Eigenlijk wilde ik helemaal niet eens opstaan en naar beneden lopen om open te doen, want ik zat in mijn leunstoel te niksen, maar ik ben natuurlijk veel te nieuwsgierig om dat vol te houden, zeker als de bel gaat, dus ik deed het toch (liep de trap af en haalde de deur van het slot), en nodigde van de weeromstuit een vreemde vrouw binnen omdat ze zo verdrietig keek dat mijn hele verdediging in een paar tellen afbrokkelde, en stonden we even later na twee zwijgend bestegen trappen voor mijn slaapkamerraam om in de binnenplaatsjes achter mijn huis naar haar verloren kat te zoeken.
Henk.
Rare naam voor een kat.
Vond ik.
Maar het leek me ongepast om daar nou over te beginnen en bovendien durfde ik dat niet, want ik was al ver, vér buiten mijn comfortzone terwijl ik er een nota bene een ander, een volslagen vreemde nog wel, in had toegelaten. Dat was misschien vragen om moeilijkheden.
Dus hield ik mijn mond.
Ik dacht wel van alles, bijvoorbeeld dat Henk een geliefde van haar was (geweest), die nu als avonturier en matroos eerste klas, of zoiets (zéker geen tweede klas), op grote oceaanstomers voer en maar zelden aan wal kwam, maar wiens geest voor zijn vertrek in hun kat gevaren was (pun intended, ik kon het niet laten).
De vrouw had van buren en daar weer buren van gehoord dat er ergens achter mijn huis telkens een miauwende kat te horen was.
Dat klopte.
Misschien was dat Henk, dacht ze.
Dat Henk er heel anders uit zag, de kat achter mijn huis was rood en Henk was grijs, en dat die rooie dus al een jaar lang iedere dag een mengeling van klagen en zich geen raad weten aan het roepen was, dat had haar hoop niet gebroken toen ik haar die feiten plompverloren voor de voeten had gegooid.
Ze wilde dat andere beest met haar eigen ogen zien.
Dus stonden we daar en tuurden we naar beneden.
Sip.
Zij omdat ze Henk miste (2x), en ik omdat ik aan mijn eigen kat terugdacht, een somber en schuw dier dat ik, vanwege dat ik godbeterhet natuurlijk maatschappelijk betrokken moest doen, bij het asiel had gekocht, inclusief een gebruiksaanwijzing van vier aan elkaar geniete a4tjes, want het was een kat ‘met een vlekje’.
Een paar vlekjes, eigenlijk. Meer vlekjes dan ik in de instructies en op internet kon vinden.
Dat had ik weer.
Ik snapte ook wel dat ik dat niet als een persoonlijke afwijzing moest opvatten, maar toen ze na twee weken nog niet onder de bank vandaan wilde komen, behalve om te eten, en dan alleen nog als ik in een hele andere hoek van de kamer ging staan, werd ik er toch wel een beetje droevig van.
Net zo droevig als de vrouw naast mij, die nog steeds alle koertjes en schuurdaken afspeurde op zoek naar Henk. Of de rode huilkat, want als ze die spotte dan kon ze, hoe treurig ook, de hoop dat het Henk kon zijn van haar lijstje schrappen.
En verder zoeken.
Mijn kat en ik, dat wil zeggen, ík in ieder geval, probeerde(n) een paar maanden met elkaar samen te leven, maar echte liefde zoals de liefde van de vrouw voor Henk (2x) werd het nooit. Bij lange na niet. Een vreedzame co-existentie was het op zijn best, maar hoe nep en broos die was, bleek toen ik haar, nota bene voor haar eigen bestwil, naar de dierenarts moest brengen voor een spuitje tegen een of andere kattenziekte.
Ze moest in een draagbaar gevangenisje.
En dat wilde ze niet.
Kon ik me voorstellen.
Maar het moest toch echt.
Mijn charme legde het op een hele sneue manier af tegen haar achterdocht. Al meteen bij mijn eerste poging haar de cel in te lokken rook ze onraad, en niet veel later, na een onterend gevecht dat ik kansloos verloor, had zij zich sissend en blazend weer onder de bank verschanst.
Het was een van die momenten in mijn leven waarop ik besefte dat het allemaal anders moest. Terwijl ik op mijn buik met bloedende handen en armen haar met kattenlekkernij probeerde te naderen, zag ik mezelf daar opeens liggen, met afstand machtelozer dan ik ooit was geweest…
‘Oké, jij wint,’ zei ik.
Tegen mijn kat.
Na drie dagen wist ik haar eindelijk in het traliemandje te krijgen (nadat ik haar uitgehongerd had en met voer naar binnen had gelokt), zodat ik haar naar het asiel kon terugbrengen, inclusief gebruiksaanwijzing en vlekjes. Het was een van de donkerste dagen in mijn leven.
‘Kijk, daar is hij!‘ riep de vrouw.
De rode kat. Hij keek ons recht in de ogen en dacht bij zichzelf: wat een sukkels.
‘Get a life!’ miauwde hij.
Of zoiets. Zo klonk het ten minste.
Dacht ik.

Een gedachte over “Henk”