Omgekeerde avondklok

Mijn moeder moest natuurlijk aan de oorlog denken. ‘s Avonds binnen blijven, daar is niks aan. Zeker niet als het moet.
Maar stiekem de straat op, dat is ook niks.
Zoals ‘tante’ Lenie, kort na de oorlog. Tante-tussen-aanhalingstekens, want tante Lenie was een tante die geen tante was, maar de huishoudster van mijn opa (een weduwnaar met vijf kinderen). We wisten niet waarom we haar tante noemden, dat was gewoon zo.
Bij mijn moeder thuis noemde iedereen haar ‘grote Lenie’, want een van mijnmoeders zussen heette ook Lenie, die dus ‘kleine Lenie’ was. Voor mij en mijn neven en nichten was dat nogal verwarrend, want ‘grote Lenie‘ was toen wij opgroeiden helemaal niet zo groot meer, en ‘kleine Lenie’ was inmiddels behoorlijk gegroeid.
Grote Lenie was zwanger. Ongewenst zwanger. Niet getrouwd met de vader. Helemaal niet getrouwd zelfs.
Geen goed begin van je volwassen leven in de jaren 40.
Ik weet niet of mijn opa daar bij stil heeft gestaan. Volgens mijn moeder wel.
‘Hij kon tante Lenie’s hulp natuurlijk goed gebruiken maar andersom hielp hij haar ook.’
Vanaf dat tante Lenie een buik kreeg, kon zij niet meer over straat naar huis, want haar moeder schaamde zich voor die buik van haar dochter. De ongewenste buik. De heel erg niet-katholieke buik. Dus kon tante Lenie alleen na zonsondergang naar huis. Als niemand haar kon zien.
Een omgekeerde avondklok.
Mijn moeder moest dan met haar mee om haar te begeleiden, want tante Lenie was nachtblind.
‘Als we het trottoir af moesten, fluisterde ik “poets” en daarna weer als we het trottoir óp moesten. Vraag me niet waarom. Het was een soort geheimtaal (stoep achterste voren) die het tenminste een beetje leuker maakte. Tante Lenie moest er om grinniken.’
Iedere keer als mijn moeder dat verhaal vertelt (ik kom uit een familie van verhalenvertellers en er is niets leukers dan een verhaal opnieuw vertellen), zie ik dat voor mij; een meisje van een jaar of twaalf dat in het donker Grote Lenie bij de arm neemt om haar stiekem door de straten van Amsterdam naar haar moeder te loodsen. Ik hoor zelfs haar “poets“ tussen de huizen kaatsen.
Wat ik als kind nooit begreep, was dat een moeder zich voor haar eigen kind kan schamen. Tegelijkertijd begreep ik niet dat de moeder van tante Lenie ondanks de schande toch haar dochter in huis duldde. Dat het leven in het algemeen en liefde in het bijzonder volstrekt onlogisch zijn, begreep ik toen nog niet, of wilde ik niet begrijpen. Hm… laat ik maar bekennen dat ik lange tijd iemand was die hom of kuit wilde en niks daartussen, vage onlogische dingen gingen er bij mij niet in, wat op een bizar tegenstrijdige manier het leven alleen maar ingewikkelder maakte, besef ik nu. Af en toe iets onbegrijpelijks aanvaarden maakt het allemaal een stuk makkelijker. Rara hoe kan dat.
Eh…
Na de bevalling ging tante Lenie met haar dochter op een kamer boven mijn opa’s huis wonen, drie hoog achter. De dochter heette Sjaantje en ze werd mijn moeders nepzusje (hun eigen term), en toen ik geboren werd was ze mijn nicht. Ook onlogisch, maar ook een onoplosbaar dilemma: of ze was de dochter van mijn tante en dus mijn nicht, of ze was de zus van mijn moeder en dus mijn tante (de toevoeging ‘nep’ laat ik weg omdat het anders nog ingewikkelder wordt).
Vraag me niet waarom ik dit allemaal vertel, maar als ik het niet doe, word ik gek, want ik heb er vroeger heel veel over nagedacht en opeens dacht ik, nou schrijf ik het op.
Eh…
Met een baby op drie hoog achter terwijl je andermans huishouden runt, dat is niet leuk. Een soort lockdown. Geen perspectief.
Maar nergens een datingsite of Tinder te bekennen natuurlijk. Dus tante Lenie bleef alleen met Sjaantje. Toch kwam het goed, want hoewel niemand toen wist wat netwerken waren, bestonden ze toch en de pastoor van tante Lenie’s parochie (O. L. Vrouwen der zeven Smarten – 7!) kende de collega-pastoor van een naburige parochie (Nicolaas en Barbara, alias ‘De Liefde’ – zoiets verzin je niet), die een jonge weduwnaar met drie kleine kinderen in zijn kudde had. Deze man en tante Lenie waren een match (avant la lettre), of in ieder geval een geluk bij een ongeluk.
Vonden de pastoors.
Dus ze arrangeerden een huwelijk. En tante Lenie trouwde met oom-tussen-aanhalingstekens Karel.
En ze leefden nog lang en gelukkig.

P.S. Misschien vraagt u zich af en waarom tante Lenie niet met mijn opa trouwde. Dat heb ik me ook vaak afgevraagd, en ik heb het aan mijn moeder gevraagd, die het zich ook had afgevraagd.
Meer niet.

Een gedachte over “Omgekeerde avondklok

  1. Even een bericht van “Sjaantje”. Wat een leuk stukje weer Rene, en zo herkenbaar. Haha. Ik stuur het door naar M&S, weten zij ook meer hoe het gegaan is. Dank je wel.

    Like

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.