Stellig

‘Ja, vorm! Maar vorm is ook altijd inhoud,’ zei de man met veel aplomb tegen het groepje jonge vrouwen waarmee hij aan een ronde tafel zat in een vers geopend restaurant dat, alsof niemand ooit was weggeweest, als vanouds werd opgevrolijkt door een mini leger rondstuiterende peuters en kleuters en hun ouders/grootouders die hun half zwaarmoedige gesprekken over leven vóór, tijdens en na corona om de beurt onderbraken om de neuzen van hun (klein)kinderen te vegen of hun warme tranen te deppen en/of zere plekken te kussen.

Een van de leukste spelletjes om in een café of restaurant te spelen, is proberen uit te vinden hoe een gezelschap in elkaar zit; wie hoort bij wie en waarom, dat soort vragen. Dat deed ik nu ook en nadat ik een paar hypotheses had verworpen besloot ik dat de man een professor was met zijn studenten. Misschien niet bijster origineel, maar een vader met vijf kinderen, bovendien allemaal meisjes, die ook nog eens ongeveer even oud waren, dat ging er bij mij niet in, net zomin als het verjaardagsfeestje van een van de vrouwen die haar jaarclub had uitgenodigd voor een high tea inclusief haar vader. Zoiets resulteert in een ongemakkelijke dynamiek waar 20 jarigen niet op zitten te wachten.

Hoe dan ook, ze hingen aan zijn lippen. Wat mij wel teleurstelde, want ik had graag meegemaakt dat een van hen had gevraagd hoe in vredesnaam vorm inhoud kan zijn. Ze hadden voor de gein net als ik even de term ‘vorm versus inhoud’ kunnen googelen om vervolgens na al een paar klikken op een onwrikbaar citaat van Immanuel Kant (niet de minste) te stuiten: ‘Vorm en inhoud, taal en denken, kunnen niet zonder elkaar, maar vallen niet samen.’ Maar niemand vroeg aan de professor wat hij vond van Kants standpunt in zijn Kritik der reinen Vernunft.

Nou bleef ik daar mee zitten.

En met de man zijn stelligheid. Want daar kan ik helemaal niet tegen. Mensen die niet twijfelen, wantrouw ik heel erg.

Kennelijk zit me dat hoog, want toen ik het opschreef, dacht ik: daar heb ik toch al eerder iets over geschreven? Ja, hier, maar op het gevaar af dat ik mezelf plagieer, ga ik toch door met dit verhaal, en hoop ik van u hetzelfde, want ik weet echt nog niet hoe dit verhaal afloopt (wat een goed teken is, voor u, voor mij is het een hel) behalve dan dat het nauwelijks op dat andere verhaal lijkt.

Eh… argwaan jegens stelligen dus. En lof voor de twijfelaars. Maar dan bedoel ik niet de twijfelaars die eindeloos hun hoofd breken over welke kleur sokken ze aan moeten trekken (ook erg belangrijk hoor, kost mij iedere morgen zeker een paar minuten). Nee, het gaat mij om de twijfel die voortkomt uit nieuwsgierigheid en die leidt tot onderzoek.

Hm… dit verhaal wordt steeds serieuzer.

Wat ik maar wil zeggen is dat het leven erg saai wordt als je alles zeker weet. Dus: ga voor onzekerheid. Laat je verrassen. Ja, dat zeg ik hier vaker, en ik wil wel eerlijk toegeven dat ik dat ook doe om mezelf toe te spreken, aangezien verrassingen doorgaans onverwacht komen en ik mezelf daar op wil voorbereiden. Eigenlijk sta ik de hele dag op scherp. Ik weet nog niet definitief of dat nou zielig of juist stoer is. Voorlopig ga ik voor het laatste.

Terug naar de professor, die zo’n beetje alles zeker wist. Want hij stapelde de ene bewering op de andere alsof het niets was, en ook nog eens met de air van iemand die het allemaal zelf ontdekt had. En zijn studentes maar knikken.

Terwijl ik me zat op te vreten.

Ik stond net op het punt om met mijn mobieltje in de aanslag de professor met het tegendeel van zijn zoveelste boude bewering om de oren te slaan (figuurlijk dan), toen een van de stuiterende kinderen naast hem tot stilstand kwam.

Een meisje met sproeten, een pluizige bos rood krullend haar, en, het belangrijkste, twee groene ogen, waarmee ze de man eerst eens goed bekeek en daarna aanstaarde. Dat kunnen kinderen erg goed. En er was gelukkig niemand, ouders noch grootouders, die haar dat verboden omdat het onbeleefd was.

Het was vooral leerzaam. Een les in nederigheid voor de professor die langzaam verschrompelde, en voor zijn studentes die opeens beseften dat je ook iets anders kon doen dan knikken.

Zoals grinniken.

Tot zover een goed verhaal, al zeg ik het zelf. Wel jammer dat het meisje daarna opeens bij mijn tafeltje verscheen en me niet alleen nogal indringend en ontwapenend aankeek, maar mij ook vroeg wat ik aan het opschrijven was.

Om één of andere reden kon ik niet anders dan de waarheid vertellen, en wel zo luid dat ook de professor het hoorde. Hij riep met overslaande stem dat ik zijn privacy schond en dreigde met een rechtszaak als ik niet meteen alles van al mijn gegevensdragers verwijderde.

Dat had ik weer, een professor in de rechtsgeleerdheid.

Dus of u dit niet wilt doorvertellen… Want anders was dit mijn laatste verhaal, vrees ik.

De foto is van Wikimedia Commons.

Focus

‘Ik heb je drie keer gebeld, vriend!’ zei de man tegenover mij.
Telefoongesprek. Dat had ik niet meteen door. Ik keek op.

De man keek door mij heen. Gefocust. Zo zou hij het zelf noemen, denk ik. Opschepperig: ‘Ik ben altijd heel erg gefocust!’ Zijn vrouw zegt dat ook: ‘ Dietrich is altijd zo gefocust!’

Want dat is goed. Focus is altijd goed. Let maar eens op, in een vergadering of zo, dan zegt altijd iemand op een gegeven moment: ‘we moeten echt focussen!’ En dan knikt de rest. Oh ja, bijna vergeten, focussen.

Dat betekent eigenlijk: kiezen. Niet van alles en nog wat tegelijk doen. Focussen is de vergrotende trap van prioriteren. Want dat is niet meer dan alles gewoon in een bepaalde rangorde zetten. Misschien even puzzelen, maar je hoeft geen afscheid te nemen van iets. Het belangrijkste staat bovenaan en het minst belangrijke onder aan, en de rest daar tussen in, maar alles staat er en je kunt er nog alle kanten mee op. Want voor je het weet is het inzicht voortgeschreden en dan begin je gewoon weer opnieuw.

Kan niet als je gefocust hebt. Want focussen, dat is rigoureus voor één ding kiezen, en daar dan dus al je aandacht op richten. Of nee, je energie. Dat klinkt serieuzer. Ergens energie insteken is echt veel beter dan er aandacht aan geven. En andersom werkt het ook, zo zeg ik bijvoorbeeld nooit meer dat ik moe ben, alleen maar dat ik geen energie meer heb. Dat heeft een ernstige medische bijklank, alsof een diagnose is en geen gemoedstoestand.

Terug naar focussen. Ik kan dat nooit. Ik wil altijd alles en zoveel mogelijk dingen tegelijk. Diep in mijn hart dan. Daar ben ik Meat Loaf (“van alles meer, meer en meer”). Alles is mooi. Maar voor de buitenwereld doe ik heel erg mijn best om maar één of twee dingen te doen, en als het er twee zijn, die dan nooit tegelijk. Dáár ben ik Spinoza, de matigheid zelf en ook de filosoof met de kortste lijfspreuk ooit: caute (sommigen vertalen het als ‘wees voorzichtig’, anderen als ‘wees verstandig’, dat laatste bevalt me beter, hoewel het nog steeds mijn hang naar overdaad in de weg zit).

Van binnen is mijn andere ik het daar dus zelden mee eens, met die verstandigheid, zodat de ene ik de hele tijd bezig is om de andere ik tegen te houden (en de andere ik de hele tijd die ene ik probeert te verleiden). Heel vermoeiend. Herstel: Echt een gigantisch energielek.

Eh… die man. Die was dus gefocust. Maar afgaande op zijn blik, zou ik hem eerder bezeten noemen. Eng.

‘Vijf keer het afgelopen uur!’ beet hij de ander toe. Zo vaak had hij gebeld. Hij luisterde, niet lang. ‘App me dan even! Nou zit ik hier maar te wachten.’ Hij veegde wat op zijn iPad. ‘In de trein. Ik ga nou naar die mensen toe!’

Die mensen… ik had met ze te doen.

‘Ja, natuurlijk weet ik waar ik moet zijn.’ Hij gaf een beschrijving van de route die hij ging lopen als hij straks uit de trein zou stappen.

Shit, hij ging regelrecht naar ons kantoor toe! Opeens ging er bij mij een lichtje branden. Ik bekeek de man nog eens. Nou zag ik pas wie het was. Die stomme mondkapjes ook.

Lang leve de techniek! Want ik wist de man zijn naam wel, maar ik wilde weten waar hij ook alweer van was. Dus mobieltje en LinkedIn open en ja hoor, daar grijnsde hij mij aan. Ik kreeg het er warm van. Niet voor niks, want een paar tikjes later zag ik ook nog eens in mijn agenda staan dat hij bij míj op bezoek kwam.

Ik dacht dat we die man hadden afgezegd!? We hadden er toch geen tijd voor? Zijn initiatief was toch gesneuveld, ergens in de ‘besluitvorming’? Allemaal vragen aan mijzelf waar ik niks aan had, zelfs aan de antwoorden niet, want hij was vast van plan om te komen. Hij keek nog steeds heel erg gefocust.

Dat had ik weer.

‘Kunt u niet ergens anders heenstaren? U ziet toch dat ik bezig ben? U stoort mij nogal.’ Hij snoof. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Dat vond hij nog erger. ‘Kunt u ergens anders gaan zitten, alsjeblieft? Dit is echt mateloos irritant.’

Dat deed ik dan maar, maar wel met de tegenwoordigheid van geest om heel erg langzaam al mijn spullen bij elkaar te zoeken en mijn jas aan te trekken zodat hij flink moest zuchten en steunen.

‘Wacht even Martin, er is hier iemand die zo nodig moeilijk moet doen.‘

Ik groette en vertrok.

Nu heb ik het meestal niet zo op wraak, maar deze keer maakte ik een uitzondering toen de man eindelijk voor mij zat, op 1,5 m afstand, en ik na zijn uitgebreide excuses tot mijn spijt moest zeggen dat het hele project was afgeblazen.

In de prioritering was het al gezakt, maar toen we gingen focussen was het initiatief meteen van de lijst gevallen.

p.s. Ik heb die man natuurlijk verzonnen, behalve de eerste alinea. En mijn overpeinzingen, die zijn ook echt.

De foto is van Wikimedia Commons.

Versoepeling

Goed, de versoepelingen waren amper uitgeroepen of ik verlangde van de weeromstuit heel erg terug naar een paar fases geleden, toen we nog een avondklok hadden en iedereen lekker binnen bleef om daar lawaai te maken in plaats van bij mij voor de deur.

Of nou ja, lawaai maken is een groot woord, want het straatje waarin ik woon is erg gehorig, wat betekent dat ik echt álles hoor, en dan ook nog eens versterkt of zo, want het kleinste geluid stuitert tussen de gevels net zo lang heen en weer tot het een kathedrale herrie is, waardoor ik vrijdagnacht dus wakker werd van twee mensen die aan de overkant stonden te zoenen. Ik bedoel maar. Het was alsof ze naast mijn bed stonden, inclusief galm.

Ik weersta hier de neiging om het geluid (eigenlijk: de geluiden, want er kwam geen einde aan) verder te beschrijven. Ik hou het op de korte beschrijving die Raymond Babbitt in Rain Man gaf van de kus die híj kreeg: ‘Wet’.

Er zijn mensen die bij zo’n gebeurtenis gewoon een raam openschuiven en iets snedigs roepen om het stel tot zwijgen te brengen, maar ik durf dat niet, want ik denk dan altijd dat ik nóg meer mensen wakker maak (wat waarschijnlijk ook zo is) die vervolgens boos op míj worden. Mijn andere (veel ergere) vrees is dat een van de twee zoeners verstoord opkijkt om nog iets snedigers naar mij terug te schreeuwen, waar ik dan de rest van de nacht met een rood hoofd van wakker lig.

Dus ik doe niets en ga wakker liggen van iets anders.

Vragen.

Bijvoorbeeld: woont een van de twee in het huis aan de overkant, en zo ja, waarom gaan ze dan voor de deur in de kou staan te kussen als ze veel gerieflijker binnen op de bank kunnen gaan zitten? Misschien kenden ze elkaar net, en waren ze daar nog niet aan toe? Was wat ik hoorde dan een uit de hand gelopen afscheidskus na een avondje uit? In films heb je wel van die scènes waarin opgebouwde spanning opeens niet meer te houden is als ze elkaar aan het einde van een date goedenacht wensen, maar dan gaan ze altijd vrij snel naar binnen om onderweg op de trap zichzelf en/of elkaar uit te kleden.

En wat dies meer zij.

Toen ben ik kennelijk mijmerend weer ingedommeld, want ik werd wakker van een staartje opgewonden gesprek tussen de twee en een deur die dichtsloeg. Nou had ik gemist of ze alle twee naar binnen waren gegaan! Ik spitste mijn oren, want misschien kon ik toch nog iets horen.

Voetstappen. Lome en trage voetstappen, waarin ik, romantisch als ik ben, diepe teleurstelling hoorde. En liefdesverdriet. En spijt. Hadden ze toch nog gedoe gekregen over naar binnen gaan? Hoe dan ook, een van de twee zoeners droop af (no pun intended).

Een jongen. Dat weet ik, omdat hij niet lang wegbleef. Een uurtje later was hij terug, om mij weer wakker te maken, ditmaal doordat hij heel hard ‘Amélie!’ riep.

ik verdrong mijn herinneringen aan alle keren dat ik zelf van wanhoop en verliefdheid (gaan in mijn leven vaak samen) alle decorum verloor en iets deed zoals de jongen nu.

‘Amélie!’ Hij huilde bijna.

Wel een fijne naam om te roepen, vond ik. In gedachten riep ik mee en ik probeerde gelijk met de jongen op te gaan. Er zat een soort ritme in zijn hartenkreten. Hm… Dat was toch wel moeilijk, alleen in je hoofd. Dus ik besloot mee te fluisteren. Maar op die manier klonk ‘Amélie!’ niet half zo mooi. Alle klank en melodie verdween in mijn schorre geprevel. En nu ik er eens kritisch over nadacht, ging liggend zingen, want dat was het eigenlijk, ook niet zo goed. Ik sloeg de dekens van me af en ging op de rand van het bed zitten. Dat was al beter.

‘Amélie!’

Best wel goed, al zei ik het zelf.

Maar in de badkamer zou het helemaal geweldig zijn, want daar klinkt alles echt alsof ik al sinds mijn kleutertijd professioneel operazanger ben. En ja hoor, onnavolgbaar! Behalve dan voor mijn eigen echo die intussen ook meedeed. Ik was een heel koor!

Dat de jongen op straat intussen opgehouden was, hoorde ik niet eens, zo in vervoering was ik. Waardoor ik ook niet naar het raam liep om te kijken wat er aan de hand was, dan had ik namelijk gezien dat Amélie in tranen en op haar blote voeten naar buiten was komen rennen om hem te omhelzen en te troosten, als een geliefde en een moeder tegelijk. Laat staan dat ik doorhad hoe stil het daarna werd… de twee bleven roerloos midden op straat staan.

Daar hadden ze misschien nog gestaan als de politie niet was gekomen om bij mij aan te bellen en te vragen of ik wat zachter kon doen.

Eek!

Toen schrok ik pas echt wakker.

De foto is van Wikimedia commons

.

Wonder

Op de Leidsekade zette de krantenjongen zijn fiets tegen een lantaarnpaal om mij staande te houden en te vragen of ik er zo uitzag omdat ik het mooi vond, of ‘voor geloof’.

Hij dacht namelijk dat ik een rabbi was. Dat heb ik wel vaker, dat mensen dat denken. Een zwart pak, flinke grijze baard en een hoed, en je bent een rabbi.

‘Omdat ik het mooi vind,’ zei ik. Hij knikte alsof hij dat al verwacht had.

Maar hij liet zich niet uit het veld slaan en begon aan een verhaal over zíjn geloof dat hij zo geestdriftig en vrolijk vertelde dat ik niet kon doorlopen.

Trouwens, het was geen krantenjongen maar een krantenmán, want één van de vele dingen die hij me vertelde (en één van de weinige dingen die ik begreep) was dat hij drie kinderen had. Dan ben je geen jongen meer, vind ik. Maar om één of andere reden vind ik krantenman een rare benaming voor iemand die kranten bezorgt. Een krantenman, dat is de directeur van de Telegraaf of zo. Of een mijnheer, de vijfde generatie van een deftig uitgeversgeslacht, met inkt in plaats van bloed in zijn aderen, die ’s morgens gewoon zijn eigen voorpagina eet tussen twee boterhammen.

Eh… Sorry, dit móést ik opschrijven.

Waar was ik? Oh ja, het verhaal van de man. Dat was erg ingewikkeld. Het ging dus over zijn geloof en hij leidde mij langs alle hoeken en gaten van hemel en aarde om aan mij uit te leggen waarom hij ‘voor katholiek studeerde’. Hij had zich bekeerd en ging zich binnenkort laten dopen.

Hij keek zo blij dat ik op een rare manier jaloers werd. Raar omdat ik zelf al gedoopt ben, dus waarom zou ik jaloers zijn, maar ook raar omdat ik er zelf nooit zo’n lol aan beleefd heb. Ook geen chagrijn, trouwens. Ik ben gedoopt. Punt.

Ook de andere katholieke mijlpalen, mijn eerste en tweede (plechtige) communie, brachten weinig teweeg in mijn leven. Van de eerste herinner ik mij een feest waarop ik al vrij snel mijn nieuwe broek scheurde, wat een soort schaduw over de dag wierp omdat ik mij de hele tijd schuldig voelde, en van de tweede communie weet ik alleen nog dat ik in de kerk iets mocht voorlezen, ook al in een nieuwe broek, een nette, waar mijn moeder erg om moest lachen, omdat ik van tevoren op aandringen van de pastoor erg bij haar om die broek gezeurd had terwijl niemand hem kon zien toen ik eenmaal op de kansel stond.

Dat je om iets plechtigs ook schaamteloos en uitbundig kon lachen, was die dag eigenlijk de grootste openbaring voor mij. Leerzaam.

Goed. Allemaal gebeurtenissen waarvan ik niet wist dat ik ze onthouden had en die de man met zijn verhaal kennelijk bij mij opgerakeld had. Intussen was hij zelf verder gegaan met mij uit te leggen hoe het katholicisme in elkaar zat. Vooral de heiligen gaf hij veel aandacht. Hij kwam zelf namelijk uit een erg ver land met een heel ander geloof en daar hadden ze die niet.

Het katholieke geloof was een van de redenen waarom hij erg blij was dat hij nu in Nederland woonde. Zomaar kunnen geloven wat je wil, was al mooi, maar dan ook nog een heel regiment heiligen erbij! De een had nog beter geleefd had dan de ander.

‘En zij hadden wonderen gemaakt!’ riep hij.

Hoe mooi was dat?!

Zo had ik het nog nooit bekeken. Eigenlijk best wel een positieve religie, als je de juiste instelling hebt (en een hele hoop dingen in de doofpot stopt).

Maar dan nog, wonderen?

De man bekeek mij nog eens van top tot teen en zei toen: ‘Ja, altijd mooi. Uw kleren. Maar nu vaak een beetje somber. Alles zwart en grijs.’

Hij had mij kennelijk al een tijd in de gaten gehouden. En verdomd, ik was inderdaad wel een beetje aan het tobben geweest.

‘Ik heb iets voor jou. Om vrolijk te worden!‘ Hij sloeg de flap van zijn gigantische krantenfietstas open.

Veren!

‘Allemaal gevonden!’ zei hij.

Dat leek me sterk, want de ene was nog prachtiger en kleuriger dan de andere en ik had in Lombok nog nooit zulke bonte vogels zien vliegen (behalve dan die verschrikkelijk brutale halsbandparkieten). Maar daar ging ik niet over beginnen, want ik mocht er een uitkiezen. Een veer. Dat deed ik. Daarna moest ik knielen, zodat de man de veer achter het lint van mijn hoed kon steken.

Het had iets plechtigs. Mijn communies waren er niks bij.

Toen ik opstond was de man weg. Nergens meer te bekennen. Ik voelde aan mijn hoed. Niks geen veer. Laat staan een wonder.

Toch was ik een stuk vrolijker. Weer een verhaal af!

De foto is van Wikimedia Commons.

Herinneringen

‘Ik wil daar gewoon mooie herinneringen maken’, zei de vrouw tegen haar vriendin.

(Dit was ergens aan het einde van de zomer 2021, toen we nog met z’n allen buiten op elkaars lip mochten zitten en ik nog volop andermens’ gesprekken afluisterde en opschreef. Nou ja, flarden ervan. Ik kwam dit citaat vanmorgen tegen, terwijl ik alle andere half afgemaakte blogs aan het lezen was, om met hervonden inspiratie verder te gaan.)

Wel ja, dacht ik (toen, en nu weer), was het maar zo makkelijk! Dat je doodgewoon van te voren kon verzinnen en daarna uitvoeren waar je later met warme gevoelens aan terug zou denken. Een soort omgekeerde versie van Eternal Sunshine of the Spotless Mind.

Het leek ideaal. Maar goed, ik ben niet voor niets een zenuwlijder, dus ik zag binnen de kortste keren allerlei praktische bezwaren. Gedoe. Want zolang je alleen op de wereld bent, kun je bij wijze van spreken herinneringen maken wat je wilt, maar zodra er anderen bij komen kijken, gaat het al mis, want wat voor mij een sentimental journey zal zijn, is voor de ander een helletocht naar het verleden. En mijn trauma is misschien wel uw mooiste moment ooit. Kortom, als je een beetje aan je medemens wil denken, is herinneringen maken echt super ingewikkeld.

Niks voor mij, ik doe het wel gewoon met wat ik achteraf onthou.

Daar wilde die vrouw dus niet op vertrouwen. Ze was vastberaden om reuze mooie belevenissen in haar geheugen te griffen en had al van alles en nog wat uitgestippeld, zodat ze niets zou mislopen. Ik weersta hier de neiging om al haar aanstaande avonturen (inclusief de kant en klare herinneringen daaraan) op te sommen, omdat het er nogal veel waren en ik ze eigenlijk niet bijster origineel vond. Het leken wel tweedehandse herinneringen.

(Wat me doet denken aan een oud idee van me, namelijk een marktplaats voor herinneringen. Ik heb er echt een hele hoop en ik ben op veel ervan al lang uitgekeken, terwijl die, om in marktplaats-jargon te spreken ‘nog best een tweede ronde meekunnen’. Dus als u zich eens iets heel nieuws wilt herinneren, stuur maar een berichtje. Ruilen kan ook, maar ik ben wel kieskeurig, ik ga niet zomaar aan van alles terugdenken.)

Eh, waar was ik?

In Buenos Aires. Want daar ging de vrouw heen. Zonder haar vriend, want die had ze pas een maand en het plan voor haar reis had ze gemaakt vóór ze hem leerde kennen, dus ze voelde best wel een beetje twijfel over hoe dat herinneringen maken zou uitpakken met een relatieve vreemde erbij.

Ziet u wel: gedoe.

Inderdaad, dubbel gedoe zelfs, want zij had eigenlijk al in geen jaren verkering had gehad, en ze beschouwde die hele relatie dus nog als een soort experiment. Een wankel fundament voor een gedeeld geheugen, vond zij, ook al omdat zij het nog niet aan hem verteld had; dat ze nog aan het idee van een vaste vriend moest wennen, bedoelde ze.

Hm…

Haar vriendin vond het juist daarom verstandig dat ze in haar uppie herinneringen ging maken, want dan kon ze alles weglaten wat de vriend niet aanging en/of wat hun prille geluk in de weg stond. Wat de vrouw nu met hem had, was dan gewoon een soort ouverture, een aanloop naar het echte werk, dat pas voor menens zou beginnen als ze terug was uit Argentinië.

Nog eens hm…

Ik ben misschien geen deskundige, maar volgens mij kan er van een relatie weinig goeds komen als een van de twee al meteen bij aanvang begint met censureren. Voor een miniserie op Netflix is het een leuke premisse, iemand met geheimen en een verborgen verleden die dan van de ene ongemakkelijke en/of gewelddadige toestand in de andere rolt om dat allemaal te verbloemen, maar in het echte leven is het niks.

Gedoe.

De vrouw keek voor zich uit alsof ze dat opeens ook allemaal besefte ‘Weet je waar ik nou zo bang voor ben?‘ vroeg ze aan haar vriendin. ‘Dat ik straks als ik terugben niet meer weet waarom ik hem zo leuk vond.’

‘Maar je kunt nou toch ook herinneringen maken? Vóór je weggaat.’ zei de vriendin.

‘Bedoel je met hem erin?’

‘Ja! Die herinneringen blijven echt nog maanden goed hoor, soms wel jaren. Zeker als je ze op Instagram en Facebook post.’

De vrouw knikte. Daar had ze niet aan gedacht.

Ik ook niet. Er is al lang een marktplaats voor herinneringen! Ik ook altijd met mijn zogenaamde ideeën.

Nou ja, dan hou ik mijn herinneringen gewoon. Of ik maak er blogs van.

Slang

Ik hoor vaak dat ik zo openhartig ben, dus ik zal meteen in deze eerste zin zonder omhaal maar toegeven dat dit geen fijn jaar was. Geen annus horribilis, maar het scheelde niet veel. ik was de helft van de tijd min of meer out of my comfortzone, sterker nog zónder comfortzone, of nog sterkerder: ik had geregeld geen flauw idee meer van waar die zone eigenlijk was. In ieder geval niet bij mij in de buurt.

Dus dat was even zoeken. Lieve help, u wilt niet weten waar ik allemaal geweest ben. In krochten waar ik het bestaan niet van vermoedde. Donkere kelders waar ik het licht niet durfde aan te doen omdat er overal spiegels hingen.

Eh… Nu maak ik het te erg, geloof ik. Vergeet de vorige alinea’s. Wat ik wilde opschrijven was dat het leven met één bruikbare arm/hand nóg ingewikkelder bleek dan ik al dacht en dat ik een paar dingen moest veranderen om het weer in de klauwen te krijgen (no pun intended).

En veranderingen, daar hou ik niet zo van. Zeker niet als ze onverwacht zijn.

Niets menselijks is mij vreemd.

Voor de minister-president die eigenlijk geen minister-president meer is, ligt dat anders. Zijn kijk op de dingen is veel simpeler; jezelf veranderen, dat kan gewoon niet. Tegen de Telegraaf vertelde hij dat zijn zelfkritiek grenzen heeft “Het is onmogelijk om jezelf opnieuw uit te vinden. Als een soort slang je huid afwerpen, daar geloof ik helemaal niet in.”

Voor iemand die van alle Nederlanders verwacht dat ze de ene na de andere ministeriële ingreep in hun levens zonder morren accepteren, is dat een nogal verassende stelling.

Hm, ik druk me te voorzichtig uit. Het is de neerbuigende belediging van een zelfvoldane en hooghartige machthebber.

Ja, ik voelde me beledigd toen ik dat las. Vooral plaatsvervangend beledigd. Ik moest namelijk aan mijn werk denken, aan alle mensen die om welke reden dan ook ‘bij de reclassering lopen’ en die, vaak tegen hun zin in, zichzelf wél opnieuw moeten uitvinden. Die hun hele leven moeten omgooien, die niet alleen als een slang hun huid moeten afwerpen, maar die bovendien hun hele ziel en zaligheid moeten blootleggen om die dan ook nog eens te veranderen. Met veel vallen en opstaan, maar die het toch doen.

En die nu in de krant lezen dat de minister-president die eigenlijk geen minister-president meer is, daar niet in gelooft. Jezelf opnieuw uitvinden, zegt hij, dat bestaat niet.

Lees: daar heb ik geen zin in.

Mijnheer Rutte, dan moet u maar zin maken!

Vind ik.

Ik heb het ook gedaan en nu heb ik dus een hele nieuwe comfortzone.

Hoera!

Ik ga niet vertellen waar die is, want hoewel hij veel ruimer is dan de vorige, wil ik niet mijn hand overspelen door iedereen die langskomt meteen binnen te laten. Waarmee ik niet bedoel dat u niet welkom bent. Dat is nou net het mooie van mijn nieuwe comfortzone, de hele wereld past erin. Uiteindelijk.

Iedereen.

Of nou ja, zelfvoldane en hooghartige machthebbers alleen als ze eerst naar de reclassering zijn geweest. Om te re-integreren.

De foto is van Wikimedia Commons

Duur

‘Wat denk je dat we kwijt waren, alle vier een pannenkoekje, de kinderen een flesje Ranja?’

De man keek de vrouw aan met de slimme blik van iemand die een geheim raadsel in de groep gooit (de groep: twee echtparen, mannen en vrouwen tegenover elkaar).

Vilein als een soort Repelsteeltje. De man bedoel ik; de vrouw schudde voorzichtig haar hoofd. Ze had geen flauw idee. Je kon wel aan haar zien dat ze hoog wilde inzetten. Maar hoe hoog, daar twijfelde ze nog over. Dat vond de man niks, hij verloor langzaamaan zijn geduld. Getreuzel, dat was niks voor hem, had-ie geen tijd voor. En hij was een beetje bang dat ze precies in de roos zou gissen.

Ik vroeg me intussen af of Ranja nog wel bestond. In welk vooroorlogs etablissement verkochten ze dat spul nog? Ik googelen, om erachter te komen dat ik de afgelopen halve eeuw natuurlijk weer niet had opgelet, want het bestaat al 100 jaar en is nooit weg geweest. Toch klonk het als iets dat in de vaart der volkeren gesneuveld was. Ik kan me niet herinneren dat mijn kinderen het ooit dronken. Maar misschien was het toen niet zo hip als nu.

Limonade bedoel ik. Want dat is super modern. Ieder zichzelf respecterend hipster café verkoopt tegenwoordig zelfgemaakte limonade (van zelf geteelde en herontdekte vruchten). En trouwens, ook zelf gebrouwen bier (van kokosmakronen en zelf gerookte hagelslag) en/of zelf gedroogde beef jerky (van zelf geschoten oerherten).

Misschien wilden mijn kinderen er niets van weten, van Ranja, en vonden ze het ook oubollig. Ik herinner mij icetea en cola. Vanaf dat ze konden praten tot ver in hun puberteit.

Maar goed, laat ik niet zo denigrerend over die hipsters doen, want het lijkt erop dat we door hun onverschrokken pogingen om alles zelf te doen nu eindelijk af zijn van het verschrikkelijke ‘huis gemaakte’, en daar ben ik hen eigenlijk wel dankbaar voor.

Eh… terug naar de man met zijn pannenkoekjes en Ranja. Of eigenlijk, naar de vrouw die naar de prijs ervan moest raden. Want ze gaf het op en onderging gelaten de man zijn glorieuze ‘een-en-vijftig-vijf-en-negentig!’ (€51,95!). Een bedrag dat hij als een troefkaart op tafel gooide.

Enigszins geïrriteerd, ten slotte.

De reactie van de vrouw viel hem namelijk tegen, ze was niet half zo verbaasd als hij (nog steeds) verontwaardigd. Nu was hij triomfantelijk voor niks. En hij kreeg nóg een teleurstelling te verwerken want zij wist iets anders dat ook heel erg duur was geworden (sinds weet ik veel wanneer).

Vakantiehuisjes!

Daar had de man niet van terug. Hij moest bovendien raden hoeveel het kostte om met de kinderen, klein kinderen, aanhang, en nog wat aanverwante mensen een midweek op Texel te bivakkeren. In het voorseizoen!

‘Vijfhonderd?’ vroeg hij. Ongeïnteresseerd.

De vrouw lachte schamper. ‘Het dubbele!’ De man knikte alsof hij dat al verwachtte.

Goed, dat ging zo een tijdje door. Om de beurt noemden ze een of andere onderneming of recente aanschaf waarvan de ander dan de prijs moest raden.

Ik onderdruk hier de neiging om alles inclusief de prijzen op te sommen. Hoewel ik ze vreemd genoeg nog wel allemaal kan reproduceren.

Ja, vreemd genoeg, want ik ben niet zo’n cijfermens. Maar nu had ik zonder al te veel moeite de volledige boekhouding van het gesprek tussen de twee man in de vrouw bijgehouden. Toen ze uiteindelijk moe gestreden zwegen en naar hun lege theeglazen keken, stond ik op en liep ik naar hen toe om de eindstand bekend te maken. Tot mijn vreugde had de vrouw gewonnen, ze had verreweg de beste schattingen gedaan. Ze glimlachte tevreden. De man ritste beteuterd zijn beige windjack dicht en zette zijn pet op.

‘Meneer!?‘ De serveerster stond naast mijn tafeltje.

Opeens!

‘U wilde betalen?’ Ik knikte en ging recht zitten om mijn pasje te pakken. ‘Eens even kijken: één imperial stout maple syrup on smoked rye en drie bitterballen van vergeten groenten, dat is dan achttien vijfenzeventig.’

Ik keek rond, maar de twee echtparen waren vertrokken. Toch zou ik gezworen hebben dat ik ergens in de verte die man hoorde lachen.

Satanisch, zoals dat heet.

De foto is van Wikimedia Commons

Stilte

Als u aspiraties heeft om ooit sportjournalist te worden en hoopt om op een dag de Olympische Spelen te verslaan, dan heb ik een tip voor uw interview met de atleet (m/v) die zojuist over de streep is gekomen (glimmend van het zweet, rood gevlamd hoofd, misselijk, happend naar adem, het huilen nabij, volslagen van de wereld, midden in een bijna dood ervaring), vraag dan: ‘besef je het wel echt?’

Of iets van gelijke strekking, zoals: het moet zeker nog indalen? Je gelooft het nog steeds niet, hè? Dit doet wat met je, hè? Begrijp je dit van jezelf? Et cetera. Of natuurlijk de alles omvattende vraag: wat is er (in hemelsnaam) gebeurd?

Ik vind dit allemaal nogal domme, volstrekt overbodige, ridicule en respectloze vragen.

Zulke vragen zouden verboden moeten worden. Want waarom moet degene die (net niet) gewonnen/verloren heeft, vertellen wat er gebeurd is?

Het is allemaal al aangrijpend en ontroerend genoeg, toch?

Nee, kennelijk niet. De man of vrouw die (net niet) heeft gewonnen/verloren moet dat namelijk ook nog even zelf navertellen. Zodat we echt alle greintjes emotie in beeld te krijgen. En als het even kan, met onze neus erop en meteen na de finish. In plaats van iemand even op adem te laten komen, gaat zo’n verslaggever triomfantelijk bij de eindstreep zitten te wachten op een van verbazing, verdriet, en/of vreugde hyperventilerende/huilende/hallucinerende sporter (m/v) die dan anderhalve minuut na de race aan hem moet uitleggen ‘hoe dít in vredesnaam kan…’

Een van de commentatoren in de studio ging na zo’n mensonterende confrontatie tussen collega-journalist en sporter doodgemoedereerd uitleggen wat hij en zijn collega’s met hun analyses proberen te ‘duiden’. Het ging, hou u vast, over de verschillen tussen de één die harder liep dan de ander en de ander die dan dus langzamer liep dan die ene. Hoe dat kan. En dan de details daarvan, om precies te zijn, want het ging namelijk om de details, ‘die maken de verschillen’.

Goh.

Alsof het al niet erg genoeg was dat zijn collega aan de andere kant van de wereld iemand had geïnterviewd die niet eens meer op zijn benen kon blijven staan, die letterlijk en figuurlijk uit beeld verdween, maar terwijl hij op de grond zakte toch nog de vraag kreeg of dit er dan bijhoorde, dat je sterretjes zag… (pas de allerlaatste vraag was: gaat het wel goed, wil je wat water?)

Waarom moet iemand beelden en geluiden die voor zich spreken toch nog uitleggen? We zitten er tegenwoordig al zo dicht bovenop dat ik de neiging krijg om mijn ogen neer te slaan omdat ik het te intiem vind en dan komt er een meneer (het zijn bijna altijd meneren) van de tv en die verklaart over de beelden heen in alle ernst dat de atlete haar eigen race heeft gelopen maar dat ze niet door de verzuring heen kwam. Of juist wel. En dat aan alles te zien is wat zij de afgelopen jaren allemaal heeft meegemaakt, wat zij heeft moeten doen en laten om hier te komen. Enzovoorts. Hij kiepert ter lering en vermaak de hele doopceel van de hardloopster over de kijker uit. Terwijl zij zelf naar de microfoon staart en probeert om ondanks desoriëntatie en uitputting niet over te geven aangezien ze het hele verhaal op verzoek van de verslaggever ook zelf nog eens moet bevestigen. In geuren en kleuren graag.

Het lijkt wel alsof we (de kijkers) niet gewoon zelf mogen kijken en er van mogen denken wat we willen. Alsof we niet zelf mogen bepalen wat ons aangrijpt en ontroert. Laat ik voor mezelf spreken, ik wil huilen wanneer ik dat wil, niet wanneer een of andere analist mij uitlegt waarom ik moet huilen. En ik wil al helemaal geen emoties opgedrongen krijgen als degene om wie het gaat liever niet in beeld komt, laat staan om te vertellen wat er gebeurd is.

Eh… Nu ik dan toch zo openhartig ben wil ik ook wel vertellen dat ik om muziek huil. Helemaal alleen, zonder dat iemand dat van mij vraagt of aan mij opdringt.

Welja.

De afgelopen dagen heb ik alle symfonieën van Mahler (weer) beluisterd en bekeken (dat schrijf ik niet op om chique te doen, ik hou gewoon van Mahler). Op Youtube staan ze allemaal in allerlei uitvoeringen, maar ik vind die van het Lucerne Festival Orchestra onder leiding van Claudio Abbado het mooist. (Ik ga dus niet uitleggen waarom.) Maar ik wil wel vertellen dat ik de stilte tussen de laatste klanken van de symfonie en het applaus soms nog het aller mooist vind.

Na het einde van de negende en laatste symfonie blijft Abbado twee minuten stil staan, ogen dicht en verder niets.

Niets. Stilte.

Stel je voor dat er dan iemand in beeld komt die uitlegt dat Abbado met gesloten ogen stil blijft staan en waarom hij dat doet en dat die daarna aan Abbado vraagt of hij het wel helemaal besefte en of hij kon uitleggen wat er nu was gebeurd. Die zouden ze waarschijnlijk met pek en veren besmeren en Lucerne uitrijden.

Waarom pikken we zoiets dan wel van een sportverslaggever? Ik weet het niet.

En waarom kunnen we sporters niet dezelfde eer bewijzen en hun hetzelfde respect tonen als Abbado? Weet ik ook niet.

Dus ik stel voor dat we dat voortaan wél doen, dat we sporters voortaan gewoon in alle rust alleen laten, tot ze weer bij ons terug willen komen. En als ze dat niet willen, ook goed. En als ze niks willen uitleggen, prima.

Misschien moet u maar geen sportverslaggever worden. Zijn er sowieso teveel van.

p.s. Hoe leuk is dit. Gewoon kijken en zelf zien wat er gebeurt zonder dat iemand het uitlegt.

Gender

De vrouw die een tafeltje verderop met een kennelijke collega zat te praten (zo’n beetje hun hele team ging over de tong, ik kan iedereen zo uittekenen als het moet) verhief opeens haar stem en zei verontwaardigd: ‘Dus we krijgen alleen maar genderneutrale toiletten?!’

Dat vond ze dus maar niets. ‘Laten ze dan gewoon één derde vrouw, één derde man, en één derde neutraal doen!’

Hm. Waarom? wilde ik vragen, maar dat deed ik natuurlijk niet, want dan viel ik door de mand als luistervink (ja, mensen, ik heb een hoop fantasie, maar soms heb ik wel een aanleiding nodig, en die steel ik gewoon van anderen, zo rijk is mijn leven nou ook weer niet).

En waarom in die verhouding? wilde ik ook vragen. Het leek me sterk dat de genderverdeling zo evenredig was. Maar goed, welke verdeling dan? En bij nader inzien twijfel ik ook over de bruikbaarheid van de term genderneutraal. Ik vind het eigenlijk nooit een goed idee om mensen te classificeren, en al helemaal niet om hen te classificeren als mensen die ‘niet een van beiden’ zijn. Dat is namelijk de letterlijke betekenis van neutraal. De Amerikanen zeggen non-binair, ook geen fijne term, vind ik, want kennelijk is binair de regel en de rest uitzondering. Dan ben ik er altijd voor om de regel op te heffen. Iedereen hoort erbij, of iedereen is uitzondering, wat eigenlijk op het zelfde neer komt, want als iedereen een uitzondering is, hoort iedereen erbij. Mijn voorstel is ‘omnigender’ (o).

U bent dat ook!

Dus allemaal één toilet in plaats van iedereen een eigen. Dat lijkt me in ook efficiënter (geen argument dat ik vaak gebruik, maar ik zag opeens een hele gang met allerlei verschillende deuren voor iedere gender één en dat is natuurlijk reuze onhandig).

Wat kan er gebeuren als we met hun allen dezelfde toilet gebruiken? Als we allemaal gewoon netjes gaan zitten en de boel schoon achterlaten, is er toch niets aan de hand (ik kom daar op omdat ik vandaag in de trein naar de wc ging, al sinds jaar en dag omnigender, en ik zowat van mijn stokje ging vanwege de ravage die mijn voorgangers (m) daar hadden aangericht, ja ‘(m)’, ik hoefde geen forensisch detective te zijn om te zien welke gender er echt per se overal zijn sporen achter wilde laten).

Of gaat het niet om hygiëne? Hmm, maar waar gaat het dan om? Dat het verwarrend is? Maar dat is het juist niet. Neem nu mijn hypothetische gang met deuren van hierboven. Als er iets verwarrend is, dan dat wel. Het is de hel voor mensen als ik, die uit angst om zich te vergissen dan maar niet naar de wc zouden gaan. Die kunnen dan nooit meer ergens ontspannen een kopje thee drinken. Want ik ben namelijk nogal een dromer, of verstrooid, zoals een van mijn collega’s het vergoelijkend noemt, en niet zelden loop ik dus peinzend ergens binnen waar ik kennelijk niet thuishoor. Met allerlei ingewikkelde situaties tot gevolg.

Dus gewoon overal omnigender toiletten, dat lijkt me een uitkomst.

Daar was een vriendin van mij het niet mee eens. ‘Stel, je bent op een date, en je gaat even naar de toilet om je lippen te stiften. Dan wil je daar toch je date niet tegen het lijf lopen?’

Nee, dat wil je niet. Ik ga niet vaak op een date, maar ik kan mij voorstellen dat ik in zo’n situatie regelmatig naar de toiletten zou vluchten om mijn baard te kammen. Daar zou ik dan inderdaad geen pottenkijkers bij willen hebben, laat staan degene met wie ik een afspraakje heb (‘afspraakje’ is old speak voor date).

De oplossing daarvoor is ook nogal simpel, concludeerden we: gewoon op iedere toilet een eigen spiegel en een eigen wasbakje. Dan kun je je in afzondering vrijelijk optutten voor de volgende ronde. Weer een maatschappelijk probleem opgelost, zeiden we.

Maar zover was het natuurlijk nog niet…

Daar kwam ik achter toen ik twee weken later de vrouw van het tafeltje verderop plotseling via de spiegel in de ogen keek terwijl ik mijn baard stond te kammen en zij achter mij uit een toilet stapte… van de dames-w.c. op het conferentie-oord waar wij dezelfde cursus bleken te volgen.

Dat ik verstrooid was, vond ze niet half zo aandoenlijk als ik hoopte.

Wicky

‘Sta je nou alweer een Wicky te drinken?’ vroeg de vrouw aan de man die inderdaad zo’n pakje in zijn enorme hand hield, het rietje ongeïnteresseerd tussen zijn lippen terwijl hij zonder merkbare inspanning het laatste restje opzoog en wegslikte. Alsof hij ademhaalde, zo makkelijk ging het.

‘Het is zonder suiker,’ zei hij. ‘Kijk maar.’ hij hield het pakje omhoog en liet haar de triomfantelijke ‘0,0!’ zien. De vrouw sloeg er geen acht op. In plaats daarvan bekeek ze de man, geringschattend zoals sommige vrouwen dat wel kunnen doen, de blik vluchtig van boven naar beneden en weer terug. Ze liet onderweg heel subtiel haar ogen even rusten op de kolossale buik van de man.

En ik dacht aan mijn broer die helemaal geen kolossale buik heeft, maar die wel een grote fan van Wickie de Viking was. Toen hij klein was. Terwijl híj heel ernstig en aandachtig naar de verwikkelingen van de Noormannen keek, zaten wij (vader, moeder, broer & zus) gespannen te wachten op het moment dat de jonge held (ik bedoel Wickie, niet mijn broer, die ook wel een jonge held was maar, eh… dit wordt te ingewikkeld, vergeet het) met zijn wijsvinger onder zijn neus wreef, wat namelijk het teken was van een of andere revolutionaire oplossing van het probleem dat zich in het kwartier daarvoor stukje bij beetje schijnbaar onoplosbaar had gemaakt voor de kijkers.

Mijn broer sprong dan altijd op alsof de wereldvrede was uitgebroken. Of zoiets. En van de weeromstuit juichten wij met z’n allen mee. Alleen daarom al was het leuk naar Wickie de Viking te kijken. Het was bij wijze van spreken iedere keer feest bij ons thuis als dat jochie weer iets bedacht had.

Wat voor mij een hele omschakeling was, kan ik wel zeggen, want de kleingeestige juffrouwen van de eerste en tweede klas die mij geschiedenisles mochten geven, hadden van de gelegenheid gebruik gemaakt om om niets dan slechts over de kennelijk bloeddorstige en ongelóvige vikinghorden te vertellen. Vooral dat laatste stak hen. Roven en moorden was tot daar aan toe, maar dat dan zomaar om buit te maken en erop los te veroveren, dat was pas echt onbeschaafd. Goddeloos dus, om precies te zijn (kinderlijk primitieve superwezens als Thor en Wodan telden natuurlijk niet mee als goden).

Waardoor ik dus bij die Wickie en zijn ietwat sullige en goedbedoelende dorpsgenoten iedere keer even een ander denkraam moest zoeken.

Terug naar die man, die, terwijl ik dit zo overdacht, steeds meer op Oele, een buurman/overbuurman van Wickie begon te lijken. Maar dat was natuurlijk inbeelding.

De vrouw kwam terug en zette twee tot de rand gevulde plastic tassen voor de man zijn voeten en zei: ‘ik hoef alleen nog naar ‘Ajam Ajam’ voor de kip.’

De man knikte en toen ze wegliep mompelde hij: ‘Ajam… wie heet er nou Ajam? Zo lang als we hier komen vraag ik me dat al af. En waarom dan twee keer? Ik heet toch ook geen Oele Oele?’ Hij had het tegen mij. Maar ik liep nog bij Wickie in de straat, als het ware. ‘Hé, ik heb het tegen jou!’ riep hij.

Toen drong het tot me door. ‘Heet u Oele?’ Dat klonk verbaasder dan ik bedoelde.

‘Ja, heb je daar problemen mee?’

‘Nee, nee, natuurlijk niet. Maar geen naam die je vaak tegen komt.’

‘O, nou bij ons anders wel.’

Bij ons? Waar was dat dan? Ik stond toch gewoon ergens in het winkelcentrum Overvecht? In Utrecht, Nederland? Ik was nog nooit iemand tegengekomen die Oele heette en om één of andere reden leek het me helemaal vreemd om juist dáár een Oele tegen te komen.

‘Hoezo vreemd?’ vroeg de man, alsof hij mij gehoord had. ‘Jouw broer heet Wickie! Nou, ik weet niet wat vreemder is.’

Het leek me nutteloos om te zeggen dat mijn broer helemaal geen Wickie heet, temeer omdat de man zijn vrouw terug was gekomen met de kippen (‘ajam ajam’ in het Indonesisch, voor wie deze blog een beetje wil blijven volgen), twee ongeplukte kippen om precies te zijn, of misschien wel fazanten, die ze ondersteboven bij hun poten vasthield, alsof ze ze zelf net geschoten of gestrikt had.

‘Heb je het vuur al aangemaakt?’ vroeg ze aan Oele. En aan mij: ‘Eet je mee Halvar?’

Dat snapte ik dan weer wel. Vanwege zijn/mijn baard. Een Viking waardig, al zeg ik het zelf, hoewel die van Halvar verwoestend rood is en die van mij rustgevend grijs, wat ik persoonlijk dan wel weer mooier vind.

Ik heb de uitnodiging afgeslagen, want ik probeer vegetarisch te eten. Geheel tegen de mores van de meeste Vikingen in, die, als ik de juffrouw uit de tweede klas mag geloven, alles aten wat ook kon ademen. Op mensen na, hoewel haar geheimzinnigheid over de beestachtige gewoonten van de ongekerstende Noormannen me soms aan het twijfelen bracht. Misschien aten ze af en toe ook wel een overwonnen christen, als de gezouten rendieren die ze van thuis mee hadden genomen op waren.

Oele haalde zijn schouders op en liep weg. Het pakje Wicky liet hij achteloos vallen. Zijn vrouw hobbelde achter hem aan met de tassen. Toen ze een paar meter verderop waren zag ik snel mijn kans schoon.

‘Kijk, die vent’ hoorde ik de vrouw tegen haar man fluisteren, ‘die achterlijke staat een foto te maken van jouw pakje Wicky. Hij is niet goed bij z’n hoofd hoor, dat zei ik toch al meteen?’

Die Ylva, altijd even bijdehand!

p.s. Met dank aan Sander Keppel, die een paar jaar geleden de eerste zin van deze blog uit de mond van een vrouw voor de Aldi aan het begin van de Straatweg optekende, een bizar citaat dat ik nooit meer vergat, zonder te weten waarom, tot dus dat pakje Wicky zomaar op straat lag te schreeuwen om aandacht.