Omdat het kan

Op marktplaats bood ik op een paar schoenen. Een behoorlijk uitbundig paar schoenen. Heel erg groen! Zo groen dat ik me af en toe afvroeg ik me af of ik ze ooit zou gaan dragen (lees: zou durven dragen), maar telkens als ik ze zag, vond ik ze weer prachtig. Dus uiteindelijk schopte ik de kogel door de kerk. Of zoiets.

€ 22,50

De verkoper van het pak stuurde me een bericht terug: ‘€40,- vaste prijs’.

Eh…

‘Waarom laat je mensen dan bieden?‘

‘Omdat het kan.’

Huh?

Wat is dat voor een antwoord? Nou, een antwoord van niks. Vind ik. Maar wel een erg populair antwoord van niks. Iedereen gebruikt het te pas en te onpas.

Waarom?

Ik ben van beleid, dus daar heb ik een theorie over.

Ten eerste klinkt het lekker ondernemend. Mensen die ‘omdat het kan’ zeggen, hebben zo’n houding van niet benepen doen en de dingen groot zien. Met ‘omdat het kan’ leggen ze de hele wereld aan hun voeten. En die wereld is een ongebreideld festijn van kansen. Wie die niet grijpt, is een kleingeestige sukkel.

‘Misschien ben jíj wel zo iemand,’ zei Cavia, nooit te beroerd om met me mee te denken, ‘niet kleingeestig, af en toe een sukkel.’

Hm… Ik weerstond de neiging hun om voorbeelden te vragen. Cavia glimlachte.

Fijntjes.

‘Je bent in ieder geval geen risk seeker,’ zei die.

….

Okay, ik ga hier nog even verder met mijn theorie. Lees vooral door!

Ten tweede: ‘Omdat het kan’ is de smoes van mensen die het breed hebben en dito laten hangen. Mensen met een genotzuchtige hang naar extravagante in your face varianten van gewone dingen. Spijkerbroeken met titanium beslag en knopen, cheesecake met bladgoud, koffie van bonen die eerst opgegeten en uitgepoept zijn door katten, even op een neer naar New York om daar met je familie een kopje koffie te drinken, enzovoort. Geld uitgeven omdat het kan. Decadentie als leidraad voor het leven.

‘Da’s de kift,’ zei Cavia. ‘Jij bent het tegenovergestelde van decadent. Je leeft als een monnik op vakantie. Als de dood dat het leuk wordt.’

Hm… Ik was deze blog begonnen omdat ik me ergerde aan anderen en nou had ik een hekel aan mezelf. Waarom had ik Cavia eigenlijk weer in het leven geroepen?

Intussen zaten we op een terras met zicht op de Weerdsluis. Ook met zicht op mensen, trouwens. Voorbijgangers. De ene nog opzienbarender dan de andere.

Zoals de man met zwarte baard en dito krullen op hoge hakken in een geel minirokje aan de arm van een min of meer topless vrouw (twee hartvormige stickers, meer niet, één oranje en één roze) in hotpants en dito hoge hakken. Fans van Mary Quant. Of gewoon fans van uitbundigheid.

‘Of omdat het kan,’ zei Cavia. ‘En gelukkig maar, want anders werd de wereld wel erg saai!’

Dus toen heb ik €40,- voor die schoenen geboden.

Paradijsvogels

Doordat ik weer eens toestanden met mijn mobieltje had over waar ik precies was en waar ik dus heen moest (volgens de app liep ik wel de goede kant op maar achteruit, of andersom, vooruit maar de foute kant op) keerde ik voor mijn gemoedsrust echt véél te vaak terug op mijn schreden. Daar kan ik niet tegen. Ik heb sowieso een haat-liefde-verhouding met dat soort apps, want ze geven de vreemdste instructies. Laatst: ‘ga rechtdoor op de Dwarsweg’. Zoiets kan mijn hoofd eigenlijk niet aan. Ik weet wat ik moet doen, maar alleen als ik het niet probeer te begrijpen.

Eh…

Ik passeerde zeker drie keer een vrouw die op een bankje bij de bushalte tussen haar tassen zat te roken en drinken terwijl ze hardop met zichzelf van gedachten wisselde, iedere keer dat ik langskwam over een andere kwestie.

Zo te horen.

Die vrouw stelde me gerust, want mijn telkens terugkerende verschijning en mijn steeds wanhopiger blik verbaasde haar helemaal niet. Ze noteerde mij als ik voorbijkwam (man met baard + hoed… weer die man met baard + hoed… nog eens die man met baard + hoed… ) en sloeg verder geen acht op mij.

Dacht ik. (Tussentijdse cliffhanger, lees vooral door.)

Een klein uur later was ik weer bij de bushalte terug. Met een gloednieuwe verrekijker. En een appje op mijn iPhone waarmee ik vogels kon identificeren. Hun uiterlijk en hun geluiden.

De techniek staat voor niets.

Hoewel er bij de bushalte niet veel vogels te horen waren, probeerde ik toch er een te vangen, met mijn mobieltje dan. Ik tuurde hoopvol naar de mededeling ‘listening for birds…’

Tot de vrouw opeens voor mij stond en vroeg: ‘bent u muzikant?’

‘Nee,’ antwoordde ik terwijl ik me afvroeg hoe ze daarbij kwam. Ik lijk erg op Billy Gibbons, de gitarist van ZZ Top maar ik zag in de vrouw eigenlijk geen fan van die band. En het leek me trouwens sterk dat Billy Gibbons in Zeist op de bus naar Utrecht zat te wachten, maar misschien hield die vrouw gewoon alle opties open (maar dan toch niet dat Dusty Hill uit de dood herrezen was, hoe erg ik ook op hém lijk).

‘Wat voor een werk doet u dan?’

‘Ik werk bij de reclasering,’

Daar moest ze even over denken.

‘Dat is binnenlands, toch?’

‘Eh… ja.’

Ze knikte alsof ze dat al had gedacht. ‘Dat is niet zo gevaarlijk als buitenlands.’

Een verrassende stelling, maar een die me te verdedigen leek, al wist ik zo gauw niet hoe. Daardoor keek ik kennelijk niet overtuigd genoeg.

‘Rusland! China! Het wereldtoneel!’ Ze lachte, en toen ze hijgend bedaard was, vroeg ze, opeens beleefd geïnteresseerd als iemand op een staande receptie: ‘Die werkstraf, is dat nou echt nodig?’

Eh…

We waren weer terug bij de reclassering.

Nou die straf was echt belachelijk, vond de vrouw, want wat veroordeelden dan allemaal moesten doen tegenwoordig, daar werd je echt niet vrolijk van. Ze deed het voor.

Ze stak haar armen omhoog, spreidde haar vingers en wiebelde haar handen alsof ze geluid maakten terwijl ze in kleine cirkels rondstampte op de eerste regels van Hooked on a feeling in de uitvoering van Jonathan King (of van Blue Swede, weet ik niet, maakt ook niet uit)…

Het was een combinatie van een chaingang en een regendans.

‘Ooga chaka! Ooga chaka!’ zong ze. Na haar derde cirkel hield ze ermee op. ‘Dat kun je een mens niet aandoen, toch?’

Hoewel het toch een behoorlijk vrolijke kijk op de werkstraf was, en daarom misschien een uitvoering ervan die (eindelijk) voor breder draagvlak in de maatschappij zou zorgen, gaf ik haar toch gelijk. Vooral omdat ik – beroepsdeformatie! – niet voor me zag hoe deze dans de recidive kon verminderen.

Lijn 73 kwam er aan, de vrouw maakte een reverence alsof ik de koning was, en ik stond op. Toen ik in de bus zat, checkte ik mijn mobieltje om te zien wat de oogst was. Listening for birds, weet u nog?

Twee birds-of-paradise.

Paradijsvogels.

Twee?

‘Ja, die tweede ben jij natuurlijk’, zei Cavia toen ik het hen vertelde. ‘Zoals je binnenvétters hebt, heb je ook binnenvlíégers. En jij bent een binnenvlieger. Diep van binnen ben je een paradijsvogel.’

Ik ben zo blij dat die weer terug is, Cavia!

p.s. De foto is van Wikimedia Commons.

Deftigdoenerij (2)*

Er leek geen vuiltje aan de lucht toen ik monter het station binnen liep om de trein te nemen naar de bossen bij Veenendaal om daar eens heel erg te gaan wandelen. Alles beloofde dat het een mooie dag zou worden; ik was ruim op tijd en kon dus nog koffie kopen en opdrinken; er was weliswaar bewolking, maar die dreigde met helemaal niets, sterker nog, ze leek zelfs een beetje angstig (omdat ze natuurlijk de zon voelde aankomen); en iedereen op het perron had zin in de dag, dat zag ik meteen.

Ik had bovendien voor mijn doen een leeg en piekerloos hoofd. Mijn gemoed was als een kalme zee waarin muizenissen alleen een beetje op hun rug meedeinden, meer niet.

Kortom, ik kon wel wat hebben.

Ware het niet voor de omroepster van de Nederlandse Spoorwegen. Ja, ik weet ook wel dat die mevrouw maar half en half bestaat. Ze bestaat wel omdat ze stukjes tekst en woorden heeft ingesproken, maar ze bestaat niet als ze een mededeling doet, want dat is dan weer een computer die haar knipsels aan elkaar plakt.

Dus misschien moet ik iemand anders de schuld geven van wat er vervolgens gebeurde. Al zou ik niet weten wie, dus misschien is het beter om gewoon niemand de schuld te geven, want daar schiet ik toch niks mee op. En uiteindelijk (spoiler alert!) kwam het toch wel goed.

Eh… die omroepster. Of liever gezegd, haar mededeling. Die luidde als volgt:

“Door werkzaamheden elders is de dienstregeling aangepast tussen Boxtel en Eindhoven. Plan uw reis in de app.”

Misschien waren het twee andere stations, dat weet ik niet meer, maar dat doet er ook niet toe, want het kwaad was al geschied; ik ging sowieso over die mededeling na lopen denken.

Eerst dat woordje ‘elders’. Mysterieus! En ook nogal ouderwets, maar als we het vervangen door ‘ergens anders’ wordt het mysterie er niet kleiner op. Mijn grote vraag was (is) waarom we die informatie nodig hebben, wij reizigers. Dat de treinen tussen Boxtel en Eindhoven op andere tijden/perrons komen en gaan, lijkt me het belangrijkst. De oorzaak ervan kan mij niet boeien, laat staan een geheimzínnige oorzaak. Want waar is dat ‘elders’?

Strikt genomen kan het overal zijn.

Hoewel ik best wil toegeven dat ik de werking van het spoorwegennet niet helemaal begrijp, snap ik heus wel dat werk aan het spoor tussen Leeuwarden en Harlingen geen gedoe oplevert tussen Boxtel en Eindhoven. Maar wat als ze een bovenleiding aan het vervangen zijn tussen Breda en Tilburg? Ik heb geen flauw idee. Door de mededeling wil ik dat wel, een idee. En eigenlijk meer dan een idee, ik wil gewoon een verklaring, omdat ik helemaal gek wordt van zo’n vaag oorzakelijk verband.

Dus, tip voor de spoorwegen: geef informatie, maar geen informatie die alles alleen maar vager maakt. Sterker nog – ik doe even pedant – dan is het juist géén informatie, want informatie is vermindering van onzekerheid, en ‘elders’ was precies het tegenovergestelde.

Goed, dan dat ‘door werkzaamheden’. Ook al zo vaag, alsof die geheel buiten de NS om er opeens waren, als een natuurverschijnsel. Dat is natuurlijk niet zo. Die mensen van de dienstregeling staan niet met hun allen naar een scherm te kijken om dan naar hun hoofd te grijpen en ontsteld ‘OMG! Werkzaamheden!’ te roepen.

Welnee.

Ze weten heus wel dat er mensen op het spoor aan het werk zijn. Maar de mensen van de afdeling mededelingen vinden dat veels te gewoon en platvloers om zomaar om te roepen. Werkzaamheden zijn veel indrukwekkender. Deftiger ook. We zullen eens even laten horen wat voor een ernstig bedrijf wij zijn, denken ze daar op die afdeling. Dus zeggen ze ‘door werkzaamheden’ in plaats van ‘doordat we aan het werk zijn op het spoor’ of ‘doordat we werken aan het spoor’.

En dan mijn eeuwige ergernis, die vermaledijde passieve zin. Ik bedoel ‘is de dienstregeling aangepast’. Dat is passief omdat nergens staat wie het heeft gedaan (in beleidstaal: er is geen actiehouder). De mensen van de Nederlandse Spoorwegen hebben die dienstregeling natuurlijk omgegooid. Maar dat durven ze niet te zeggen. Dus ís die dienstregeling aangepast, vanzelf of zo.

En dan heb ik het nog niet eens over die ‘dienstregeling‘. Want dat is ook een nogal verhullende term, vind ik. Wat ze bedoelen te zeggen is dat de treinen op andere tijden en/of perrons aankomen en/of vertrekken. Mijn tip: zeg dat dan!

Altijd goed om te doen, zeggen wat je bedoelt. Dus niet ‘plan u reis in de app’, want dat is spoorwegentaal voor ‘zoek het lekker zelf uit’.

Toen ik verstrooid de bossen inliep omdat ik heel hard probeerde mijn hoofd weer leeg te krijgen – lees: mijn ergernissen te wurgen – vergat ik bijna om naar de vogels te luisteren. En dat terwijl ze mij toch helder en duidelijk tegemoet tjilpten.

‘Hé mijnheer Poort, wat fijn dat u er weer bent!’

Dat vind ik zo mooi van vogels, die tjilpen precies wat ze bedoelen.

* Nummer 2 omdat ik al eens eerder een blog heb geschreven met deze titel. In dat blog leg ik ook uit wat ik met deftigdoenerij bedoel, of liever gezegd, wat Charivarius ermee bedoelde. Zie hier.

De foto is van Wikimedia Commons.

Reflectie

In de bus zat ik achter een glazen tussenschot dat kennelijk goed spiegelde, want aan de andere kant stond een vrouw haar make-up bij te werken. Vooral haar wenkbrauwen vond ze belangrijk, want die bleef ze maar gladstrijken.

Ze had niet door dat ik haar recht in de ogen aankeek, of andersom, dat zíj míj aankeek. Dat stelde me wel gerust, want ik zat al schrap om mij ongemakkelijk te voelen. Ik bedoel, we stonden op een vreemde manier nogal dichtbij elkaar, letterlijk dan, en hoewel ik in de hele situatie niets had ondernomen, voelde ik me figuurlijk toch een soort indringer. Dus dat zij niks doorhad, sterker nog, dat ze mij niet eens zag staan (letterlijk en/of figuurlijk, dat laat ik omwille van mijn zelfvertrouwen liever in het midden) maakte het allemaal wat minder ingewikkeld.

Intussen moest ik aan mijn moeder denken die als zij in de bus naast me had gezeten schamper zou zeggen: ‘Ja, je bent mooi’. Tegen die vrouw dan. Want ze heeft niet zoveel op met ijdelheid. En dat steekt ze niet onder stoelen of banken. Ze steekt eigenlijk nooit iets onder stoelen of banken. Goede eigenschap. Ik was niettemin een beetje blij dat ze niet naast me zat, want waarschijnlijk zou de scène dan toch nog ongemakkelijk zijn geworden.

Of nee, misschien juist niet, want ik zou van de zenuwen en om iedereen (de vrouw in het bijzonder) af te leiden de slappe lach gekregen hebben. Dat is meestal mijn enige en nogal sneue tactiek, die zich voltrekt zonder mijn bewuste inmenging. Rechtstreeks vanuit mijn ruggenmerg komt er dan een zielig gegrinnik tevoorschijn. Echt zielig.

Nou ja, dit was allemaal theoretisch, want ik zat daar in mijn eentje.

Met mijn gedachten.

Die via via afdwaalden naar de hele lange vergadering in Den Haag waar ik een uur daarvoor murw uitgerold was. Een marathonsessie die we monter begonnen waren met een reflectie. Dat is klaarblijkelijk erg in tegenwoordig want iedereen vond het de gewoonste zaak van de wereld. Behalve ik. Opeens reflecteert iedereen. Waarom is dat toch?

Nou, eh… schot voor de boeg: omdat het ongevaarlijk is. Reflecteren, dat is voor de vuist weg je gedachten laten gaan over iets (bijvoorbeeld een notitie) en die gedachten dan zonder oordeel in de groep gooien. ik heb het hier over reflecteren als een ander woord voor bespiegelen. Want dat was het, overpeinzen.

Ja, ik weet ook wel dat reflecteren ingewikkelder kan zijn. Ik ben per slot van rekening ook coach (wel ja) en sinds de opleiding daarvoor reflecteer ik me helemaal te pletter. Het is zo nu en dan alsof ik in zo’n spiegelpaleis op de kermis loop, maar dan in mijn onderbewuste, waar ik zoals dat zo mooi heet, mijzelf en wat ik deed om de haverklap tegenkom, frontaal of van achteren beslopen/besprongen, waar ik ook kijk. Zelfs als ik wegkijk!

Dus vertel mij niks over reflecteren.

Maar de reflectie in die vergadering was niet half zo verontrustend. Wel ongemakkelijk. Vooral toen we mochten reflecteren op de reflectie.

Ik begon van de weeromstuit te verlangen naar de dagen van ‘horizontale feedback naar de ander toe’. Of nee, eigenlijk naar de tijd daarvóór, toen we elkaar gewoon zeiden wat we ergens van vonden. Niets onder stoelen of banken staken.

Ik kon me niet meer herinneren hoe de vergadering was geëindigd. Met een terugblik op het proces, waarschijnlijk. Het is een wonder dat we het einde nog gevonden hebben!

De vrouw achter het glazen tussenschot glimlachte naar mij. Ze wees naar haar linkeroor en daarna naar mijn oor.

‘Mooie baard hoor, maar u bent een stukje vergeten, er zit daar nog een rare krul bij uw oor,’ zei ze.

Feedback!

Nadat ik mezelf weer in de spiegeling van het glas gevonden had, kamde ik zorgvuldig de wilde pluk weg. Grinnikend…

Ik zou gezworen hebben dat ergens achter in de bus mijn moeder in lachen uitbarstte.

Gunnen

Je hoort het tegenwoordig niet zoveel meer, ik in ieder geval niet, dat mensen een gesprek waarin iemand om één of andere reden over de tong gaat, beëindigen met de conclusie dat die persoon wél een hoge gunfactor heeft. Vaak is het eigenlijk geen conclusie, maar een verklaring voor het feit dat hij/zij/hen in weerwil van allerlei miskleunen maar kan blijven knoeien alsof het niks is.

Zo’n persoon is bijvoorbeeld mijnheer Versteegh, tweede nestkastcommissaris van het rayon Zutphen-West, die nog geen specht van een boomklever kan onderscheiden, maar desondanks wel heel vrolijk en enthousiast is, plezierig in de omgang, en vogels in het algemeen een enorm warm hart toedraagt.

In de vergadering over zijn functioneren zegt dan tenslotte iemand zoiets als: ‘maar hij heeft natuurlijk wel een hoge gunfactor’.

Dus hij blijft, met als gevolg dat er verkeerde vogelhuisjes aan de verkeerde bomen komen te hangen en de boomklevers (letterlijk) voor een dichte deur staan, wat spechten om voor de handliggende redenen juist heel erg leuk vinden, ik bedoel: heel erg leuk hadden gevonden, want zij op hun beurt zitten te kijken met hele rare hokjes, met een ingang aan de zijkant, waar ze echt geen snars van begrijpen.

En dat dus dankzij de gunfactor van mijnheer Versteegh. Hóge gunfactor, om precies te zijn. Waaruit ik trouwens altijd heb opgemaakt dat eigenlijk iedereen een gunfactor heeft, maar dat alleen de mensen met een hoge gunfactor het vermelden waard zijn. Wat natuurlijk wel logisch is, want prutsers met een lage gunfactor vliegen er meteen uit (no pun intended) en daar hebben we het niet meer over. En succesvollen hebben geen gunfactor nodig, want die hebben alles al. Of nou ja, bijna alles.

Ik ontwijk hier de vraag die ik mezelf zou kunnen stellen: heb ik een gunfactor, en zo ja, is die hoog of laag? Ik ben nooit te beroerd om kritisch naar mezelf te kijken, maar er zijn grenzen aan wat ik op een zondagmiddag aankan. Dus als u het goed vindt, verdring ik de vraag nog even.

Wat me brengt bij een recenter fenomeen, dat ook over gunnen gaat (en over verdringen). Het ligt in het verlengde van de gunfactor. Het is een soort kleineren met een omweg, maar dan nadát iemand finaal door de mand gevallen is. Na zo’n afgang zeggen de omstanders: ‘je zou hem/haar/hen gunnen dat…’ waarna een eigenschap of omstandigheid volgt die de persoon niet heeft maar die wel zou hebben geholpen in diens loopbaan, of die zelfs zou hebben voorkomen dat het zo ontluisterend afliep.

Stel dat meneer Versteeg geen hoge gunfactor had en dus zijn loopbaan als nestkastcommissaris roemloos had moeten eindigen, dan zouden mensen zeggen: ‘je zou hem gunnen dat hij het zelf gezien had’, of: ‘je zou hem gunnen dat iemand hem dat eerder had gezegd’.

Nu ik het zo opschrijf, vind ik het nogal schijnheilig. Eigenlijk. En laf. Al die omstanders die opeens doen alsof ze geen oordeel hebben/hadden. Nee, niemand heeft de ongelukkige mijnheer Versteegh het laatste zetje gegeven, de hele ontmaskering was welbeschouwd een onvermijdelijke lotsbeschikking.

Eh… dit blog wordt steeds grimmiger, geloof ik. Leest u vooral door, ik ga proberen er een draai aan te geven.

Met een hele bijdetijdse en fijne variant van gunnen, die niemand niks aangaat, maar alleen onszelf. Hoe leuk is dat!?

Heel erg leuk, want het is dé manier om iets te doen wat je eigenlijk niet wilt doen (om welke reden dan ook).

Laat ik mezelf als voorbeeld nemen, zodat u niet denkt dat ik de hele tijd op anderen (inclusief u) zit te vitten.

Ik ben dol op brownies. Maar mijn betere ik vindt dat niet goed, want veel te veel suiker en vet en noem maar op. Dus als ik ze toch eet, sterker nog als ik ze eerst zelf maak en dan ook nog eens zelf opeet, zeg ik: ‘dat gun ik mijzelf gewoon’.

Tegen niemand in het bijzonder en vooral tegen mijzelf.

Het is volgens mij een klassiek geval van cognitieve dissonantie reductie.

Eh…

Wat ik doe (brownie eten) komt niet overeen met hoe ik over mijzelf denk (weldenkende man die om zijn gezondheid geeft) en dus probeer ik dat recht te breien, in dit geval door van de brownie een geschenk te maken dat ik mezelf geef. Niks geen ongezonde suikers en vetten maar een prachtig cadeau dat die aardige meneer Poort mij uit de goedheid van zijn hart welwillend toestopt!

Snik…

De hele truc om van dissonantie naar consonantie te komen (=rechtbreien), en tevens een fijne bijkomstigheid, is dat ik dus tegen mijzelf zeg dat ik het verdien. Mag ik ook eens genieten? Ja!

Vraag me niet waarom, want dat doe ik óók niet. Die brownie is een onvoorwaardelijke gunst.

Jezelf verwennen is het helemaal!

Hoera!

Doe het ook!

En geniet ervan!

(Pfoe… blog gered.)

p.s. De theorie over cognitieve dissonantie is zo ongeveer de enige nog overeind gebleven theorie die ik tijdens mijn studie psychologie leerde. Alle andere bleken nep. Als in: vervalst. Bij elkaar geknipte en geplakte en uit de duim gezogen data over gemanipuleerde dan wel verzonnen proefpersonen. Gelukkig heeft de wetenschap een hoge gunfactor (vind ik dan).

p.p.s. de foto is van Wikimedia Commons.

Broeierig

‘Simone straalde echt iets broeierigs uit!’ zei de vrouw die voor mij liep nogal verstaanbaar tegen iemand in haar oortjes. Ze deed me om een of andere reden denken aan Jeanette op wie ik in de brugklas ooit heel erg maar onopgemerkt verliefd was. Ze bewoog driftig met haar armen. De vrouw voor me, bedoel ik.

Dat laatste begreep ik niet goed. Dat wil zeggen, ik kon die bewegingen niet rijmen met wat ze zei. Maar goed, welke armgebaar hoort er wel bij zo’n stelling?

Dit is een retorische vraag.

Ze ging verder: ‘Who the fuck zegt nou zoiets?’

Ah, verbazing! Leek mij. Laat ik het daar maar op houden. Of misschien was het verontwaardiging.

Was zíj misschien Simone? En had iemand dat over haar gezegd? Dat betwijfelde ik. Ze vertelde het verhaal alsof ze er getuige van was geweest. Alsof ze in een gezelschap had gezeten waarvan iemand dat opeens van Simone had gezegd.

Misschien was Simone een van de kandidaten bij een sollicitatie geweest? En zat de vrouw die voor mij liep in de commissie die de beste moest kiezen? Of, soortgelijke situatie, was de vrouw voor mij lid van een ballotagecommissie van een studentenhuis en was die Simone komen kennismaken?

Trouwens, wat is dat, iets broeierigs uitstralen? Wát was er te zien toen Simone dat deed? Ik wilde context, om het eens modern te zeggen.

Nieuwsgierigheid is een mooie eigenschap, maar nu brak het me toch op. Ik wilde heel graag aan de vrouw voor mij vragen wat er precies was gebeurd. Maar zoiets doe je niet natuurlijk. Ik in ieder geval niet. Zeker in dit geval niet. Ze was al verontwaardigd genoeg. En laten we eerlijk zijn, het ging niet om iets waar je het zomaar eens met een voorbijganger over gaat hebben.

Ze ging verder met haar verhaal en zei dat die bepaalde uitstraling er niet toe deed. Dat was privé. Een mens mag uitstralen wat hij/zij/hen wil.

Dat ben ik met haar eens. En niet om politiek correct te zijn. Ik vind het echt. Niet gehinderd door kennis van zaken, overigens. Ik weet namelijk nooit wat ik zelf uitstraal en ik begrijp zelden wat anderen uitstralen. Heel onhandig in het sociale verkeer, kan ik u vertellen.

Ik zette de pas erin om van de kwestie af te zijn. Ik kan behoorlijk aanpoten, al zeg ik het zelf, dus hoorde al snel niets meer van het telefoongesprek. Ik kreeg het wel warm. Toch maar weer iets langzamer lopen. Maar wat nou als ze me zou inhalen?

Eek!

Om niet helemaal gek te worden, stopte ik even om hele harde muziek uit te kiezen en mijn oortjes te zoeken. Maar ik kan nooit iets vinden in mijn tas en ben zodoende altijd bang dat ik van alles kwijt ben, zeker in dreigende situaties als deze, en raakte dus in paniek waardoor ik de vrouw vergat tot ik inderdaad weer door haar werd ingehaald. Net toen ik zwetend het doosje van mijn oortjes op de bodem van mijn tas voelde.

Te laat.

‘Ja, als ze nou een hele blote jurk had gedragen of zo…’ zei de vrouw (terwijl ik de oortjes in mijn hoofd probeerde te proppen).

Ja, wat dan, vroeg ik me af. Staat de uitstraling dan buiten kijf? Hmm… bij zulk uiterlijk vertoon gaat het niet meer om uitstralen maar eerder om uitróépen. Of uitschrééuwen.

Toch?

Er drongen zich meteen nog meer vragen aan mij op: wat is eigenlijk het verschil tussen uitroepen en uitschreeuwen? Uitroepen, dat doe je van vreugde, leek me, en uitschreeuwen doe je in wanhoop. Dat bracht me niet veel verder. Ik probeerde heel erg de verschillen niet voor me te zien. Dat hoefde ook eigenlijk niet, want Simone was zo helemaal niet, had de vrouw gezegd.

Gelukkig. Het was allemaal al ingewikkeld genoeg. Ik ook altijd met mijn gedenk.

Die verzuchting had ik als een waarschuwing moeten zien. Het is meestal namelijk een voorteken van een mentale toestand waarin ik stukje bij beetje minder en minder van de wereld om mij heen waarneem om vervolgens met een roerloze blik voor mij uit te staren. Terwijl ik denk.

Het kan geen kwaad, maar het is wel een beetje ongemakkelijk.

Eerst voor de omstanders, later ook voor mij, als tot me is doorgedrongen dat het weer eens zover was.

Meestal kom ik vanzelf weer bij zinnen, maar nu kwam het doordat ik schrok. Die vrouw stond opeens een paar meter verderop naar mij te kijken. Nog steeds in gesprek.

‘Wacht even, Jeanette, we doen het helemaal anders,’ zei ze. ‘We zetten alles in de eerste persoon, ja: ik-zinnen, en dan maken we van de hoofdpersoon een man. Heb je dat?’ Ze luisterde en knikte. ‘En dan begint het verhaal met dezelfde zin, maar dan gehoord door die man, die toevallig achter mij loopt…’

‘Hè? Ja, in het echt ook, maar nu niet meer.’ Ze liep weg terwijl ze verder praatte. ‘Hij stond te slaapwandelen of zo. Maar nou is hij weer wakker geloof ik. Echt raar…’

Nou moe, ben ik in het blog van een ander terecht gekomen.

p.s. de foto is van Wikimedia Commons

Weer die wolven!

Goed, het hoge woord is eruit, de provincies willen de wolf niet meer. Er is gewoon geen plaats voor hem/haar. En zeker niet voor hem én haar, want dan heb je voor je het weet hele roedels in de bossen rondlopen en daar zijn ze veel te klein voor. De bossen bedoel ik.

Drenthe, Friesland, en Overijssel willen dat er leefgebieden worden aangewezen. In Europees verband. Het schijnt dat die wolven een broertje dood hebben aan onze grenzen en gewoon maar een beetje aanzwerven. Dat kan natuurlijk niet.

Ik vind zoiets schattig (ja, het is natuurlijk ook om gek van te worden, maar ik ben vandaag in een zonnige bui): ik zie al die gedeputeerden driftig discussiëren over wat er moet gebeuren, en dan komen ze met dit…

Leefgebieden.

Aanwijzen.

Als ik een wolf was, zou ik me doodlachen.

En eh… gedeputeerden zijn mensen die onze provincies besturen, ik zeg het maar even. Binnenkort kunnen we nieuwe kiezen. Ik ga me niet bemoeien met uw politieke voorkeur, maar kunnen we alsjeblieft creatieve denkers/doeners met ongebreidelde fantasie aan de macht helpen?

Maar goed, de bossen zijn dus te klein. Nou kom ik regelmatig in een bos, en dan valt mij op dat het er inderdaad altijd erg druk is. Maar niet omdat er overal wolven lopen, sterker nog, ik heb er nog nooit een wolf gezien.

Wel mountainbikers. Dat zijn jongens van acht die opeens 32 werden, een baan met een stropdas namen omdat er in hun streek geen lokale brouwerijen meer bijkonden, een huis lieten bouwen in een oude koekfabriek, auto’s kochten die zelf konden rijden, en allerlei andere dingen ondernamen die lekker ravotten met je matties in de weg staan. Hun oplossing daarvoor is dat ze op zondagochtend op de crossfiets door de bossen gaan raggen. Lekker even helemaal eruit!

Terwijl ze met hun vrienden die voor en achter hen rijden hardop allerlei zaken bespreken. Mannenzaken.

Ik vind dat irritant, want het is lawaai, maar vooral ook irritant omdat ik alleen maar flarden van de gesprekken hoor. Ja, bij mij is het alles of niets, het liefst hoor ik niks, behalve de standaard bosgeluiden, maar als er dan toch mensen luid met elkaar praten, dan wil ik wel weten wat ze zeggen.

Een bloemlezing van wat ik eergisteren hoorde: ‘en toen heb ik hem gewoon voor drie jaar geleast’; ‘Neem gewoon een Rottweiler, die zijn heel goed met kinderen’; ‘maar hoeveel procent krijg je dan?’; ‘we mochten die bomen niet kappen, dus daar waren we snel weer weg’; ‘je moet nooit over de A7 gaan, want dat is ‘s morgens de hel’…

En wat dies meer zij.

Hoewel deze tussen de bomen gebazuinde teksten onbegrijpelijk waren, maakte ik er wel uit op dat de mannen hun leven goed in de greep hadden. Sterker nog, het leven wás van hen.

Daar werd ik in het begin wel eens onrustig van, alsof ik ergens in het verleden een afslag of een memo had gemist, maar uiteindelijk heb ik veel aan die branieteksten gehad. Meestal wandel ik na zo’n trits zelfverzekerde stellingen opgelucht verder in de vrolijke wetenschap dat mijn verzet tegen de bourgeoisie waarmee ik als jongeling mijn leven betekenis gaf nog zo slecht niet was geweest.

Begrijp me goed, ik kijk niet op die mannen neer, maar laat ik zeggen dat ik liever wakker lig vanwege dat mijn zuurdesembrood ingezakt is tijdens het bakken, dan dat ik mezelf op zit te vreten in een auto in een file op de A7. Ik prijs mij gelukkig dat ik niet eens weet waar de A7 precies ligt.

Terug naar de wolven, die waarschijnlijk ook niet weten waar de A7 ligt, sterker nog, die niet eens weten waar Drenthe, Overijssel en Friesland liggen, laat staan dat ze straks weten waar hun aangewezen leefgebieden zijn.

Een van de gedeputeerden zei dat de wolven ons land veel verdriet hebben gedaan. Eh… waarom waren de wolven ook alweer verdwenen? Niet omdat wij zoveel lol met ze maakten. Ze huilen niet zomaar. We hebben ze verjaagd. Volgens mij zou het beleefder zijn om hun excuses aan te bieden in plaats van leefgebieden.

Dat gaat waarschijnlijk niet gebeuren, want er is al geeneens draagvlak voor de wolven, laat staan voor verontschuldigingen. Toch zit hem daar de kneep, we moeten het goedmaken met ze.

Laten we een voorbeeld nemen aan Hélène Grimaud, pianiste (creatieve denker/doener) een ‘wolvenhoedster’. In de documentaire ‘Living with wolves‘, legt ze uit waarom ze de wolven zo’n warm hart toedraagt en waarom wij dat ook zouden moeten doen. Ik ga hier niet herhalen wat ze zegt, laat het bij een citaat: ‘it is about having to give back and doing something responsible (…) it epitomizes the challenges of our relation with nature.’

Jammer dat ze niet meedoet aan de verkiezingen.

p.s. Omdat ik wat meer over wolven wilde weten, kwam ik terecht op de site ‘Wolven in Nederland‘. Daar las ik dat in 2015 de eerste ‘zekere wolf’ Nederland bezocht. Hilarisch jargon! Ik zag meteen ook de eerste ‘onzekere wolven’, die nog steeds niet in Nederland zijn, omdat ze niet weten wat te doen. Ze staan ergens bij de Duitse grens te twijfelen. Ik ga een van de mountainbikers vragen om ze op te halen, want twijfelen, dat doen die mannen nooit.

p.p.s. De foto van de wolf is van Wikimedia Common.

Pakje

Van huis uit was ik altijd dol op pakjes, maar de pakjesbezorgdiensten die ze bij mij zouden moeten brengen hebben dat goed vergald.

Ja: ‘zouden moeten brengen’ (onleesbare opeenstapeling van werkwoorden – sorry).

Mijn pakjes zijn namelijk altijd zoek. Bizar genoeg. Want hoe kan een pakjesbezorgdienst ze nou in vredesnaam altijd kwijt zijn? Logisch gezien zou die dan niet moeten bestaan, maar het tegendeel is waar, het sterft van de pakjesdiensten. En allemaal hebben ze ondoorgrondelijk logistieke processen voor de pakjes. Zouden hun managers op een of andere heidag bekeerd zijn door een goeroe die hen in de zweethut heeft laten dromen over de reis in plaats van de bestemming?

Dat is dan goed gelukt, want aan reizen geen gebrek. En dan heb ik het niet alleen over de reizen van de pakjes. De laatste keer dat ik iets zou ontvangen, heb ík de halve stad doorkruist om een pakje te zoeken dat naar een afgelegen (en onvindbaar) ophaalpunt zou zijn gebracht.

Dus niet. Het was daar niet en ook nooit geweest.

Terwijl de vrouw van de winkel nog eens naar achteren liep, vergaapte ik mij aan de spetterende Marokkaanse trouwjurken die ze verkocht. Ik ben niet the marrying kind maar ik stond op het punt om daar anders over te gaan denken.

Dat is dan weer wel het leuke van ophaalpunten, dat zijn altijd winkeltjes waar ik niet in durf en waar ik dan toch binnenstap. Een van mijn makkes is namelijk drempelvrees. Maar omdat ik achter mijn pakje aan ga, moet ik uiteindelijk wel zo’n winkel binnen om er dan altijd blij verrast uit te komen, zelfs als het onverrichter zake is, want het zijn geweldige winkeltjes die al even geweldige dingen verkopen. Alles schreeuwt erom gekocht te worden, met uitbundige kleuren en vrolijk roepende woorden die onbegrijpelijke beloften doen die ik meteen geloof. En de winkeltjes ruiken ook zo lekker. Mijn dichtst bijzijnde ophaalpuntwinkeltje ruikt naar salmiak. Fijne jeugdherinnering.

De eigenaar van de zaak is even relaxed als ik gespannen. Meestal schudt hij zijn hoofd al als hij mij ziet binnenkomen, want hij weet wie ik ben en hij heeft in het magazijntje achter in zijn winkel geen pakje voor mij. Mijn bewering dat ik toch echt een bericht daarover heb ontvangen, wimpelt hij op vriendelijke toon af met het advies om verhaal te halen op de website of in de app van de pakjesbezorgdienst.

Dan moet ik alweer een drempel over, namelijk de mens-machine scheidslijn, om een absurde conversatie (chat is het moderne woord) te voeren met een tekstrobot genaamd Tracy. Pun Intended, vrees ik. Hoe sneu is het dat een pakjesbezorgdienst haar chatbot Tracy noemt!? In het Nederlands: Zoekie!?

Ik ben een mens en ik verlies mijn geduld als Tracy voor de zoveelste keer vraagt: ‘Ik begrijp dat je pakje vertraagd lijkt. Heb ik dat goed begrepen?’ Let vooral op het woordje ‘lijkt’. Ik was al een week naar mijn pakje op zoek en drie keer bij het ‘aangegeven’ ophaalpunt geweest, maar toch een slag om de arm houden en suggereren dat het misschien wél op tijd is.

Ik weer terug naar het winkeltje. Op een zaterdagmiddag. Dat is dom, want dan is het druk. Het is altijd al verbazingwekkend dat er überhaupt mensen in het winkeltje passen, maar nu is het nog verbazingwekkender. Ik sluit achteraan in de rij, die er alleen maar is omdat het de enige manier is om met een zestal mensen in het winkeltje te wachten. We kunnen niet op of om.

Ho, nou lieg ik, want achter in de winkel krijgt een man het voor elkaar om samen met zijn zoontje een sprei voor een twee persoonsbed uit te vouwen om te zien of het wel de goede maat is. Misschien wel, misschien niet, dus ze besluiten het er niet op te wagen en proppen de sprei terug in de verpakking.

Dan ben ik aan de beurt. Ik mag zelf mijn naam in het apparaatje van de man typen. Hij schudt weer eens zijn hoofd. Dat doet hij ook als ik mijn voornaam en de naam van mijn straat en de code van achttien (18!) cijfers en letters typ. Het pakje is er nog steeds niet.

Dat wil zeggen, het is niet gescand. Een subtiel verschil dat in deze moderne tijd onoverkomelijk is. We zijn inmiddels met z’n allen zover dat we niet alleen allerlei taken aan apparaatjes overlaten, maar ook verantwoordelijkheden. Dat het pakje zoek was, lag aan het apparaatje.

Dat het pakje er heus wel kan zijn terwijl mijn naam niet in het apparaatje staat, is old school logica die niet meer telt. Dat de man des ondanks nog eens op zoek gaat naar mijn pakje is gewoon omdat hij aardig is, aardig voor die meneer met zijn grijze baard die het allemaal niet snapt.

Intussen wil ik dat ook helemaal niet meer, zodat ik ook niet hoef te begrijpen welke strategie de man volgt in zijn kleine magazijn. Hij plukt lukraak pakjes van planken en zet ze op andere planken weer terug nadat hij de adresstickers gelezen heeft. Intussen roep ik een paar kenmerken van het pakje naar hem toe, grote, kleur, afzender, et cetera.

Tot verrassing van de aanwezigen blijkt achter/onder de sprei een vrouw in een witte tuinstoel te zitten die druk aan het telefoneren is. Haar woorden komen tevoorschijnals een zwerm duiven en fladderen even rond tot de vrouw stil is en naar de persoon aan andere kant luistert.

De man van de winkel luistert niet, maar scandeert mijn achternaam, alsof hij verwacht dat een van de pakjes ‘present!‘ zal roepen. Ik kijk verlegen achterom naar de mensen in de rij. De vrouw in de tuinstoel schaterlacht aanstekelijk. ik zet mijn hoed af en wis het zweet van mijn voorhoofd. De vader en zijn zoon halen een tweede sprei uit de verpakking. Ik ga op een grote baal rijst zitten, staar naar de enorme pakken waspoeder tegenover mij in een wandrek en denk aan de legendarische hut-scène uit A Night in Casablanca van de Marx Brothers. Intussen galmt de man nu mijn achternaam, de mensen in de rij zingen met hem mee. Het wordt een dolle boel en ik heb het gevoel dat ik jarig ben.

Nou alleen het pakje nog, denk ik heel toepasselijk, en vol hoop, want iedereen lacht naar mij.

Dan gaat de bel. De bel? Ik rol uit mijn leunstoel.

Eek!

Even later doe ik slaperig de voordeur open. Mijn overbuurvrouw.

‘Is dit misschien voor u?’ vraagt ze. ‘Het staat al dagen bij ons in de gang.’

Ik ben niet the marrying kind, maar ik heb haar toch ten huwelijk gevraagd.

De foto is van Wikimedia Commons.

Vandaag in de natuur

Op het centraal station van Utrecht, of eigenlijk net daarbuiten, aan het begin van de winderige promenade die ze aan de Seijpesteinkant hebben aangelegd, hangt een bord met van die kleine ledlampjes om letters mee te vormen, waar iets of iemand teksten over gebeurtenissen in de natuur vertoont, vreemde boodschappen waarvan ik, als ik geen gezond verstand had en daarbij een beetje wantrouwig was of argwanend (ik wist even niet welk woord ik nou het mooiste vond dus ik heb ze alle twee maar opgeschreven, misschien dat ik er later nog een schrap, en anders doet u het maar) meteen zou geloven dat het codetaal was van een geheime afdeling van de spoorwegpolitie, hoewel ik niet geloof dat de spoorwegpolitie geheime afdelingen heeft, of fake news van door China betaalde Russen die Baudet in het zadel hebben geholpen en houden met dit soort wartaal – wat ik eigenlijk wel logisch zou vinden, want hoe zou anders zo’n hooghartig glanzende prins ongestoord op het tweede kamer-pluche kunnen blijven zitten?

(Eh, sorry voor die lange beginzin, ik kon het einde niet vinden en toen de zin er eenmaal stond vond ik hem eigenlijk wel mooi. Lees vooral door.)

Maar gelukkig heb ik een gezond verstand en ben ik altijd van goed vertrouwen. Dus de mededelingen zijn geen code, nee, ze betekenen gewoon iets. Daarmee bedoel ik: ze zeggen iets over de werkelijkheid.

Maar wat?

De mededelingen beginnen altijd met de datum en dan ‘Vandaag in de natuur:’ en dan iets als volgt: ‘Braakliggende terreinen en wegbermen kunnen rood kleuren van de klaprozen.’

Dat klinkt als een bijwerking van een of andere ingreep van rijkswaterstaat. Maar niets om je ongerust over te maken. Ik krijg In ieder geval niet de neiging om meteen naar een vergeten stuk land te rijden om te zien of alles nog goed gaat.

Hm…

Nog een: ‘Jonge zwaluwen zijn zo groot dat ze het nest verlaten’. Die vind ik alarmerender. Die zwaluwen gaan niet uit vrije wil het huis uit. Ze moeten wel, want ze passen er niet meer in. Ze tuimelen gewoon over de rand . Maar goed, Ik ga de dierenambulance niet bellen om ze te laten opvangen. Daar is geen beginnen aan. En trouwens, de natuur moet haar beloop hebben. Wij mensen moeten ons niet overal mee bemoeien.

‘De eerste houtsnippen arriveren voor de overwintering.’

Wacht, misschien moeten we toch iets doen. Iemand moet die vogels welkom heten, toch? Anders komen ze volgend jaar niet meer, gaan ze naar een ander land. Ik stond onder dat bord en keek rond, maar niemand leek aanstalten te maken om ze ergens op te gaan wachten. Snap ik eigenlijk ook wel, want waar moet je zijn? Misschien zijn er andere dieren die dat weten en de houtsnippen onthalen. Dat zou ik wel mooi vinden van de natuur. En nog een goede reden voor de mensen om er buiten te blijven, figuurlijk dan.

Wat me opeens doet denken aan een heus nieuwsbericht over een mevrouw die aangevallen was door een everzwijn. In Meerssen, Limburg. Het gebeurde afgelopen week toen zij zeven honden aan het uitlaten was.

Zeven!

‘Levensgevaarlijk’, vond de mevrouw. Dat zwijn dan. Die zeven honden zijn misschien ook levensgevaarlijk, daar durf ik wel een theorie over op te zetten, maar laat ik het bij dat zwijn houden. ‘Daar moet iets aan gedaan worden,’ zei ze. Verbolgen.

Serieus? Wat dan?

Ik heb al heel snel last van beroepsdeformatie, dus ik zag die mevrouw meteen een locatieverbod voor die beesten bepleiten bij de provincie. Dat is met de huidige technologie vast wel te organiseren. Ieder zwijn een enkelband en dan speciale boswachters om in de gaten te houden of alle zwijnen wel netjes binnen hun digitaal afgezette gebied blijven. (Ik hoorde een hilarisch lawaai van toeters en bellen die de hele dag afgingen.)

Maar waarom alleen everzwijnen? (Ik combineer mijn beroepsdeformatie vaak met een levendige fantasie, zodoende ben ik strategisch adviseur geworden.) Er zijn nog veel meer dieren die mensen belagen. Ik herinner mij de eikenprocessierups, een uil in Noord-Holland, en laat ik het niet over de wolven hebben, die tot verbazing en ergernis van alle rechtgeaarde mensen ons land zijn binnen komen lopen alsof ze hier al jaren wonen om vervolgens onaangekondigd en lukraak te hervatten waar ze een eeuw geleden mee waren gestopt, namelijk dat wat in hun aard ligt.

Laat me niet lachen. We moeten helemaal niets aan die zwijnen doen! Zodra die mevrouw ook maar ergens opduikt met een petitie om die zwijnen aan banden te leggen (no pun intended) sta ik klaar met een wetsvoorstel tegen groepsgewijze uitlaat van honden. Of zoiets.

De reactie van de gemeente was trouwens lekker down to earth: er zijn nu eenmaal zwijnen en die doen niks, behalve als ze zich opgejaagd voelen. Mij dunkt dat een roedel van zeven honden een mooi voorbeeld van opjagen is. Dus laat die mevrouw maar thuisblijven!

Wacht, ik weet nog iets beters. Laten we haar ervaring opnemen in de mysterieuze mededelingen op het centraal station van Utrecht (‘Vandaag in de natuur: wilde zwijnen vallen een vrouw met zeven honden aan’.) Utrecht is wel een eind uit de buurt, maar samen met de borden die de gemeente Meerssen gaat plaatsen (‘Kijk uit voor wilde zwijnen’ of iets van gelijke strekking) moet het helemaal goedkomen.

Met de mensen.

Writer’s block (en een poging om eruit te komen)

De twee mannen die ontspannen op hun sturen leunden, fietsen frontaal tussen hen in, zwegen. Oude kennissen, leek mij, die elkaar hier op een paadje in het park waren tegengekomen. Ze hervatten hun gesprek met de unisono conclusie dat ‘dit verhaal’ alleen maar verliezers had. Ze knikten er bij alsof ze niet alleen het verhaal, maar ook de verliezers goed kenden. Ik ging iets verder op een bankje zitten.

Op gehoorsafstand.

Ja, als je na een paar maanden writer’s block opeens vermoedt dat je eindelijk weer eens iets om over te schrijven op het spoor bent, mag je wel een keer je medemensen onfatsoenlijk afluisteren. Of misschien niet, maar ik zat al en het leek me vreemd om nu met mijn vingers in mijn oren op een bankje in een park te gaan zitten. Dan zou ik helemaal de aandacht van die mannen trekken. En zouden ze mij misschien wel ter verantwoording roepen. Terwijl ik nog helemaal niets gehoord had! Nee, dan kon ik beter uitleggen waarom ik hen had afgeluisterd nadát ik iets gehoord had.

(ik heb trouwens geen flauw idee hoe ik in een writer’s block terecht kwam. Opeens was ik er, of was het block er. Of nou ja, ik zag het wel aankomen, want ik had veel dingen aan mijn hoofd die al het andere verdrongen. Grote gedachten over van alles, waaronder het leven zelf, het zal eens niet.)

Eh…

Ik vroeg mij af of dat eigenlijk wel kon, dat iedereen verliest. Kennelijk. Maar om één of andere reden zat het me niet lekker. Het was zo moedeloos. Alsof er niets anders op zat dan te berusten in het noodlot. Veel te gemakzuchtig, vond ik opeens.

Ja, gemakzuchtig (wat dan weer een nogal arrogante bewering is van iemand die geen fatsoenlijk woord op papier krijgt en dat writer’s block noemt om toch íéts de schuld te kunnen geven).

‘Maar goed,’ gingen de mannen verder alsof ze mij gehoord hadden, ‘wij hebben makkelijk praten. Probeer de draad maar weer eens op te pakken als je zoiets hebt meegemaakt.’

Ik wist niet wat er meegemaakt was, maar wel dat de draad weer oppakken ook zonder dat je iets hebt meegemaakt een hele toestand kan zijn. Een opgave, om het eens in beleidsjargon te zeggen. Sterker nog, probeer maar eens door te gaan als er helemaal niks gebeurd. Als je níéts meemaakt. Een hels karwei, want er komt geen eind aan. Tenzij er dus iets gebeurt. En zegt u nou niet dat je dan zelf iets moet laten gebeuren, want dat is de hele makke, dat je met twee linkerhanden staat te kijken naar de stilstand als een aap naar een defecte handmixer.

‘Alleen maar verliezers’ is misschien nog erger dan tweede worden, besefte ik, omdat je dan geeneens jaloers op de winnaar kunt zijn. Soms helpt dat: afgunst. En als je dan alleen maar verloren hebt door het noodlot of nog ongrijpbaarder, door het bestaan in het algemeen, valt er nauwelijks ergens troost uit te putten. Je hebt verloren, punt.

Ho, wacht! Eigenlijk een fout woord, ‘verliezers’! Of nee, denken dat het om een wedstrijd gaat, dát is fout! Mijn fout om precies te zijn. Of misschien ook wel van die mannen, of misschien wel van iedereen, maar ík heb het hier opgeschreven, dus laat ík de schuld maar op me nemen.

Sorry dat ik u op het verkeerde been zette. Vergeet al het voorgaande.Er zijn geen verliezers. En ook geen winnaars. Hou dat vast!

Hoera!

Opeens moest ik aan mijn ongeluk denken. Ja, dat komt voor u misschien uit de lucht vallen, maar voor mij niet, want er zijn van die dagen dat in mijn hoofd alle wegen naar Rome leiden, als het ware, in mijn geval dus naar een bocht in de dijk bij Lexmond, tegenover nummer zoveel aldaar (ik weet heus wel welk nummer het was, maar het lijkt me niet netjes om dat hier te noemen), waar bizar genoeg een jonge verpleegkundige woonde (een week daarvoor met vlag en wimpel afgestudeerd!) die samen met enkele voorbijgangers (waaronder ook weer een verpleegkundige, een ziekenautoverpleegkundige nota bene) zich over mij ontfermde en over de man die mij had aangereden, dat wil zeggen, ontfermen was het bij die laatste niet echt, want ze was heel erg boos op hem, vertelde ze me later, en gaf die man zijn vet, waarna ze zei dat hij ook wel eens wat mocht doen, bijvoorbeeld ervoor zorgen dat ik in een goede houding bleef liggen (stabiele zijligging), wat hij dus deed, onbeholpen waarschijnlijk, want hij was zo te zien dan wel ongedeerd (hoorde ik later van een politie agent) maar ook in shock (bleek twee jaar later in de rechtszaal) en durfde mij nauwelijks te zien, bang dat zijn blik op iets verschrikkelijks zou stuiten, laat staan dat hij mij dorst aan te raken, wat het des te dapperder maakte dat hij ten slotte mijn hand pakte en zijn andere hand op mijn schouder legde, mijn schouder die helemaal aan gort was, maar dat wisten we toen nog niet, en zo naast mij bleef zitten tot de ambulance kwam.

‘Alleen maar verliezers’, herhaalden de mannen. Of: ‘alleen maar slachtoffers’.

Dat weet ik niet goed meer (wat ze precies zeiden bedoel ik) en dat deed er opeens niet meer toe, want ik zat (lag) nog met mijn gedachten op de dijk bij Lexmond. Ik herinnerde mij hoe zacht het gras van de berm was geweest en hoe overweldigend langzaam de wolken boven mij voorbij waren gedreven tot opeens de zon weer tevoorschijn kwam.