger. Ze dacht mijn geheugen op te frissen door mij in de eerste zin eraan te herinneren dat we elkaar dus al lange tijd niet meer hadden gezien. Nu heb ik in mijn hoofd een hele afdeling van personen die ik al een lange tijd niet heb gezien, dus die mededeling hielp niet. In de tweede zin vroeg zij hoe het met mij ging en vertelde zij dat ze het natuurlijk druk had, maar erg van haar twee kindjes genoot. Ze noemde hun leeftijd en namen.
Nu wist ik weer waar ik haar voor het laatst had gezien. Bij de supermarkt van Albert H. Ik had me achter een rek met aanbiedingen verscholen om te wachten tot zij de winkel verlaten had (geen wonder dat ik driekwart van mijn kennissen lange tijd niet gezien heb, ja). Intussen had ik haar gadegeslagen. Ze had een kinderwagen voortgeduwd waar twee kinderen in vastgesnoerd zaten.
Nee, kindjes.
Dat woord ergerde mij opeens. Ik heb sowieso al een hekel aan verkleinwoorden (in kookprogramma’s zijn ze er dol op: ‘er zit ook een bittertje in’), maar ‘kindjes’, dat vind ik helemaal niets.
Waarom moet een klein mens nog verder verkleind worden?
En daar dan van genieten. Van die kindjes.
O ja, dat woord gebruikt iedereen ook te pas en te onpas. Genieten.
Of erger: genietmomentje. Of als wens: geniet!
Wat is dat? Ik weet nooit wat ik dan moet doen.
En wat is van je kindjes genieten, of in het algemeen, dat je van iemand geniet? Ja noem me een oude chagrijn, maar toen ik laatst iemand in de bus schaamteloos tegen haar medereiziger hoorde zeggen: ‘Ja, wij genieten enorm van elkaar’, werd ik op slag heel erg hatelijk.
Mensen zeggen maar wat.
Ze bedoelde echt niet dat zij en haar man elkaar naar de toppen van het geluk gedingest hadden (zou een nogal vrijmoedige mededeling in de bus zijn, maar nog te begrijpen). Wat ze wel bedoelde werd niet duidelijk. Haar man stond er overigens bij en met een nogal neutraal ponem. Alsof hij van niets wist.
Ik vind het ook een rare uitdrukking, van iemand genieten. Het meeste benauwt mij nog de gedachte dat die ander daar dan niets van weet. Zoals die man. Dat genieten gaat namelijk in stilte. Schijnt. In ieder geval is het geen demonstratieve activiteit waar god en alle mensen getuige van zijn. Gelukkig maar, waarschijnlijk. En wat doet de een dan als de ander van hem of haar geniet? Laat die het maar gewoon gebeuren? Alweer: zoals die man?
Zou ik niet doen.
Stel dat Cavia zou zeggen dat hij erg van mij geniet, dan zou ik me toch genept voelen. Want ik weet niet wanneer hij dat gedaan heeft, dat genieten. Misschien wel achter mijn rug om. Raar toch? Ik ben er graag bij als er iemand van mij geniet. Da’s veel gezelliger, of, eh… Nou ja, u begrijpt wel wat ik bedoel.
Om over ‘van kindjes genieten’ maar niet te spreken. Als we even van de legale variant uitgaan, dan is het nog op de rand van toelaatbaar, vind ik. De arme schapen zijn amper bij hun verstand en dan lopen hun ouders al ongegeneerd van ze te genieten. Dat is toch een zachte versie van uitbuiting, vind ik.
En het is trouwens allemaal voor niks, want denk maar niet dat die kids dat later vereffenen. Ik heb tenminste nog nooit iemand horen zeggen dat hij van zijn ouders genoot.
Het beste lijkt mij daarom dat we dat genieten van anderen, ongeacht onderlinge relaties, maar gewoon verbieden. En laten we dan meteen ook ‘genietmomentjes’ uit het vocabulair gummen. Evenals ‘geniet!’ Het
zal lastig te handhaven zijn, zo’n verbod, want zodra het strafbaar is, hoor je er natuurlijk niemand meer over en iemand op heterdaad betrappen is natuurlijk gekkenwerk.
Hm. Als ik mij daar een voorstelling van maak, vraag ik me ook af of ik dat zou willen. Ik heb namelijk geen flauw idee van wat er dan te zien is. Het zou me niks verbazen als dat een heel onaangenaam fenomeen was.
Ongemakkelijk voyeurisme.
Nee, nu ik er nog eens over denk, neem ik dat voorstel terug.
Maar kindjes verbieden, dat moet kunnen.
Ja, het woord dan.
Je moet ergens beginnen.
Gokken
De vrouw van de krantenkiosk sprak om met Carmiggelt te spreken (ik ga niet uitleggen wie dat is) een verwoestend soort Utrechts dat niet alleen door merg en been ging, maar ook iedereen in de winkel bang maakte, mij tenminste wel. De gezichtsuitdrukkingenen die zij er voor de halve verstaanders gratis bijgaf maakten het er niet veel beter op. Angstaanjagende blik in haar ogen had ze.
De oude gebogen Antilliaan voor mij trok zich er niet veel van aan. ‘Hetzelfde recept,’ mompelde hij.
Bedeesd, maar vastberaden. Hij kende de vrouw, denk ik.
Ze keek hem aan. ‘Je wil de lotto spelen?’ Het klonk alsof ze vond dat hij er nooit veel van bakte.
‘Ja, net als altijd.’
‘Het is morgen superzaterdag, dus dubbele trekking. Wil je dat ook?’ Hij knikte.
‘Dat is ook twee keer zo dúúr!’
Hij knikte weer. ‘Ja, ik wil twee keer.’
‘En ga je weer zelf de nummers kiezen?’ Nu was wel duidelijk ze hem een hele belabberde lottospeler vond.
Lotto spelen leek me geen vaardigheid waar waar je goed of slecht in kon zijn, maar bij gokkers ligt dat anders. Ik heb eens in dezelfde winkel een klant zijn beklag horen doen over de ‘kutloten’ die hem de week daarvoor verkocht waren. Daar was namelijk helemaal niks op gevallen!
Niks!
Voor de zoveelste keer! Hij dacht erover om elders zijn loten te gaan kopen.
Een nogal bizar verwijt en een even bizar dreigement, maar nog bizarder waren de verontschuldingen van de verkoper, die beterschap beloofde.
De mens is een raadsel.
En een hele slechte statisticus.
Terug naar de Antilliaan. Hij wachtte geduldig tot de vrouw op de kassa een paar toetsen had ingedrukt.
‘Ja, zeg het maar,’ riep ze.
De man noemde zijn nummers. Hij dacht er telkens zo lang over na dat hij na de vierde niet meer wist hoeveel hij er nog moest.
‘Twee,’ zuchtte de vrouw en toen hij na de laatste bleef staan peinzen, vroeg ze luid en langzaam of hij zeker wist dat dit ze waren. Ze declameerde het hele rijtje nog eens en de man zei dat het goed was. Daarna moest hij een kleur noemen. Hij keek vertwijfeld rond en kwam uiteindelijk bij zijn schoenen uit.
‘Bruin!’
De vrouw schudde haar hoofd. Dat was kennelijk een hele domme kleur. ‘En dit hele setje dus twee keer,’ herinnerde ze hem.
‘Nee, wel twee keer, maar andere nummers.’
‘Je zei dubbele trekking! Het is superzaterdag!’
Er ontstond een discussie over het verschil tussen twee loten met andere cijfers en hetzelfde lot twee keer en welke variant de meeste kans op zou leveren. Ze kwamen er niet uit. En ik besloot me er niet mee te bemoeien, want ik kansberekening, daar waag ik me niet aan. De mens is een slechte statisticus.
Ik zeg niet zomaar wat. Er is veel onderzoek naar gedaan. Ook naar lottospelers en andere gokkers. Die doen maar wat. Dat ligt eigenlijk ook in de hele bezigheid besloten.
Gokken is, ja, gokken.
Ze zien dat zelf dus anders. Ze hebben hele uitgesproken oordelen over kansen. Waarom denkt u dat ze zelf hun nummer en kleur willen kiezen? Omdat ze er verstand van hebben! Ik koop zelf ook wel eens een lot en niet zelden krijg ik dan tips voor een eindnummer. ‘Je moet geen zeven nemen, want daar is vorige week al veel op gevallen,’ dat soort goede raad.
Hm.
De Antilliaan lachte: ‘ik denk dat we hier een geval van miscommunicatie hebben.’
‘Ja, dat denk ik ook,’ beaamde de vrouw. De hele winkel lachte. De vrouw keek ons aan. Als blikken konden doden, zouden we vandaag allemaal in de krant hebben gestaan, als slachtoffer van een geheimzinnige aanslag.
Maar ze dacht na en lachte toen ook. ‘Vergissen is menselijk,’ zei ze. ‘ik annuleer alles gewoon en we beginnen opnieuw.’
De Antilliiaan knikte blij. En de rest van de winkel ook, ook al moesten we nu alles weer meemaken.
Twee keer.
Altijd nog beter dan tussen de sigaren en Linda’s het leven laten.
Verhaal
In de trein zat een vrouw te telefoneren over de rouwplechtigheid voor haar overleden moeder.
Hm.
Ze was de grafredes aan het regelen en probeerde een spreker te strikken om reserve te zijn voor een andere spreker. Die laatste kon ze namelijk niet bereiken omdat hij, dat had ze had van zijn compagnon vernomen, op reis was naar een land in Afrika, alwaar hij een veertiendaagse training annex studiereis rondom oude verhalenvertellers probeerde op te zetten.
Storytelling. Dat was heel hip. Ze had het opgezocht.
‘Is Ubuntu eigenlijk wel een land in Afrika?’ vroeg ze zonder op een antwoord te wachten. Het was hoe dan ook zeer de vraag of hij terug zou zijn vóór de teraardebestelling, want, nou ja, die verhalenvertellers had hij natuurlijk niet zomaar gevonden, dat had ze al lang begrepen, en dan moesten die ook nog bereid gevonden worden hun verhalenvertelkunst aan blanke Nederlanders over te dragen.
Of zoiets.
God mocht weten wat daar allemaal bij kwam kijken.
Het was niet haar idee, dat was duidelijk.
Ze zweeg even en vatte daarna alles in één zin samen: moeder dood, spreker één onbereikbaar, spreker twee ook goed. Ze bracht het wel iets genuanceerder, maar veel anders was het niet.
Geen wonder dat ze dat verhalen vertellen niks vond… als je van je moeder verliezen een elevatorpitch kunt maken.
Als ik de reserveman was, zou ik nog eens over haar verzoek nadenken. Daar had ze op gerekend.
‘U wist altijd zo beeldend en met gevoel over haar te vertellen,’ vleidde ze hem. Ze gaf een voorbeeld. Niet zomaar een voorbeeld. Ze wilde graag precies dat de spreker dát voorbeeld nam.
Bij de kist.
Ze legde uit waarom en wist behendig zowel enkele positieve karaktertrekken van haar moeder te memoreren (opdat de man die niet vergeten zou), als de man te loven om zijn rake opmerkingsgave. Hij had het toch allemaal maar gezien. Dat haar moeder zo verpletterend meelevend was, dus.
Tot aan haar laatste adem, trouwens. Ze hadden allemaal rond haar sterfbed gestaan, al haar dierbaren, en hoewel ze ontzaglijk veel pijn moest hebben gehad, en ook heel erg bang voor de dood was geweest, had ze niet gerust voordat ze iedereen op het hart had gedrukt geen verdriet te hebben om haar verscheiden. Want dat ze verder moesten met hun leven .
Zo was ze. Cijferde zich altijd weg voor een ander.
‘Dus dat wil ik er zeker in,’ besloot ze. ‘Dat altuïsme van haar.’
Het was niet erfelijk.
Wat de man daarvan vond, bleef onduidelijk. De vrouw was af en toe wel even stil, maar zo te horen niet om te luisteren, alleen om adem te halen voor nieuwe details over de laatste uren, en daarna de laatste jaren, en daarna het leven van haar moeder.
En ik luisterde daarnaar.
Of ik wilde of niet.
Maar ja, je kunt moeilijk een vreemde vragen om een verhaal te af te breken waarvan ze om de anderhalve zin zegt dat het haar nog steeds ‘emotioneel erg aangrijpt’.
Mijn stelling over gevoelens is dat zodra je zegt dat je ze hebt, je ze kwijt bent. Ja, ik weet heus wel dat emoties verwerken heel persoonlijk is, en dus dat dit een boude stelling is, zeker omdat ik verder van die vrouw d’r innerlijk niets weet…
Nou ja, ik weet dat het dus haar innerlijk is.
Háár innerlijk.
Ínnérlijk.
‘Vooral de ongelooflijke intimiteit van dat laatste moment zal ik altijd blijven koesteren,’ zei ze.
Ze was nog nooit zo dicht bij haar moeder geweest.
Ik ook niet.
Maar ja, ík kende haar moeder net. Díé vrouw was haar dochter.
Ook niet iets om haar op te wijzen. Ofschoon ik wel steeds meer zin kreeg om haar op een of andere manier het zwijgen op te leggen. Delen is heel erg modern en waar je tegenwoordig maar komt in de wereld kun je de hele godvergeten rest ervan mee laten leven, dus deze onontkoombare openhartigheid was misschien wel heel erg eigentijds, maar ik vond het het een gemoedsvariant van niezen zonder hand voor je mond. Ik had voortdurend de neiging om spetters van mijn gezicht te vegen.
Ze was intussen overgegaan op het programma van de afscheidsplechtigheid. Of, nou ja, plechtigheid, dat moest het zeker niet worden, want zo was haar moeder ook nooit geweest.
Plechtig.
Gewoon was al gek genoeg.
Dus alles bleef heel eenvoudig, gewoon een paar sprekers, en achteraf wat drinken met elkaar. Een goed glas wijn op haar heffen met misschien wat te eten erbij.
Een stukje Franse kaas.
‘U heeft toch ook wel tijd om nog even te blijven als u gesproken heeft?’
‘…’
‘Hallo? Dominee?’ Ze keek naar haar stille mobieltje en fronste haar wenkbrauwen. ‘Zeker die tunnel,’ fluisterde ze tegen zichzelf.
Daar waren we een kwartier geleden doorgereden.
Ze tikte een paar keer op het scherm en hield het ding weer tegen haar oor. ’Moet ik verdomme dat hele verhaal opnieuw vertellen.’
Wat ze niet deed. Niet meteen.
Terwijl ze wachtte, staarde ze naar buiten en toen de dominee opnam, zei ze dat hij niet meer nodig was.
‘Ik ga zelf wat zeggen.’
Koffie & ik
Vroeger smaakten mijn boterhammen met chocoladepasta wel eens naar tomatensoep.
Rare gewaarwording.
Ik heb het nu over de tijd dat mijn moeder boterhammen voor me smeerde. Op dezelfde houten plank waarop ze uien en andere groenten sneed.
Het duurde even voordat we daar met zijn allen achterkwamen, dat het daardoor natuurlijk kwam dat onze boterhammen vreemd smaakten.
Wat me nu nog wel eens bezighoudt, is de vraag waarom we het zo laat ontdekten. Ik bedoel, ik had al sinds ik kon kauwen boterhammen met chocoladepasta gegeten. En toen opeens op een dag die bijsmaak. Hadden we tot dat moment nog nooit een houten snijplank gehad? Had mijn moeder haar werkwijze veranderd? Soepgroenten in het algemeen of de ui in het bijzonder in ons huishouden geïntroduceerd?
Zij weet niet meer hoe het zat. Wel hoe het afliep. Ze boende het ding aan een kant schoon met bleek en schreef er daarna met een Oostindische inkt ‘Brood’ op. Dat wist ik ook nog (Ik zie zo haar hartverscheurende huishoudschoolhandschrift weer voor me), want toen ik later op kamers ging en in studentenhuizen kwam te wonen was telkens het eerste dat ik deed altijd precies hetzelfde. Alle planken kregen aan één kant brood als bestemming (met bleek schrobben kon toen niet meer, daar was ik te links voor).
Een guitige huisgenoot voerde op een regenachtige zondagmiddag dat principe eindeloos door op alles wat er maar in de keuken te vinden was. Alles kreeg een specifiek doel. Zo was er een pan waar ‘Aardappelen’ op stond en een pan voor ‘Spruitjes’.
Een heilloze onderneming natuurlijk, want er waren veel meer bestemmingen dan de best toch wel grote verzameling potten, pannen, en ander gerei die wij hadden.
Het was ook een zenuwtergende actie. Voor mij dan. Want ik krijg het dus gewoon niet voor elkaar om iets anders dan aardappelen te eten uit een pan waar ‘Aardappelen’ op staat.
Je bent een zenuwlijder of niet.
Mijn kinderen hadden vroeger bekers met kleine symbolische icoontjes van dranken erop. Hoe mensen limonade kunnen drinken uit een beker waar een uier op staat, is mij een raadsel. Mijn kinderen deden dat ook niet.
Ja, het is erfelijk.
Ik was eens op te eten bij iemand die me risotto gaf uit een diep bord. Toen ik het op had, bleek er op de bodem ‘Pasta!’ geschilderd.
Ik was op slag misselijk.
Het is een ziekte.
Maar goed, dit allemaal ter inleiding en verklaring van de onnoemelijke prestatie ik momenteel lever. Ik zit dit namelijk te typen in een café genaamd ‘Koffie & ik’.
Eh…
Ze hebben ook thee. Een paar soorten zelfs.
Sappen, dito.
En een ruim assortiment etenswaren.
Ik bedwing nu de neiging daar een opsomming van te geven. Mijn punt is zo ook wel duidelijk hoop ik. De helft ervan tenminste. De andere helft gaat over mij. Ik bedoel ‘ik’.
Die van de ‘Koffie & ik’.
Eh…
Er zijn hier ook andere mensen. Ik ben niet alleen. Naast mij zit een vrouw.
Zij.
‘Koffie en zij’. Of nee, ‘Zij en koffie’, dat klinkt beter. Niet dat het uitmaakt. Overal staat al ‘Koffie en ik’ op.
Ze drinkt trouwens thee. Net als ik. Oolong uit een fijn potje en een nog fijner oorloos kopje van haast doorzichtig wit fine bone china het kan niet mooier.
Geluk bestaat.
Ware het niet voor die naam.
Die naam is gedoe.
Waarom?
Nou, dat lijkt me duidelijk. Die vrouw en ik zijn ‘wij’, of we nou willen of niet.
Dus: ‘Thee en wij’.
Hm.
Als ze nou maar niets anders besteld. Of vertrekt.
Denk ik dan.
Dat doet ze niet. Nee , ze kijkt naar de man die binnenkomt.
Nee! Een andere ‘wij’!
De man wil geen thee. Zul je net zien. Hij wil appelsap.
Dus: ‘Appelsap en thee en wij’. Of ‘Appelsap en thee en hij en wij’. Nee, ‘Hij en appelsap en thee en wij’.
Hij neemt een slok, staat op en vraagt er een ‘tosti met kaas, chorizo en chutney’ bij.
Aaah!
Thee en wij en appelsap en een tosti met kaas, chorizo en chutney en hij.
Of… eh…
Nee!
Dit wordt natuurlijk niks. Ik kan alles wel op een leuk klinkend rijtje zetten, maar voor ik klaar ben heeft die vrouw straks ook haar tanden in iets te eten gezet om alles weer in het honderd te gooien. Ze pakt de kaart al. En dan heb ik het nog niet eens over het jonge gezin dat stiekem is binnengekomen terwijl ik nadenk en onverhoeds naast de speelhoek is gaan zitten. Hun kind schreeuwt meteen om een croissantje.
Ik heb veel zin om ze weg te sturen.
Dan zie ik opeens een matrix. Dat gebeurt me vaker. Ik ben een zenuwlijder, weet u nog? Ik houd van orde. En andersom: ik word gek van wanorde. Nou ja, dat is overdreven, rotzooi kan ik wel hebben maar dan alleen als het volslagen onlogische rotzooi is. Chaos in de wiskundige zin van het woord. Ik hoor liever onvoorspelbare ruis en geknetter dan een zender die telkens verdwijnt of aan het kraken slaat. Chaos die net geen chaos is en waar telkens een soort patroon in schemert, die is om wild van te worden.
Vind ik.
De oplossing voor de veel wanorde is vaak een matrix. Orde scheppen. Zoals in het geval van mijn lievelingscafé ‘Koffie & ik’. Ik ga voorstellen om die naam op te heffen en te vervangen door een matrix. In de linkerste kolom de items van de menukaart, in de bovenste regel: ‘ik, jij, zij (enkelvoud), hij, wij, jullie, zij (meervoud)’. Iedereen die binnenkomt, vult in wat voor hem/haar/hen geldt. Gewoon een ‘X’ zetten in de cel op de kruising van de kolom en rij die van toepassing zijn. Iedereen mag zelf kiezen welke dat zijn.
Hoe makkelijk is dat?!
Ja, het is even opletten, maar dan klopt het tenminste allemaal.
En het hypermoderne gevolg is dat het café telkens van naam verwisselt of meerdere namen tegelijk heeft, afhankelijk van wie er wanneer en waar, wat eet of drinkt. De netwerksamenleving in levende lijve!
Ik ga meteen aan de slag om de actuele situatie vast te leggen. Bij wijze van experiment.
Dat is nog een heel gepuzzel.
Excel werkt ook niet mee. Of nou ja, ik ben daar niet zo goed in, geloof ik.
Het leven van een zenuwlijder gaat niet over rozen. Dat is een soort pleonasme (goed om te weten zeg!).
Ik ook altijd. Het zweet breekt me uit terwijl ik alles probeer bij te houden en excel gewoon doet wat hem het beste lijkt. Die netwerksamenleving is niks voor mij. Ik wordt heel droevig.
Dan komt een van de vrouwen van ‘Koffie & ik’ naar me toe met een bordje en op dat bordje ligt een boterham met chocoladepasta.
‘Ik weet niet waarom, maar je keek alsof je dat wel kon gebruiken,’ zegt ze.
Het is waar. Ik neem verslagen een hap. ‘Hoe smaakt-ie?’
Ik slik en knik en zeg: ‘Geen spóór van tomatensoep’.
Geluk bestaat.
Spullen
Het nadeel van fietsen is de fiets. Ik bedoel dan vooral wielrennen.
Daar heb je ook een fiets voor nodig.
Een racefiets.
Zo’n fiets is eigenlijk niks anders dan een goed georganiseerde en behendig in elkaar geschroefde verzameling onderdelen.
Spullen.
Dat zijn mannendingen.
Niks voor mij.
Ik ben wel een man, maar mijn ouders waren heel hip en modern, dus die hebben voor mij alleen het basispakket genomen, zodat ik later zelf altijd nog kon zien welke opties ik er bij wilde bestellen. Of, nou ja, hun besluit was ook wel een beetje uit praktische overwegingen geboren, want mijn vader had zelf ook alleen het basispakket en zich nooit extra’s kunnen veroorloven, dus hij had geen idee wat een man verder nog nodig had.
Hij had zelf ook nooit iets gemist.
Had ook geen spullen.
Geen gereedschap, bijvoorbeeld.
Dat wil zeggen, toen ik drie en een half was vonden we op de terugweg van een bezoek aan mijn oma, die aan de tweede Kosteverlorenkade in Amsterdam woonde, op de Postjesweg (ook in Amsterdam) een blauwe, half gevulde gereedschapskist en daar heeft hij het mee gedaan tot zijn dood. Er zaten een hamer, een nijptang, een verroeste zaag, een paar schroevendraaiers, en een Bahco in (zo’n Engelse sleutel met een wieltje om te verstellen, ik heb mooie herinneringen aan eindeloos dat ding zonder enig doel groter en kleiner maken), en een draadstripper. Waar die voor diende, ontdekten we pas toen ik vele jaren later verkering kreeg met de dochter van een electricien, die (de dochter) voor ze het schaterlachend uitmaakte nog wel het lieve geduld opbracht om me de toepassing ervan met een mooi kleurig bosje snoeren en draad uit te leggen.
Dat ik mij er niet voor schaamde dat zij mij technisch onderricht gaf, vond ze eigenlijk verontrustender dan dat ik niet wist wat die tang voor een ding was.
En dát begreep ik dan weer niet.
Komt allemaal door dat basispakket. Minimale identificatie (pun intended). Ik heb me ook eens zonder ook maar de minste schroom de buitenspelval laten uitleggen door mijn buurmeisje. Want ik liep er telkens in.
Maar goed, ik heb dus niks met spullen. De liefde voor spullen doe je op als je met andere mannen omgaat. Dat doe ik erg weinig, want ik begrijp ze niet.
Een voorbeeld.
Terwijl ik dit zit te typen in mijn favoriete café komt er een man binnen op zoek naar de krant. In zijn ene hand een zonnebril en een of andere creditcardholder-schuine-streep-portemonnee, in zijn andere hand autosleutels en mobieltje.
Spullen.
Ik denk dan, gooi die zooi in een tas.
Ja, een vrouwenoplossing.
(Voor wie het per se weten wil of voor wie mij liefdesbrieven wil schrijven, ik ben hetero, dat was de standaardinstelling van het basispakket en mijn ouders waren wel modern, maar geen thrillseekers).
Nog een voorbeeld. Ik kwam gisteren in een kledingzaak, en bij de mannenkleren hingen een volnerf rundlederen kookschort. Ik bleef er bij staan.
En keek ernaar.
‘Voor de barbecue,’ verklaarde het meisje van de winkel.
Hm. Barbecue. Dat is in de open lucht vlees verbranden. Ik zag messen, spatels, duivelse vorken, grijpers met scherpe tanden.
Iets voor mannen.
‘Of ze dragen ze ook wel als ze iets ambachtelijks doen.’ Ze glimlachte naar me alsof ik van een andere planeet kwam. En ik had nog helemaal niks gezegd. Ging ik ook niet doen.
Snel de winkel uit.
Terug naar die fiets.
Ik fiets altijd alleen, dat zal u niet verbazen. Op een tweedehands fiets uit 1994, waar de fietsenmaker alle spullen op heeft gezet waarvan ik bij de aankoop niet had gezien dat ze kapot waren of gewoon ontbraken. Telkens als ik weer bij hem kwam, vroeg hij zich hardop af of ze het onderdeel dat ik nodig had nog wel konden bestellen. En hij riep ook erg vaak zijn vader erbij. Een man van zeventig of zoiets.
Goed, het is een oude fiets.
Niet te verwarren met vintage of old skool.
Oud is belachelijk, vintage of old skool is superhip.
Maar het beste is gewoon toch gewoon alles nieuw.
Technologisch hoogstaand. Ontwikkeld door NASA. Gemaakt van high modulus composite fibres.
Vraag me niet waarom. Nieuw is de norm, vintage is een statement, oud is zielig. Het is zo.
Dat zie ik aan de blikken van andere mannen op de fiets.
Hoe kijken ze dan? Precies zoals vrouwen elkaar bekijken als ze op een feestje binnenkomen. Zo’n bij voorbaat misprijzende scan van boven naar beneden en weer terug.
Dodelijk.
Als je een vrouw bent.
Zo kijken mannen op de fiets ook, met dit verschil dat ze niet elkaar maar elkaars spullen bekijken.
Ik weet dan natuurlijk niet waar ik kijken moet (lees dit goed: omdat ik niet weet waar ik naar kijken moet!).
Meestal valt mijn oog op iets wat er totaal niet toe doet. Hun buiken bijvoorbeeld. Lieve help wat een enorme gevaarten zijn dat zeg. Die mannen zijn geen wielrenners, maar ballonvaarders!
Ik ben eerlijk gezegd wel blij dat zo’n pens ook niet in mijn basispakket zat.
Wat moet je ermee?
Dat hoorde ik later. Ze bewaren er hun reservespullen in.
Tour de France
De Tour de France, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Ik had in geen jaren een rechtstreeks verslag gevolgd, maar toen ik las dat Mart Smeets geen enkele merkbare bemoeienis meer had met de wielrensport op tv, besloot ik me er weer eens aan te wagen.
Ja, sorry hoor, maar die man verdraag ik niet. Hij is zo ijdel als de stiefmoeder van Sneeuwwitje, met dit verschil dat hij geen spiegel heeft die hem de waarheid vertelt. Of hij heeft er wel een, maar hij luistert niet.
Ik denk dat laatste.
Maar goed, de Tour de France.
In plaats van één Mart, waren er inmiddels twee commentatoren, ontdekte ik na een poosje. Ja, dat duurde even, want ze keuvelden en mompelden precies hetzelfde, wat een gestaag kabbelende stroom van ditjes en datjes opleverde waar ik maar met moeite twee verschillende praters in kon herkennen.
Waarom er twee van die mannen zijn, geen flauw idee. Eén is eigenlijk al veel. Er gebeurt namelijk niks tijdens zo’n etappe. Ik bedoel, er gebeurt wel iets, maar niets waar een oplettende kijker uitleg bij nodig heeft. In tegenstelling tot wat iedereen altijd beweert, is in zo’n wielrenwedstrijd namelijk echt heel simpel. Iedereen doet altijd heel geheimzinnig over strategieën en tactieken, maar dat is onzin.
Mannengedoe.
De Tour de France is net zo ingewikkeld als de honderd meter sprint. De wereldkampioen BMX vertelde gisteren kort en bondig waarom hij gewonnen had: ‘Ik dacht: zo snel mogelijk naar de finish, en gelukkig kwam niemand me voorbij’. Zo is het , wie het snelste is, komt al eerste aan en wint.
Het enige verschil is dat een etappe oneindig veel langer duurt dan honderd meter sprint of een rondje bmx’en.
Waarom de omroep zoiets nagenoeg integraal uitzendt, weet ik niet.
Vroeger, toen ik fan van Eddy Merckx was, deden ze dat dus ook niet. Ze lieten alleen de laatste klim van de ergste bergritten zien, met twee misselijkmakende camera’s waarvan er meestal één achter een auto vol reservewielen bleef steken als er eens iemand demareerde. En dat dan alleen als de helikopter die voor verbinding moest zorgen niet door mist aan de grond moest blijven. Ja, jongens en meisjes, dat was nog vóór de tijd dat Mart Smeets geheel en al uit absurde beeldspraak en enge truien bestond.
Maar goed, tegenwoordig moet iedere zweetdruppel en abusievelijk ingeschakeld binnen- of buitenblad van dichtbij te bekijken zijn, vergezeld door een verslag en duiding daarvan. Want hoewel het nog steeds de bedoeling is om heel hard te fietsen en dan als eerste aan te komen, hebben de mannen achter de microfoon dus allerlei ingewikkelde theorieën over waarom dat niet zo is.
Ze zeggen om de haverklap veelbetekenende dingen als: ‘Nee, die gaat niet rijden natuurlijk’, of: ‘Ze vallen stil, want ze vertrouwen elkaar niet.’
Eh… het is een racefietswedstrijd! Een beetje argwaan jegens je tegenstanders hoort daarbij, want die willen ook winnen. En om dat te kunnen moeten ze echt gaan rijden, dus dat gaan ze heus wel doen.
Ja, ze worden natuurlijk moe, en niet allemaal tegelijk, waardoor er van lieverlee groepjes van gelijk vermoeiden ontstaan, maar om die dan, zoals de verslaggevers doen, heel interessant en spannnend kongsi’s noemen en er vervolgens schimmige theorieën omheen te fabuleren, dat is bijna sneu.
Zonder die verhalen is er niks aan, denken ze.
Ik zou zeggen, met die verhalen erbij is het volslagen idioot. Ze doen namelijk uitsluitend beweringen die nogal wiedes zijn, zoals: ‘de belangrijkste vraag is of hij vaart kan maken’, of: ‘piekbelasting kun je niet zo lang volhouden’.
Nog erger zijn hun analyses. Die plukken ze heel overtuigd ergens uit hun onnavolgbare verstand, om ze drie tellen later net zo makkelijk te vervangen door tegengestelde als de werkelijkheid (de hele tijd vol in beeld!) hun psychologie van de koude grond logenstraft.
Dan zeggen ze bijvoorbeeld eerst: ‘Nibali heeft geen benen meer’, en niet lang daarna (als de man er op zijn dooie gemak vandoor gaat): ’Ah, kijk, Nibali heeft zijn benen weer gevonden.’
Die onzinnige geheimtaal is bedoeld om te maskeren dat er echt niks gebeurt wat we niet zelf kunnen zien en ons de indruk te geven dat wij er zonder hun vertaling echt niks van snappen. Ze zouden ook kunnen zeggen: ‘Nibali is moe’, en daarna ‘Oh, nee, toch niet’, maar dat is niet alleen ridicuul, maar ook overbodig, dus dat doen ze niet.
Ze zouden ook hun mond kunnen houden en alleen iets zeggen als er wat nieuws te melden is, iets wat wij, de kijkers, niet zien of weten. En dan bedoel ik niet dat Nibali nog steeds zijn overleden oom mist, de man die hem niet alleen heeft opgevoed nadat zijn vader en moeder tijdens het plaatselijke oogstfeest in de eeuwenoude olijvenboomgaard door een onfortuinlijke blikseminslag het leven lieten, maar die hem en passant ook de fijne kneepjes van het racefietsen heeft geleerd, en dat hij terugdenkend aan die oom juist wel of niet wil/kan rijden.
Nee, dat niet. Ik bedoel informatie waar je als kijker iets aan hebt.
Relevante gebeurtenissen, buiten beeld.
Daar zijn er heel weinig van.
Niet genoeg voor twee mannen met microfonen.
We leven in 2015! Waar je maar surft, struikel je over de informatie! Die heb ik allemaal al tevoorschijn gehaald op mijn mobieltje terwijl ik zit te kijken. De misvatting van journalisten is dat die informatie dan extra is.
Dat is dus niet waar. Zíj zijn extra.
Ik bedoel, nog even en we kunnen gewoon op ieder moment kiezen met welke helmcamera (voor of achter) van welke renner we de race via internet willen volgen, en dan kunnen we zelf zien dat Nibali gewoon allebei zijn benen nog heeft! En ik zie nu al grafiekjes van zijn bloedsuikerspiegel linksboven in beeld verschijnen, zodat we zelf kunnen zien wanneer hij moet eten.
Want te weinig eten, dat is echt hét onderwerp van dit jaar. Hongerklop heet dat. Toen Eddy Merckx nog meedeed had je dat niet (toevallig genoeg noemden ze hem de kannibaal, dus misschien had hij gewoon altijd genoeg te eten en was het geen issue).
Toen had je de man met de hamer. Wat die deed, weet ik niet.
Hm.
Hoe dan ook, in de drie kwartier dat ik het volhield om naar die mannen te luisteren, bleek hongerklop een verklaring voor zo’n beetje alles wat er gebeurde. Ze brachten het om de zin ter sprake. Als ze het tenminste niet hadden over de Nederlanders die zoek waren.
Want dat is in alle jaren nog altijd hetzelfde gebleven. Er is altijd een Nederlander die ze kwijt zijn. Alle informatie-overload ten spijt, blijkt die zichzelf telkens (letterlijk!) zoek te kunnen rijden. Meestal komen ze er dan een paar uur na de finish (ik vermijd hier de term ‘meet’) achter dat die na drie lekke banden en een dubbele hongerklop is afgestapt.
Misschien biedt dat wel mogelijkheden voor die mannen. Laten ze zich specialiseren in de opsporing van verdwenen Nederlanders.
Dan hebben ze werk zat.
In your face!
De man die opeens naast mij fietste was lang.
Heel erg lang. Er cirkelden mussen rond zijn hoofd om te kijken waar ze een nestje konden bouwen.
Dit verzin ik. Het is een hyperbool. Vind ik leuk.
Maar hij was wel irritant lang, dat verzin ik niet.
Of, nou ja, lang is natuurlijk relatief en in dit geval ook erg subjectief, want ik vind lang al snel irritant. Mijn eerste vriendinnetje was een kop groter dan ik (laat dat ‘tje’ dus maar weg) en mijn moeder maakte daar altijd grappen over. Kwam met het keukentrapje aan als ik een date had.
Zij maakte (en maakt!) overal grappen over.
Mijn moeder.
Vooral cynische. Genadeloos.
Ja, ik heb dat van haar. Maar dan nog erger.
Familiekwaal.
We kunnen niet anders, ik in ieder geval niet, als ik niet cynisch zou zijn, was ik na een dag dood(ongelukkig) en/of stapelgek.
Ik weet niet waarom ik dit vertel.
Omdat ik moet.
Als ik niet…
Achteraf beschouwd had mijn moeder wel gelijk. Marie-Anne Tuyl en ’t Waal was niks voor mij (ja, ook haar naam was lang, nomen est omen op een rare manier), maar zoiets besef je niet als je zestien bent. Als je zestien bent besef je niks. Je leven is dan heel simpel. Je hebt hormonen, en hormonen, en dan de rest van de wereld.
Eh, ik dwaal af…
Die man.
Zijn fiets had allerlei extra stangen en verlengde buizen. En een overdadige warboel van nerveuze kabeltjes. Een paar hendeltjes aan zijn stuur. Een kilometerteller-schuine-streep-snelheidsmeter zo groot als een iPad mini met kleurige grafiekjes die met iedere driftige trap van vorm en kleur veranderden.
In your face!
Ja, een fiets kan dat ook zijn.
Uit zijn oren kwamen ook kabeltjes.
Telefoonkabeltjes.
‘Roeland, jongen, iedereen weet dat het dames A-team helemaal niks is,’ zei hij. Op de toon van iemand die altijd gelijk heeft.
Krijgt.
Ik ging in zijn kielzog rijden.
Arme Roeland. Had het hele jaar zijn stinkende best gedaan met zijn meiden en nou als dank zo’n brute opmerking.
De man keek op zijn horloge. Hij moest nog ergens heen. Naar de crèche, schatte ik. Of de naschoolse opvang. Zouden zijn kinderen ook zo lang zijn? Aan het voorstoeltje was niet veel te zien en het zitje op de bagagedrager leek ook normaal. Maar wat weet ik van kinderstoeltjes? Niet veel. Het leek me niettemin sterk dat ze die ook in verlengde versies verkochten. Aan de andere kant zou het me niks verbazen als die man ze net als zijn eigen fiets zelf ontwierp en ergens in een ver land liet produceren. Opeens verscheen zijn LinkedIn pagina voor me: “owner at Big Bicycles”.
Iedereen is tegenwoordig owner. Directeur van zichzelf. Niks voor mij. Een oude Joodse vervloeking is: ik wens je veel personeel. In mijn geval is één genoeg. Als ik mijn eigen personeel was, zou ik mezelf te gronde richten.
De lange man had daar geen last van. Een geboren ondernemer, dat zag ik zo. Vraag me niet waarom. Ik zag zijn kinderen nu ook voor me. Twee blonde jongens met verantwoord vuile gezichten en dito kleren. De oudste in de volle uitrusting van een hockeykeeper; zo’n masker als Hannibal Lecter in Silence of the Lambs draagt, en een stick in zijn handen alsof hij het ding als beleg van een stokbroodje in de rust op zou opeten.
De jongere zat in zo’n supersonische kinderbolide waar je eigenlijk wegenbelasting voor zou moeten betalen – vind ik – te kraaien met een te luide hese stem en een veel te uitgebreid vocabulair voor zijn leeftijd.
In your face!
Het was erfelijk.
Sommige mensen hebben dat. Meestal mannen. Alles wat ze aanraken en/of voortbrengen, wordt even brutaal en onafwendbaar als zijzelf. Omgekeerde brokkenpiloten zijn het. Ze dwingen het geluk niet af, nee, ze hebben er aandelen van. Wie ook wat wil, moet aan hen toestemming vragen.
Irritant.
Vooral voor Roeland, die niets vermoedend op een of ander roemloos jeugdteam afstevende vol slome pubers die alles bizar vonden als het niet meteen epic was. In een Amerikaanse film combineren dan alle spelers van zo’n elftal hun coming of age met onvermoede talenten en allengs groeiend fanatisme, om in de bloedstollende finale van de competitie het team van die pedante lange vent te verslaan, maar hier in Nederland en in het echte leven komt Roeland er ‘s avonds achter dat hij de coach van zijn eigen dochter wordt en zijn grootste zorg zal zijn dat ze op tijd en nuchter op het veld verschijnt.
Nou hyperbool ik weer. Ik weet dat natuurlijk allemaal niet. Ik verzin het.
Leuker.
Maar dat Roeland zijn oude team kwijt is, niet. Niet verzonnen en niet leuk. De lange gooide hem zijn besluit voor de voeten, gevolgd door: ‘Ik moet nu verder, laten we er morgen op de club even over doorpraten.’
Case closed. Hij trok de snoeren uit zijn oren en frommelde ze in zijn binnenzak.
En keek om.
Omlaag.
Naar mij.
‘Hé, jij daar! Moet je per se de hele tijd achter mij aan fietsen?’ vroeg hij.
Het was zíjn kielzog.
Ik knikte.
’Hoezo dan?’
‘Ik wil weten hoe het afloopt.’
‘Wat?’
Toen vloog er een mus tegen hem aan.
Recht in zijn gezicht.








