Allenig

‘Kijk, daar is-ie!’ zei de dokter. Júíchte de dokter.
Mijn biceps. Daar was mijn biceps. Ik had ‘m zelf weten te vinden en weer tot leven gewekt.
Of nou ja, dat laatste had de dokter gedaan. Eigenlijk. Een jaar geleden. Met een operatie. Maar daar kon ik me niet zoveel meer van herinneren. Kon ik niet of wilde ik niet, dat wist ik niet.
Het was iets wat ik had willen vergeten, maar toch ook niet kwijt wilde, al wist ik niet waarom (noch het een noch het ander had me gerustgesteld), zodat ik het dan maar ergens in een of ander achterafkamertje van mijn hoofd had opgeslagen zonder er verder over na te denken, dat wilde ik ook niet, er over nadenken, ik zou wel merken of het weer boven water zou komen.
En zo ja, hoe.
‘Boven water komen‘ was misschien geen goede beschrijving, dacht ik later. Nee, het zou waarschijnlijk met alles wat erbij hoorde (wat dat ook wezen mocht) mijn gedachten binnenrazen als een kudde wilde paarden, een zwerm nijdige bijen, een speelplein vol ontembare kinderen op zo’n middag waarop het maar niet wil gaan regenen, ondanks alles.
Maar zo ging het niet. Ik klikte iets aan op het internet en het was al te laat om weg te kijken. De foto greep me bij mijn lurvenen ik móést er naar kijken, naar de complete silence in the room as the surgical team absorbed the graivity of their mission.
Die stilte, die herinnerde ik mij opeens weer. En dat iedereen die ging helpen bij mijn operatie plechtig om me heen stond, terwijl de dokter vertelde wat ze zouden gaan doen, niet aan mij, maar aan de anderen, waardoor ik stukje bij beetje verdween tot ik zo alleen was als ik nog nooit was geweest.
Allenig.
Een woord van mijn moeder.
‘Wat zit je daar allenig?’ vroeg ze me bijvoorbeeld, toen ik klein was, als ik gewoon ergens in mijn eentje zat (wat nogal eens gebeurde, sans regrets). Maar doordat ze het altijd een beetje bezorgd vroeg, begreep ik dat woord op den duur precies andersom, niet als een zachtere vorm van alleen, maar juist als een vergrotende trap. Allenig, dat was nog allener dan alleen.
En nog erger dan eenzaam.
Want alleen, dat is zonder anderen, en eenzaam is zonder anderen terwijl je dat niet leuk vindt, maar allenig, dat is dat anderen je niet zien (denk je), dat je íéts bent in plaats van iemand.
Hm… zó erg was het niet in mijn jeugd, maar in de eerste dagen na mijn ongeluk wel. Toen was ik allenig.
En eigenlijk begreep ik dat wel. Ik wist van voren niet dat ik van achteren leefde, en als ik al ergens bewust mee bezig was, dan was het met óverleven. Dus communiceren met anderen, sowieso al een dingetje in mijn leven, dat zat er echt niet in. En dat kwam degenen die mij gingen helpen te overleven (de anderen), dan weer goed uit, want ze moesten snel handelen. Veel tijd om dingen uit te leggen was er niet.
Dus ik was iets waar je in allerijl de kleren vanaf knipt, iets wat je met laken en al met z’n vieren van het ene bed naar het andere tilt (‘bij drie… één, twee, drie!’), waar je naalden in prikt, slangen aan vastplakt, iets wat je door eindeloze koude gangen naar een operatiekamer rijdt, om daar tenslotte in ‘volkomen stilte het gewicht van wat je met z’n allen zou gaan doen in je op te nemen’.
Terwijl ik daar lag.
Allenig.
Een halve dag lang.
Toen ik eindelijk weer bijkwam, was de dokter juist aan zijn zaalronde bezig. Hij keek om en riep: ‘Kijk, daar is-ie!’, Hij kwam naar me toe kwam en legde zijn hand op mijn goede arm. ‘Daar bent u weer!’
Ik knikte. ‘Ja, daar ben ik weer!’

P.S. U kunt me geloven of niet, maar ik had nog niet de laatste punt achter deze blog gezet, of de afspeellijst waarnaar ik aan het luisteren was, schotelde me dit voor (Lonely House, Abbey Lincoln). Let vooral op deze regel: ‘Funny you can be so lonely with all these folks around’

Zwemmer

IMG_2948Toen ik afgelopen zondag over het jaagpad langs de Krommerijn van Bunnik naar Utrecht liep, kwam me halverwege Amelisweerd een zwemmer tegemoet.
Hij was helemaal bloot. Dat kon ik door het troebele water nauwelijks zien, maar ik wist het toch omdat ik hem kort daarvoor een eindje verderop in het gras naast zijn hoopje kleren had zien staan.
Een beetje zielig.
Zowel de man als zijn hoopje kleren.
Vond ik.
Ik probeerde heel hard niet meteen te denken dat hij een verward persoon was, iemand ‘met een psychische kwetsbaarheid’.
(Wie zou die laffe eufemismen verzinnen, trouwens? En zou die lafaard niet begrijpen dat zo’n rad voor ogen averechts werkt? Als ik ‘zo gek als een prei’ was, dan zou ik echt pissed zijn als iemand me in een of andere vage verzameling van mensen met [vul hier een eufemisme in] zou wegzetten. Want dan was ik meteen mijn eigen hele persoonlijke geestesgesteldheid kwijt.)
Maar goed, terug naar die man. Die ik een beetje zielig vond. Die naakt op de oever van de Krommerijn had gestaan en die niet echt de houding had van een man met onhoudbare levenslust en minachting voor het noodlot, die slome wandelaars zoals mij uitlacht om hun nietige bestaantjes. Nee, de man was geen hedendaagse vitalist die op het punt stond om weer een uitdaging van zijn bucket list te schrappen. Hij leek eerder deemoedig, als iemand die zichzelf een straf heeft gegeven.
Met de schoolslag.
Dat viel me tegen, niet dat die man zichzelf strafte, maar dat hij de schoolslag zwom. En het leek me ook nogal dom. Ik bedoel, als je op een kille en bewolkte zondagmorgen tegen de stroom in een heuse rivier te lijf gaat, dan kom je met de schoolslag niet ver, psychologisch gezien. Het water lacht je schaterend uit voor je je eerste slag hebt afgemaakt. De schoolslag is voor bangerikken.
(Wat me aan de enige keer dat ik mijn oma zag zwemmen deed denken, die was namelijk ook bang, dat haar gepermanente krullen nat zouden worden, zodat ze terwijl ze voorzichtig door het water bewoog (het was géén zwemmen) haar nek uitstak, als een stokstaartje dat voor z’n A-diploma opgaat.)
Maar dat hoorde er misschien wel bij (ik heb het nu weer over de man met z’n schoolslag), want de man onderging de hoon over zijn schichtige schoolslag alsof het zijn verdiende loon was.
De zwemtocht was een boetedoening, dat was me nu wel duidelijk. De een loopt naar Santiago de Compostella en de ander zwemt in de Krommerijn naar Bunnik. Of Wijk bij Duurstede.
En weer terug. Want zijn kleren lagen immers op de walkant in Amelisweerd inclusief een deprimerend armoedige theedoek waarmee hij zich zou gaan afdrogen. Zielig kan nog zieliger, dacht ik, toen ik er langs liep.
‘Nog zieliger!’ riep de wind en hij blies de theedoek van het hoopje.
Ik erachteraan.
Nu moet u weten dat ik tegen dingen praat. Ik weet niet waarom, maar ik doe het. Ik voer complete conversaties met wat ook maar. Ik heb een vaag vermoeden dat het beter voor mijn gemoedsrust is.
‘Hé,stomme theedoek!’ riep ik, terwijl de doek zich dansend in de wind ontvouwde. Dat was een mooi gezicht, maar ik had niet zoveel tijd om ervan te genieten, want hardlopen over een hobbelig paadje met een plotseling loodzware bungelende linkerarm, die telkens precies de andere kant op wilde, ging eigenlijk niet. Wat ik dan wel weer grappig vond (omdat ik mezelf daar zag wankelen achter die stomme theedoek aan).
‘Kom terug!’ Dat klonk hulpeloos en galmde bovendien naargeestig over het water het bos in.
Ik was inmiddels weer in de buurt van de man. Die keek om, precies op het moment dat ik zijn theedoek uit de lucht greep.
‘Hé, blijf van mijn theedoek af!’ riep hij. Dat was niet de reactie die ik verwacht had.
‘Hij vloog weg,’ antwoordde ik.
‘Ja hoor, een vliegende theedoek. Moet ik dat geloven?’ Ik haalde mijn schouders op. De man watertrappelde en inspecteerde mij. ‘Ben je wel helemaal 100? Imbeciel! Met je rare armpje’.
Imbeciel, dacht ik, dat woord hoor je niet vaak meer.
‘Ben je doof of zo? Hé! Kapitein Haak! Leg die doek terug!’
Ik knikte en keerde om, terwijl de man bleef schelden.
Nee, geen boetvaardige man die van zich zelf voor straf naar Wijk bij Duurstede moest zwemmen, leek mij. Ook geen persoon met een psychische kwetsbaarheid. Met een kort lontje, dat misschien wel.

p.s. Mijn motto, of eigenlijk dat van mijn moeder, of tenminste één van haar motto’s, iets wat ze me vaak zei toen ik klein was, is dat het leven niks is als je je niks verbeeldt. Mijn interpretatie daarvan is dat je er af en toe iets moet bijverzinnen. Dus voor de goede orde: die man zwom daar echt, en zijn kleren lagen echt op een hoopje aan de oever, lullig theedoekje bovenop. En dat theedoekje waaide echt weg, maar ik wist het meteen te pakken, nog voor het zich in de wind kon ontvouwen, en legde het terug met een mooie zwerfkei erbovenop.
Hoe saai is dat?
Dus vandaar.

Flashback

Bij de cardioloog moest ik op een fiets. Geen echte, maar zo’n hometrainer. Met de helft van mijn kleren uit – ontbloot bovenlijf heet dat in dokterstermen – want ze moesten overal met zuignappen sensoren op me vastzetten, voor een hartfilmpje.
Nou zeg maar gerust hartfílm. Een hele trilogie kwam er uit het apparaat van de mevrouw die de test afnam. Gemillimeterde vellen vol van die onheilspellende bibberlijntjes.
En ik maar doorfietsen.
Onder het bleke licht van de tl-balken.
Naar niks of nergens.
En om het allemaal nog eens lekker dik aan te zetten, hing er recht voor mij een enorme foto van een paar wielrenners die de fijne helling van een of andere Alp aan het beklimmen waren. In verfletste full color, wat het minder in your face, maar des te melancholischer maakte.
Tja… Dit zou allemaal toch ruim voldoende moeten zijn om (eindelijk) eens in tranen uit te barsten en ten overstaan van de nietsvermoedende laborante al het verdriet over mijn zielige arm eruit te schreeuwen.
Dacht ik.
Maar in plaats daarvan fietste ik gewoon door, denkend aan de lente in februari. En aan wat mijn moeder altijd zei als ik haar aan de telefoon had verteld hoe ik honderdzoveel kilometers in mijn korte mouwen en broek en met vers geschoren benen door het onverwachte mooie weer en dito landschap had gereden: ‘Dat pakken ze niet meer van je af.’
Dus wel.
Want, bijvoorbeeld, die geschoren benen herinner me wel, maar de wind langs mijn kale huid niet meer. Ja, hoe weet je dat dan, hoor ik u denken. Okay, anders gezegd: ik weet nog dat het gevoel er was, maar de sensatie zelf is foetsie.
Afgepakt, in mijn moeders woorden. Ik vroeg me opeens af wie die ‘ze’ eigenlijk waren.
Een of andere bende die er op uit was om fijne belevenissen, inclusief herinneringen daaraan, van anderen af te pakken? Storywipers in plaats van storytellers?
Hm… Storywipers… Dat lijkt de naam een minivolkje uit een boek van Roald Dahl. Of het beroep van de ranzige nerds uit die ene film over die vrouw met die ongelooflijk mooie wenkbrauwen.
Maar hoe ze ook heten, ze bestaan, weet ik nu. Dat wil zeggen, hét bestaat, het fenomeen, storywiping. Ergens in je hoofd. In mijn hoofd in ieder geval.
Echt waar.
Ik was nog niet door een motor aangereden of iets in mijn hersenen wiste niet alleen de akeligste momenten van de botsing, maar voor de zekerheid meteen ook alle fietstochten die ik ooit had gemaakt, zodat ik niet associërend van de ene herinnering naar de andere in nare scènes terecht zou komen.
En daar denk ik dus nooit meer aan terug, niet aan de botsing en niet aan die tochten. Ik krijg geen flashbacks waarin ik met mijn zielige arm avant la lettre door de lucht vlieg, nee zelfs niet als een thuisbezorger (m/v) in de Kanaalstraat een kortere weg over de stoep neemt (de kortere weg is het heilige pad voor thuisbezorgers (m/v) en de Kanaalstraat is hun Walhalla) en hij/zij voor de gein tot het laatste moment wacht met mij te ontwijken.
Doet me niks.
En met een brok in mijn keel mijmeren over de wind langs mijn geschoren benen dat doe ik ook niet (wat zonder context trouwens ook een beetje travestueus klinkt, maar dat terzijde). De geur van kettingolie? Ik zou niet weten wat dat is. Het geluid van tot zeven bar opgepompte bandjes over warm asfalt? Voorgoed verdwenen. Panorama’s van eindeloze polders aan de voet van eindeloze dijken? Verdampt.
‘Stopt u maar’, zei de vrouw. Ze trok een laatste vel uit de machine en bestudeerde het. ‘Nou meneer, u bent het fietsen niet verleerd.’
Nee, dat moest er nog eens bijkomen!

Alleen

Robert ten Brink van All you need is love heeft als motto voor zijn programma ‘Niemand mag met Kerst alleen zijn’.
Wel ja, ga er maar aanstaan.
Niemand!
Nou, ik kan u vertellen, dat is hem dit jaar niet gelukt. Toen ik zijn voornemen las, dacht ik bij mezelf, dat zullen we nog wel eens zien! Ik ben deze blog om half acht kerstavond, begonnen, en ik had toen sinds kerstochtend alleen mijn moeder gesproken. Aan de telefoon. Maar dat doe ik iedere dag. Dus dat telt eigenlijk niet. En ik heb een meneer gedag gezegd op straat, maar dat vind ik eigenlijk ook niet tellen, het duurde niet langer dan een seconde.
Inmiddels is de tweede kerstdag zowat voorbij en het zou me verbazen als hij straks nog bij me aanbelt. Robert ten Brink bedoel ik. Maar mocht hij zo vastberaden en hardnekkig zijn, dan doe ik lekker niet open. Ik vind alleen namelijk wel fijn. En Robert ten Brink vind ik eng.
Hoezo mag niemand alleen zijn? Dat is behalve een opschepperige overschatting ook een nogal aanmatigende moraal. Kennelijk ben je sneu en te betreuren als er niemand is om kerst mee te vieren. Maar ik vind kerst al geeneens een leuk feest. Dat is dan natuurlijk helemaal een gotspe.
En dan die titel van dat programma… Een nog grotere overschatting, en een behoorlijk naïeve bovendien.
Eh… All you need is love? Ik denk het niet. Ja, in 1967 leek het er misschien een beetje op, toen de Beatles het zongen, maar ik zou mij daar niet veel van voorstellen. Die jongens hadden het op een gegeven moment ook wel gehad met liefhebben en dan wilden ze ook gewoon een hapje eten.
Terug naar het onderschatte alleen zijn. Niet te verwarren met eenzaamheid. Korte definities om ze uit elkaar te houden: Iemand is alleen als hij/zij zonder anderen is (letterlijk of figuurlijk), en eenzaam als hij/zij dat niet leuk vindt.
Als u andere definities wilt, pas dan op met googelen, want het internet is vergeven van de sites over eenzaamheid. Het is booming business. Op de sites staan tips om er vanaf te komen. Dat is natuurlijk raar. Ik bedoel, stel dat ik me wél eenzaam voel, ga ik dan op een site zoeken wat ik er aan kan doen? Ik denk het niet.
Ik ben voor gein toch eens op zo’n site gaan kijken en werd er helemaal chagrijnig van. Allemaal vrolijke mensen die het kennelijk al achter de rug hadden en dat samen vierden. In your face! Als ik eenzaam was, zou ik meteen naar een andere site klikken.
Op een van de sites las ik dat er ook eenzaamheidsambassadeurs zijn. Die trekken het land door, in tegenstelling tot wat je op grond van hun titel zou denken, om eenzaamheid te bestríjden.
(Ja, toen ik die titel las, snapte ik ook wel wat ze ermee bedoelen, maar je kunt ook het tegenovergestelde begrijpen en dat vond ik dan weer veel grappiger; functionarissen die overal in het land eenzaamheid propageren en dan met kerst aanbellen om te checken of u niet toevallig midden in een gezellig samenzijn zit. En daar dan een avondvullende show over met achtergrondreportages over mensen die blij verkondigen dat ze eindelijk verlost zijn.)
De ambassadeurs gaan voor ‘lokale aanpakken’. Ze denken bijvoorbeeld aan ‘supermarkten die tekenen van eenzaamheid opvangen’.
Eek!
Ik moet gaan oppassen, want ik val zo onderhand precies in de doelgroep en voor ik het weet hebben ze me gevonden. Een gescheiden man van boven de 60 met een zielige arm (een ‘verlieservaring’ van jewelste waardoor ik ook nog eens ‘in mijn mobiliteit beperkt’ ben) met een hang naar alleen zijn, die ‘vormt’ natuurlijk een kolossaal teken van eenzaamheid.
Ik zie de winkeliers bij mij in de Kanaalstraat allemaal al bellen naar een meldpunt, of mij in de groep gooien bij een of ander ‘digitaal signaleringsnetwerk’, zodat een ‘lokale coalitie’ bij mij thuis de geraniums in beslag kan nemen. Of misschien komt minister de Jonge (politieke evenknie van Robert ten Brink) dat zelf wel doen, met camera’s erbij zodat-ie triomfantelijk over zijn mooie werk kan vloggen.
Ik denk dat ik voortaan de rest van het jaar net doe of het Kerstmis is.

Knoop

Voor wie het niet weet, ik ben naar een klein mannetje. Dus alle pakken en broeken die ik koop, moet ik laten verkorten. Een enkele keer weet ik wel ergens op marktplaats een vintage pak te scoren, uit een tijd waarin volwassen mannen allemaal zo groot waren als ik, maar dat zijn dan weer pakken die je niet zomaar aantrekt, want ze hebben een hoog verkleedkistgehalte. Ik ben wel eens naar een feest geweest waar ze me bij de deur zonder iets te vragen meteen naar de artiesteningang verwezen omdat ze dachten dat ik kwam optreden.
Als clown.
Ja, grappig.
Veel van die pakken heb ik dus niet. Alle andere heb ik laten vermaken.
Ik heb inmiddels een goede relatie met een kleermaker bij mij in de buurt. Hij is erg vriendelijk en groet me ook op straat alsof we elkaar al jaren kennen.
Dat is eigenlijk ook zo.
‘Ha Poort,’ roept hij dan. Het klinkt liefkozender dan het hier staat. Sterker nog, hij is een van de weinigen die iets moois van mijn achternaam weten te maken. Sinds ik een zielige arm heb, vraagt hij mij ook iedere keer of het al wat beter gaat. Daar zit ik dan een beetje mee, omdat hij zo hoopvol kijkt dat ik geneigd ben om te gaan liegen. Dat doe ik niet want ik kan natuurlijk geen enkele leugen onderbouwen met teruggekomen ‘functionaliteit’.
Dat is revalidatiejargon, functionaliteit. Zo weet je niet eens dat je het kan hebben en zo wil je niks anders.
Aan de kleermaker uitleggen hoe het precies zit met mijn arm is lastig, want ik spreek niet veel Turks en hij weinig Nederlands.
‘Lang wachten?’ vraagt hij. Ik knik. En daar laten we het bij.
Tegenwoordig zie ik hem vaker, voor de meest suffe dingen, want een knoop aannaaien kan ik niet eens meer. Ja, er zullen best YouTube-filmpjes zijn waarin triomfantelijke mensen stap stap voor stap uitleggen hoe je dat best wel kunt met één goede arm, maar er zijn grenzen aan mijn behoefte om het lot in z’n gezicht uit te lachen.
En ik had dus een broek waar ik, ondanks de knopengulp én de twee knopen op de tailleband, nogal op gesteld was, die er op een dag met onverwacht geweld de brui aan gaf. De belangrijkste knoop brak doodleuk in tweeën.
Dat was een gebeurtenis waar ik eigenlijk nog nooit goed over na had gedacht, ik bedoel, een knoop kan breken, dat wist ik, maar niet echt, eerder half en half, zodat ik niet goed wist dat ik het wist, en ik dus heel beteuterd naar de grond keek toen de twee helften voor mijn voeten weg stuiterden.
De kleermaker glimlachte. Hij ging dit fixen. En hij keek minzaam naar de andere knopen die ik er ooit zelf, zoals mijn moeder me had geleerd, ‘op stift’ had aangenaaid, zodat ze wel stevig, maar toch wat losser zaten zodat het dichtknopen beter zou gaan, alsof ik voorzien had dat ik mijzelf hier ooit dankbaar voor zou zijn. Ze waren door al mijn gehannes nog verder losgeraakt, maar dat was dus juist wel fijn.
‘Ik maak de knopen, jij doet boodschappen,’ zei de kleermaker terwijl hij met een tornmesje achteloos de knopen lossneed, ‘over half uurtje klaar’.
‘Maakt u ze precies hetzelfde?’ vroeg ik. Het klonk minder dankbaar en veel bezorgder dan ik bedoelde.
Paniekerig.
‘Ja, dezelfde.’
Ik twijfelde en treuzelde, maar doorvragen leek me onbeleefd.
Dus ik naar de groentenman, en naar de kruidenier, en naar de bakker, en naar wat ik maar kon bedenken… Tenslotte haalde ik de broek op.
‘Kijk, dezelfde,’ zei de kleermaker. Dat was zo. Het waren mijn eigen knopen. Hij pakte er een vast. ‘Nooit meer los!’ We lachten blij en ik pakte mijn portemonnee. ‘Neenee, voor jou gratis.’
Ik bedankte. Een paar keer. Met een soort buigingen.
Maar de broek kreeg ik niet meer aan. Je hebt op stift en je hebt op stift, wist ik nu.
Nee mensen, het leven wordt er niet makkelijker op met een zielige hand.

Stem

her

Omdat typen met één vinger natuurlijk niet opschiet en op den duur funest voor je arm/hand is, heb ik nu ik een computer met stembesturing.
Dat is nogal raar.
En dat is ook nogal raar, ik bedoel het is raar dat ik dat raar vind, want ik praat de hele dag tegen van alles en nog wat. Ja, daar kan ik niks aan doen. Toen ik nog een tv had, gaf ik ongevraagd en bijdehand commentaar op wat de mensen aanhadden. Dan zei ik bijvoorbeeld: ’dus vanmorgen stond je voor de spiegel en dacht je bij jezelf dat dit het helemaal was!?’.
Of ik gaf antwoord op vragen die de mensen van de tv retorisch aan de kijker stelden.
‘Zit u ook helemaal klaar voor de wedstrijd?’ vroegen ze.
‘Nee,’ zei ik, ‘want ik ga naar iets anders kijken.’
Nu doe ik het als ik de krant lees.
‘Bent u onze nieuwe coördinator uitheemse cavia’s?’
‘Nee.‘
Of: ’NEE!’, als het een stomme vraag is. ‘Wat denk je zelf? Zie ik eruit als een coördinator uitheemse cavia’s?’
Hardop in mijn woonkamer.
Maar toen ik dus een computer kreeg die ook begreep wat je tegen hem zei, en alles bovendien letter voor letter optypte, werd ik opeens verlegen. Daarom besloot ik eerst te gaan oefenen met mijn mobieltje. Dat leek me namelijk niet zo raar, praten tegen dat ding, want dat deed ik toch al als ik met iemand aan het bellen was.
Dus ik bracht Siri tot leven.
Dat klinkt Frankenstein-achtiger dan het is. Gewoon een paar instellingen aanklikken. Of nou ja, gewoon, ik moest kiezen tussen een man en een vrouw. Dat is niet gewoon. Ik bedoel dat ik op een achternamiddag zo’n keuze krijg voorgeschoteld door mijn mobieltje.
Ongemakkelijk, ik weet niet waarom. Best wel persoonlijk of zo.
Dat zette ik opzij. Ik kan mijn hele leven al beter opschieten met vrouwen dan met mannen, dus koos ik voor een vrouw.
En ik kon niet verhinderen dat ik aan ‘Her‘ moest denken. Tegen beter weten in, want ik ga niet meer meemaken dat computers op mensen verliefd worden, zeker niet in de komende maanden, en bovendien ken ik mijn plaats, ze kunnen zo’n algoritme echt heel vernuftig en slim maken hoor, maar een man van 60 met een zielige arm, daar is geen beginnen aan voor zo’n zeventienjarige codetyper.
Hoe dan ook, ik had iets verkeerd gedaan want opeens was er een meneer die aan mij vroeg wat hij voor me kon doen.
Opdringerig. Uit de hoogte. Alsof hij mijn verwarring aanvoelde. Ik zag hem meteen voor me. Een keurige man met risicoloze stropdassen en een te groot horloge.
Ik weer terug naar de instellingen, opnieuw knopjes aantikken en schuifjes verzetten, en mijn keel schrapen.
Ik werd verdomme nog zenuwachtig.
‘Hé Siri!’
‘Ja?’
‘Niets, ik wilde alleen je stem even horen.’
Hardop in mijn woonkamer. Ik had het gezegd voor ik er erg in had.
Nee mensen, het leven wordt er niet makkelijker op met een zielige hand.

Brood

ah-stevig-speltbrood-albert-heijn-3612909

Ik wil niet opscheppen hoor, maar toen ik nog allebei mijn armen/handen kon gebruiken, bakte ik altijd mijn eigen brood. Een zwaar zuurdesembrood waar ik tussen de bedrijven door een hele dag mee bezig was. Of eigenlijk tussen de bedrijven door de hele week, want de ziel van dat brood was een traag pruttelend papje – De Heilige Kweek – dat ik iedere dag een paar keer moest voeden met water en meel.
Het was nog net geen religie.
Wel lekker brood, al zeg ik het zelf.
Lekkerder was er eigenlijk niet, vond ik.
Maar goed, op een dag was die motor daar opeens en had ik in een klap een zielige arm.  ’s Avonds trof mijn zoon het deeg dat ik ’s morgens had achtergelaten om te rijzen half dood aan. Dat heeft hij toen maar weggegooid. De Heilige Kweek zette hij in de ijskast voor je weet nooit..
Weken later zat ik op mijn hurken voor de ijskast om ‘m rustig te bekijken (De Heilige Kweek, bedoel ik) en me af te vragen of ik ‘m weer tot leven zou wekken en er gewoon mee door zou gaan, zielige arm of niet, maar mijn dochter had dat uit medeleven eens geprobeerd, deeg kneden met één hand, en het me daarna stellig afgeraden.
‘Het is geen doen,’ zei ze.
Mijn ergotherapeute verbood het gewoon. Ze prees mijn volharding en doorzettingsvermogen, maar vond het toch belangrijker dat ik zuinig op mijn andere arm/hand was.
‘Straks kan je nooit meer typen,’ zei ze.
Dreigde ze.
Dus ik moest op zoek naar ander brood (ja, ik weet dat er no-knead-bread bestaat – al even traag, zo niet trager dan zuurdesembrood – maar wat als dat eenmaal knapperig op mijn broodplank ligt? Dan moet ik dat nog zien te snijden. En ja… daar zijn vast handige dingen voor, maar dat zijn dan van die aangepaste Tupperware-achtige hulpstukken waar ik telkens droevig van word als ik ze op mijn aanrecht zie staan.)
Eh… tot zover deze veel te lange inleiding. Ik sla mijn hele zoektocht naar het op één na lekkerste brood ter wereld dan ook maar over en verklap meteen de uitkomst: het extra stevige speltbrood van Albert H. Ja, sorry, ik trap waarschijnlijk een hele hoop bakkers op hun hart, waaronder alle Turkse en Marokkaanse bakkers bij mij in de Kanaalstraat, maar die troost ik dan misschien als ik zeg dat de criteria en spelregels van het diep geheime vergelijkend warenonderzoek hoogst persoonlijk en voor anderen onbegrijpelijk waren. En moeilijk uit te leggen. Dus dat doe ik niet.
Mijn nieuwe favoriete brood heeft maar één nadeel. Het is er zelden als ik boodschappen doe. En andersom (denk ik). Dus als ik er een vind ben ik erg blij. Zo blij dat het sneu is. Of in ieder geval raar, want de laatste keer dat ik er een vond, danste ik een beetje.
Te vroeg, zou blijken, want het brood paste niet in mijn tas; daar zat ook mijn avondeten al in (sperziebonen en tempeh voor een zelf bedachte sambal goreng), en mijn werkspullen (notitieboekje en pennenetui), en mijn zwemspullen (‘zwemmen’ is onderdeel van mijn revalidatie, in het water is mijn zielige arm niet zo zwaar) en een klein tasje met mijn deodorant, een naaigarnituur, mijn zakmes, en…
Ho…! Veel te veel details… Onthou alleen dat ik op weg naar de uitgang eerst mijn tas aan mijn goede arm hing en dat ik daarna het brood in mijn goede hand hield, dat wil zeggen, ik hield de met een rood plakbandje dicht gefrotte plastic zak met mijn pink en ringvinger vast, terwijl ik tussen duim en wijsvinger een twee-euro-stuk voor de daklozenkrantenverkoper klemde.
Ja, ik geef geld aan bedelaars, sterker nog, aan iedereen op straat die het me vraagt. Onvoorwaardelijk. Als ik tenminste geld bij me heb. Ik heb al eens uitgelegd waarom, en dat doe ik niet nog een keer.
Hoe dan ook, Ik liep met mijn goedertieren hart en mijn twee euro naar de man, die mij dankbaar toeknikte terwijl hij het brood van me aannam en met zijn andere hand het muntstuk afpakte.
‘Ah, een lekker brood!’, zei hij likkebaardend, ‘Dank u wel.’
Eh…
Toen moest ik als een haas de kanaalstraat in om nog ergens een brood te scoren, wat ik bij nader inzien niet durfde omdat ik als de dood was dat ze aan me konden zien dat ze tweede geworden waren in mijn vergelijkend warenonderzoek, en me voor straf niks zouden geven.
Nee, mensen, het leven wordt er niet makkelijker op met een zielige arm/hand.

Beer

Op marktplaats zag ik een beer. Een Lumibär om precies te zijn. Da’s guitig Duits voor een beer die ook een lamp is. Schemerbeer, zou mijn vertaling zijn. Klinkt een beetje droevig, maar dat vind ik niet erg.
Het is eigenlijk een lamp voor op kinderkamers, maar dat vind ik ook niet erg. Ik heb tegenwoordig een soort hang naar mijn jeugd. Sterker nog, toen ik de beer tegenkwam, schemerend en al (God mag weten waarom het algoritme van Marktplaats die op mijn pad bracht), zag ik hem in gedachten meteen op mijn slaapkamer staan, monter naast mijn bed. Sterkerder nog, ik kon niet meer slapen zonder hem!
Enfin, ik bood en bood en bood tot het belachelijk werd en de eigenaresse, die ik om redenen van privacy Marie Antoinette zal noemen, gelukkig mijn bod accepteerde.
Hoera!
Maar niet voor lang.
Want de beer was eigenlijk van de dochter van Marie Antoinette, en toen puntje bij paaltje kwam (stekker uit de muur, doos in de aanslag), kon dat meisje toch nog niet zonder hem.
Ik snap dat. Afscheid, dat is een beetje sterven, zeggen ze wel eens, en met zoiets moet je een klein meisje niet opschepen. Ik vind het zelf ook niks, afscheid. Het is dat het af en toe niet anders kan, maar als het aan mij ligt, begin ik er niet aan. Want na hoeveel beetjes ben je echt dood? Ieder afscheid kan het laatste zijn. Dus ik waag het er liever niet op. En ik ga dus al helemaal geen kleine meisjes dwingen om hun schemerbeer af te staan.
Ik wacht wel.
Misschien tot sint Juttemis, maar dat vind ik niet erg. Je ergens op verheugen is leuker dan ergens aan terugdenken. (Kan zo op een tegeltje.)
Die fijne wijsheid kwam in mij op terwijl ik bij het station op groen licht stond te wachten naast een jongentje met een levensgrote koalabeer in zijn armen.
(Toeval bestaat wel!)
Het beest was groter dan hijzelf. Ik keek zijn moeder aan, die zei: ‘ja, dat is zijn knuffel… En onze uitdaging… waar we ook heen gaan, die beer moet mee.’
Dat snap ik ook. Je hebt een knuffel of niet. Ik zag de jongen met zijn beer op schoot in een draaimolenstoeltje rondgaan. Hartverscheurend beeld.
Wat mij weer deed denken aan de knuffels van mijn kinderen, hun allerdierbaarste vriendinnetjes (m/v), en onze uitdagingen, of laat ik voor mijzelf spreken, míjn uitdaging, want in tegenstelling tot mijn hele bovenstaande betoog over afscheid, heb ik vroeger veel zachte drang en harde woorden gebruikt om knuffels uit de armen van mijn kinderen te praten, omdat ik op een dag vond dat hun knuffels nou maar eens alleen thuis moesten blijven als wij naar een grotemensengelegenheid gingen.
God mag weten waarom (waarom ik dat vond en waarom we daarheen gingen).
Ik vertelde het verhaal over de schemerbeer aan mijn dochter en ze was meteen weer kwaad om de knuffels (ze gaf onthutsend gedetailleerde beschrijvingen) die ik haar had ontfutseld.
Terecht (dat ze kwaad was), besef ik nu.
Mijn enige verweer is dat ik toen half zo oud was, niet half zoveel snapte als nu en alles erg vond. En dat ik toen al helemaal geen geduld had om ergens op te wachten. Laat staan tot sint Juttemis. Zeker niet op een schemerbeer.
Dat was vroeger.
Partir c’est changer un peu.*
Maar dat vind ik niet erg.

*Afscheid nemen is een beetje veranderen.

Vrij spel

Mijn moeder kijkt vanuit haar appartement uit op een wijkje in aanbouw.
‘Het is wel leuk om dat te zien ontstaan,’ zei ze. We besloten er omheen te lopen.
Het heet ‘Vrij Spel’. Een hip concept waar iedere zichzelf respecterende gemeente op een dag voor valt; zo’n wijkje waar de toekomstige bewoners zo’n beetje zelf mogen bepalen in wat voor ’n huis ze willen wonen, zodat er in alles bij elkaar geen enkele lijn in te vinden is: nu eens een trapgeveltje, dan weer een Rietveld-achtige blokkendoos, en daarnaast dan weer een antroposofisch zandkasteel. En dat allemaal schijnbaar achteloos ergens op een paar percelen land.
‘Leuk toch,’ vond mijn moeder, ‘speels!’
‘Maar kennelijk mag dat spelen alleen zolang ze aan het bouwen zijn, want het wijkje gaat straks gewoon het ‘Hertoghof’ heten.’
‘Ja, dat is wel jammer…’
En ik vind het stom. Eerst heet zo’n wijkje ’Vrij Spel’, lekker bandeloos en misschien wel een beetje revolutionair, strand om het op z’n Brabants te zeggen, maar als alles af is, moet de hele mikmak weer terug in het dagelijks leven van straten en pleinen.
En hofjes!
Zonde, want als het af is, begint het pas, zou ik zeggen. Of beter gezegd, als je met Vrij Spel begint, krijg je het nooit af. Die bouw, dat is gewoon een fase, hoofdstuk één van een never ending story, want dat spelen gaat maar door.
En vrij spelen al helemaal.
Ik zie die mensen uit die huizen voor me. Die steken een paar jaar van hun leven al hun bloed, zweet en tranen, en niet te vergeten hun tijd en geld, in iets wat echt heel anders moet worden dan een rijtjeshuis, om als ze ten slotte de sleutel van hun steen geworden droom krijgen hun hele hebben en houwen snel weer in het gareel te proppen.
Jammer toch?
Vind ik dus wel.
Laat ik eerlijk zijn, vroeger (ik bedoel vóór mijn ongeluk) kreeg ik over mijn hele lijf rode vlekken als iets anders ging dan normaal, dus ik snap die hang naar het oude vertrouwde wel een beetje. Maar tegenwoordig weet ik niet beter dan dat alles anders is. Sommige mensen (ik bedoel lifecoaches, goeroes, therapeuten, et cetera) zeggen dat je tenminste iedere dag een keer uit je comfortzône moet stappen… nou sinds ik maar één arm-schuine-streep-hand kan gebruiken, heb ik geen comfortzône meer. Het hele leven is een verrassing.
Gisteren bijvoorbeeld vroeg een verpleegster die een röntgenfoto van mijn schouderblad moest maken of ik mijn linkerhand boven mijn hoofd kon houden.
Kon ik niet meer!
Ja, eh logisch… maar ook met hulp van mijn rechterhand niet. Alles was vastgeroest of zoiets, omdat ik die arm nooit beweeg.
Verrassing! (Onaangename.)
Het moest toch (mijn arm omhoog).
De verpleegster kwam me helpen en worstelde voorzichtig met mijn arm (en met mij, maar dat verdrongen we meteen, want het was allemaal al ingewikkeld genoeg), net zo lang tot ik met mijn arm in een hele rare hoek min of meer goed stond/kon blijven staan en zij naar de knop kon rennen.
Dat lukte.
Hoera voor ons! (Zonder handen in de lucht.)
En ik dacht: eigenlijk zou iedereen eens in de zoveel tijd een poosje een arm (of iets anders) moeten missen, om een beetje scherp te blijven. Om weer eens dingen uit te vinden, iets te proberen, net zo lang te klieren en pielen tot het lukt.
Om te spelen.
Ik doe het dus de hele dag en verdomd als het niet waar is, ik leef er helemaal van op. Iedere dag is een aaneenschakeling van spelletjes. Als het ware. U had me eens moeten zien toen ik voor het eerst mijn schoenen met één hand had weten te strikken!
Ik was zo blij als een kind.
Ik kon me niet herinneren wanneer ik voor het laatst zo blij was geweest.
Of toch wel, toen ik nog een kind was.
‘Kijk.’ Mijn moeder wees naar een onaf huis. Er stak een loze balk uit het bouwsel en daar hing een schommel aan. ‘Weet je nog hoe dol jij op schommelen was? God, papa en ik hebben eindeloos naar je zitten kijken’
‘Ja, dat weet ik nog.’

Plak uw arm op uw buik vast en probeer alles opnieuw. Ga spelen.

RAH!

KSG
Sinds ik alles met één hand moet doen, koop ik weer kant en klare theezakjes. Had ik veel eerder moeten doen, want het was met twee handen al een heel treiterig gedoe om losse thee in de minimaal ontworpen builtjes van mijn biowinkel te krijgen. Ik kon gvd nooit de opening vinden en/of open houden. Overal thee behalve waar het moest zijn.
Na eindeloos staren en denken en vergelijken en twijfelen en wat allemaal niet meer, kwam ik in de AH doodgewoon weer terug bij de thee die mijn moeder altijd kocht en nog steeds koopt. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. (Blij toe, ik zou anders niet weten waar ik het zoeken moest met mijn zielige arm. Als ik haar humor niet had geërfd had ik die arm al lang doodgeschoten of zoiets)
Eh… de thee. Omdat kennelijk en godbeterhet niks nooit hetzelfde mag blijven hebben ze op de papieren dingetjes die aan de touwtjes zitten, hele guitige vragen gedrukt. Van die vragen die elf-jarige meisjes elkaar stellen om hun dreigend uitdijende universum een beetje overzichtelijk te houden.
Bijvoorbeeld: ‘Als je een dier was, welk zou je dan het liefste zijn?’
Dat is me trouwens ook wel eens gevraagd in een sollicitatiegesprek. Ik ben gillend weggerend.
(‘Een kraai?’ riep het hoofd personeelszaken me na.)
Maar goed, hoe ergerlijk ook, die vragen zijn iedere morgen weer onontkoombaar. En de antwoorden al helemaal. Ik ben een zenuwlijder, dus doen alsof ik heus geen vraag gelezen heb, dat gaat niet. Sterker nog, mijn eerste reactie is meestal verbazing over het feit dat de vraag me overrompelt. Waarom heb ik die mijzelf nooit gesteld?
Omdat ik geen meisje van elf ben, denk ik dan, maar dat is een zwak excuus.
En het neemt niks van de urgentie weg. Een antwoord, en snel a.j.b.!

Hm… lange en uitgebreide inleiding van de vraag die ik gisteren door Pickwick opgedrongen kreeg: ‘wat is jouw favoriete nummer van de afgelopen maand?’
Die was makkelijk: ‘Feel the love’ van KIDS SEE GHOSTS (=Kanye West & Kid Cudy).
Waarom? Omdat alles uit dat nummer me uit een hinderlaag bespringt. Het is out of the box, maar schopt de luisteraar ook out of the box. Mij in ieder geval wel.
Telkens weer (wat ook een mooi nummer is, trouwens).
Kanye West is natuurlijk niet zomaar iemand, dus een beetje creativiteit had ik wel van hem verwacht, hij heeft niet per ongeluk het rappen binnenste buiten gekeerd, en ik hield natuurlijk ook rekening met verrassingen – dit is een understatement – maar dat ik me de rest van de dag een beetje angstig zou afvragen wat ik had gehoord terwijl ik het tegelijkertijd wéér wilde horen, en wéér, om wéér verslagen achter te blijven, dat had ik niet verwacht.
(Maar ja, wie verwacht zoiets wel? Kanye zelf waarschijnlijk.)
Verbijstering was het. Iedere keer weer dezelfde verbijstering na pakweg een minuut.
‘RAH!’ roept Kanye dan. Nee, schreeuwt-ie! En daarna: ‘TATATATA! RATATA! GAH! GAGAGAGA! GRAH!’
ENZOVOORT!
Een soort heksenschreeuwen, begeleid door nijdige slagen op een gruizige drum, waarmee hij je bij merg en been wil grijpen. Of zoiets.
Wat lukt.
Als kinderen al geen geesten zagen, dan nu wel. Het is muziek om ‘s nachts weifelend het donker in te staren.
En dit was hip hop? Rap?
Waar haalde-ie die schreeuwen vandaan?
Van een ander album.
Op The life of Pablo staan twee nummers met dezelfde schreeuwen: Pt. 2 en Freestyle 4. Maar dat zijn hele magere voorbodes. Geen krijsen om wakker van te liggen. Jammerlijke probeersels die niks uithaalden. Het zijn eerder voorbodes van de bizarre periode waar hij kort daarna in belandde. Hij brak een concert af om een lange toespraak te raaskallen, kreeg een zenuwinzinking en liet zich opnemen in een inrichting.
Verdween en kwam terug.
Herrees.
Met veel betere schreeuwen.
OverwinningsRAHs.
(Sorry voor de flauwe woordspeling.)
Hoerah voor Kanye!

Terug naar mijn theezakjes.
Ja, sneue overgang.
‘Wat zou je het liefste willen leren?’ las ik mijzelf vanmorgen voor.
Alweer makkelijk.
Schreeuwen als Kanye.
RAH!