Alle berichten door René Poort

Onbekend's avatar

Over René Poort

Ik ben een schrijver en schrijf over alles wat me voor de voeten komt. Vaak in een blog, soms in een roman, & op mijn werk in memo's, notities & plannen van aanpak. De rode draad is dat het leven een heel gedoe is. Ingewikkeld. Maar als ik daar niet over schrijf, word ik gek.

Wolf en Lynx

Nou was er wéér gedoe om een wolf. In Brabant. 

Om een of andere reden vind ik dat ook geen provincie voor wolven. Ja, in het Brabant van de 80-jarige oorlog zou het misschien niet raar zijn geweest. En daarover dan een verhaal van Suske en Wiske: ‘De Winkelse Wolf’. Vraag me niet waar of wat Winkels is, dat heb ik zelf net verzonnen. Het klinkt wel Brabants vind ik.

Maar goed, er was daar opeens zo’n beest en ze wisten zich er geen raad mee. Dus kwamen er experts aan het woord, zoals een meneer van de Zoogdiervereniging… wat ik dan weer hebberig vind, zo’n naam, op het megalomane af, want zo’n vereniging speelt meteen de baas over alles wat min of meer aaibaar is of een zeekoe (die vind ik niet aaibaar). 

Maar goed, die expert van de Zoogdiervereniging… die zei dat ‘bestuurlijk Nederland het moeilijk vindt om samen te leven met de wolf’. 

Goh.

Probeer het zelf eens, zoogdiervereniger!

Ik heb het gedaan, een fijn staaltje van investigative journalism, al zeg ik het zelf, maar het viel niet mee. Zindelijk worden ho maar, meneer ging op pad zo het hem uitkwam en na twee weken waren alle katten in de wijk al op. Als ik hem riep – ‘GW1625m!’ – deed-ie of ik Spaans sprak.

Dus of dat ‘Wolvenplatform’ van gedeputeerde Lemkes gaat werken, vraag ik me af (echt waar, dat platform was/is een serieus idee van een volwassen meneer, ziet u het al in de notulen van een provinciale statenvergadering staan?) Daar blijft-ie nooit langer dan tien tellen op zitten. De wolf bedoel ik, op het platform. En als de wolf blijft zitten, springt gedeputeerde Lemkes er natuurlijk vanaf. Want het zijn geen gezellige dieren, die wolven.

Het gedoe over die wolf was nog maar net gaan liggen, of iemand ving met zijn fototoestel in vier kleuren een Lynx, ergens in de Ardennen. Dat was wat, want “een Lynx is zo onvindbaar dat hij ‘de geest van het woud’ wordt genoemd”. 

‘Zó onvindbaar’? Kennelijk kan een dier onvindbaar zijn, maar ook héél erg onvindbaar. Hoe zit dat? Kun je een onvindbaar dier, bijvoorbeeld een Wolf, af en toe vinden, maar een heel erg onvindbaar dier (bijna) nooit? Ik zou zeggen, een dier is onvindbaar of niet, en zodra een onvindbaar dier gevonden is, is het niet onvindbaar meer.

Of is dit allemaal weer nijd en afgunst tussen Nederlanders en Belgen en willen de Belgen een nóg onvindbaarder dier vinden dan wij al gevonden hebben?

Van mij mogen ze. En van mij mogen ze de wolf en de hele rimram erbij hebben. Want het benauwt me allemaal enorm. De verkrampte bureaucratie die aan het licht komt als er zo’n dier ergens opduikt! En dat gaat dan over dieren, maar ik heb nachtmerries waarin ze míj vinden. 

Ik neem de intelligente lockdown nog steeds heel serieus hoor, maar misschien heeft een of andere fanaat van een vereniging met provinciale subsidie waar ik het bestaan niet van vermoed (van de vereniging noch van de subsidie) ergens in mijn straat een verborgen fototoestel geplaatst. 

En kom ik in de krant, al dan niet in kleur maar hoe dan ook met van die rode ogen en mijn baard in de war; krijg ik een naam die alleen uit cijfers en letters bestaat; blijkt er beleid of een procedure of een maatregel waar ik dan natuurlijk net niet in pas of aan voldoe; krijgt Utrecht ruzie met politiek Den Haag omdat de burgemeester vindt dat er een landelijk kader moet komen voor dit soort gevallen (dat ben ik dus), inclusief budget; komt Rutten op tv om uit te leggen dat het inderdaad een topprioriteit is of zou moeten zijn, want op zo’n manier gaat het natuurlijk snel bergafwaarts met de lockdown; waarna dus het kabinet besluit dat alle boa’s voortaan op pad moeten met uitgebreidere bevoegdheden en een vangnet.

Eek!

P.S. Is het eigenlijk niet verontrustend dat het juist roofdieren zijn die hier weer voet aan de grond krijgen? 

Nog eens eek!

Fysiek

Het woord ’fysiek’ nam met de digitalisering van de wereld in de afgelopen twintig jaar een vreemde wending. Al het stoffelijke dat ook een digitale variant had, heette opeens fysiek.
Dus: fysieke winkels.
Het zal wel aan mij en mijn verdorven geest liggen, maar ik vind dat op de rand van onbetamelijk. Met zulke taal drijf je de mensen helemaal naar het internet.
Maar nu we allemaal anderhalve meter afstand moeten houden en uit arren moede onze toevlucht zoeken tot nog meer digitale varianten van de echte wereld, heeft ‘fysiek‘ er een dimensie bijgekregen. Een nog onbetamelijkere dimensie, als u het mij vraagt.
Een collega die een andere baan had aangenomen, en die in een bijeenkomst van 24 bewegende pasfoto’s op het scherm van mijn laptop afscheid nam, zei dat ze ons graag in betere tijden op haar fysieke borrel zou terugzien.
Eek!
Het zal wel aan mij en mijn verdorven geest liggen, maar ik zie dan hele nare dingen voor me. In het beste geval een soort Twister. Ik ga u niet uitleggen wat dat is, maar onthou dat het heel erg fysiek is. Dus wegwezen als iemand met die veel te vrolijke doos komt aanzetten en dat akelige zeiltje uitvouwt in het midden van de huiskamer, of, god verhoede, van het bedrijfsrestaurant.
Of beter nog, niet naar zo’n fysieke borrel gaan. Daar komt alleen maar gedoe van, dingen die je van zijn leven niet uitgelegd krijgt.
Hmm… nu voel ik voel de behoefte om tóch iets aan u uit te leggen. Anders krijgt U een een verkeerd beeld van mij… Dus, eh… laten we beginnen met die fysieke winkel. Dat klinkt gewoon een beetje raar, maar het blijft een ding. Een groot en ingewikkeld ding, maar wel levenloos. Iets dat zelf niks doet. Laat staan fysiek.
Een borrel daarentegen is een sociale gebeurtenis (heb ik me laten vertellen), een verzameling mensen bij elkaar die allemaal wel degelijk iets doen. En sterker nog, alles wat ze doen is fysiek. Dat kan eigenlijk niet anders.
So far so good.
Maar waarom zie ik dan twister voor me, of iets ergers, transpirerende mensen in een sportschool, ballroomdanseressen met hele grote blote ruggen, glimmende worstelaars, eh…
Dat komt door Olivia Newton-John.
Tja.
Een actrice die, nadat ze in Grease te keurig voor woorden had gespeeld (naast de inmiddels tot cultheld gepromoveerde John Travolta), en daarna met geen mogelijkheid meer van haar hopelessly devoted to you-imago afkwam, besloot om het over een andere boeg te gooien, d’r haar kort te knippen, en dus een liedje uit te brengen met de onheilspellende titel Let’s get physical.
Denk aan beenwarmers over stretchpants en hoofdbanden. En verder kleding die net genoeg te raden overliet.
Ik kan me herinneren dat wij Olivia’s poging om wild en verleidelijk te zijn destijds een beetje sneu vonden, wij van de studentenflat vol links georiënteerde intelligentsia, waarschijnlijk omdat we er niets anders van mochten vinden (terwijl we met z’n allen voor de tv naar haar zaten te gapen), want de ‘feministische moraal of zo’ hing daar tastbaar in de lucht; we sneden er plakjes van om op ons brood te doen.
Dus ik heb haar verdrongen, denk ik.
Tot de lockdown dus.
En de fysieke borrel.
En huidhonger.
Ho, wacht! Dat is echt een heel raar woord!
Echt. Heel. Fout.
Ik bedoel, hebben we dat opeens allemaal? En mag dat?
Stel dat ik afgelopen januari, na een allenige kerstvakantie, op mijn werk was teruggekomen om bij het koffieapparaat te verzuchten dat ik zo’n huidhonger had… Geen begrijpende blikken, geloof mij. Laat staan medeleven. Of iemand die me tegen zich aan zou drukken. Nee, op het matje bij het hoofd van de afdeling, zou ik denken!
Dus, mensen, dat woord moeten we schrappen.
Voor wie niet overtuigd is en/of het wel een poëtisch woord vindt, even een gedachtenexperiment: sluit uw ogen, zucht een paar keer diep en haal uw collega’s voor de geest.
Op een fysieke borrel.
Allemaal met een stevige huidhonger.

(Eek!)

Het gras, de boom, of hoe de lockdown toch nog goed kwam

Op de eerste mooie ochtend van het jaar, na een armoedige stuiptrekking van de winter, wat natte sneeuw en een paar nachten vorst aan de grond, stond de vrouw juist voor het raam toen de zon tussen twee wolken door een monter bundeltje licht de tuin instraalde. Het was niet veel, maar genoeg om met gesloten ogen te wachten tot de warmte weer van haar gezicht vloeide.
Toen ze haar ogen weer opende, zag ze het gras. Of liever, wat er van over was.
‘Zullen we in de lente eindelijk eens iets aan de tuin doen?’ vroeg ze. Haar vrouw antwoordde niet. ‘Of dan in ieder geval het gras…’
‘Huh?’
‘Het gras!’
‘Wat is er met het gras?’
‘Dat ziet er niet uit. Er zitten overal kale plekken.’
Haar vrouw stond op en kwam naast haar staan. ‘Waar dan?’
‘Tss, daar! En daar, en daar…’ Ze wees de plekken aan.
‘Oh, dat. Dat groeit vanzelf weer dicht.’
‘Dat zei je vorig jaar ook. En toen bleef er dus over wat nu hebben… we moeten bijzaaien, denk ik.’ Ze zwegen en keken naar buiten. ‘Er zijn vast wel YouTube filmpjes van.’
Die waren er.
Tientallen.
En onder ieder filmpje weer tientallen vragen en antwoorden. En discussies. Scheldpartijen.
De meningen waren verdeeld, maar dat je niet zomaar even een paar kale plekken in je gazonnetje kon pimpen, dat was wel duidelijk. Het was een soort project. Een plan van aanpak moest je hebben.
Na twee-en-een-half uur, achttien filmpjes en 172 ‘openbare reacties’ wisten ze min of meer hoe ze het veld kon repareren. Ze keken elkaar aan en zeiden: ‘Ooh… dóórzaaien!’
Een raar woord vonden ze. Maar niet zo raar als ‘herstelzaad’.
‘Stel je voor dat wij ook zoiets zouden hebben, wij mensen. De mannen dan. Herstelzaad. Klinkt handig, toch?’
‘Nee dan die verticuteerschoenen!’ Een reuzenschoen met spijkerzolen om over je gras lopen. Om er lucht in te brengen.
‘Mag ik dat doen?’
‘Nee, ik!’
‘Volgens mij is vanmiddag het tuincentrum open!’
Maar die middag kwam het toch niet uit, en de hele week daarna ook niet, en toen kwam de lockdown. En werd het tuincentrum ook het centrum van de wereld. Iedereen was er, en iedereen moest zijn grasveld herstellen. Verticuteren. Kalk geven. Bemesten. Doorzaaien. Afstrooien (dat vonden zij bij nader inzien het mooiste woord uit het hele gazonjargon).
Dus alles was op. Op één zak na, die ze zonder verder te aarzelen meetroonden naar de kassa, dat wil zeggen, naar de rij vóór de kassa. Terwijl ze wachtten en rondkeken, vertelden ze elkaar het verhaal dat ze ooit aan hun kinderen zouden vertellen. Die zouden er niets van geloven.
Thuis gooiden ze de zak op het grasveld om toen pas te zien wat ze hadden gekocht.
Gazongrond. Wat wel fijn klonk, maar verder nutteloos was gezien de staat van hun grasveld.
‘Hadden ze eigenlijk nog tegels?’ vroeg ze tegelijk aan elkaar.
Dat wisten ze niet. Daar hadden ze ook niet naar gezocht. En ze waren ze ook niet van plan naar tegels te gaan zoeken.
Ze gingen naar binnen.
Een paar dagen later begon er een genadeloze droogte, die een paar weken aanhield, waardoor de plastic zak, die nog steeds op het midden van het grasveld lag, verweerde en poreus werd, zodat de inhoud zich tijdens de regenbuien die volgden gulzig volzoog tot de zak bol ging staan als een pas opgeschud kussen, dat tijdens een onweersbui door de bliksem werd getroffen en zacht openbarstte, om een bergje aarde achter te laten, waar de volgende dag al meteen een stengel met blaadjes uit ontkiemde, blaadjes die zo teder waren dat de vrouwen er wel om konden huilen, zo blij werden ze ervan, wat nog maar het begin was, want de scheut groeide in een paar weken uit tot een overweldigende boom die ademloos ontzag wekte bij alle mensen die langsliepen en waar zomers kinderen onder kwamen staan omdat er ijsjes aan groeiden die rijpten en loslieten als je liedjes voor de boom zong, wat zo ongeveer het mooiste geluid is om bij te ontwaken, vonden de vrouwen, die er natuurlijk geen moment aan dachten om ooit nog een grasveldje aan te leggen, laat staan een betegeld plaatsje, zeker niet omdat de boom in de herfst eetbare blaadjes liet vallen waar ze thee van zetten waar ze een soort high van werden, in ieder geval heel vrolijk en zorgeloos, vaak tot ver in de winter, wanneer de boom uitrustte en zich opmaakte voor de lente en zijn bloesem, die zo lekker rook, dat telkens als de vrouwen die inademden ze beter begrepen waarom het leven zin had.

En ze leefden nog lang en gelukkig.

(Die verticuteerschoenen kochten ze toch, gewoon voor de lol, en later omdat hun kinderen dan van het lachen bijna uit hun boomhut tuimelden. Wat natuurlijk niet gebeurde, want de boom hield ze dan tegen.)

Oude Man

99E37053-7024-4B8B-B209-56FFBFA866A9_4_5005_c

In de Albert Heijn had een man de aller onbereikbaarste winkelwagen opgezocht om daarmee ruzie te gaan maken, dat wil zeggen, om te proberen die ene wagen van de andere los te trekken. Omdat hij zo ver weg bezig was, had ik hem eerst niet opgemerkt en toen ik hem ten slotte wel zag en riep of ik hem kon helpen, hoorde hij mij niet. Dat kwam doordat hij een enorme koptelefoon droeg, met van die grote zwarte halve bollen over zijn oren. En dat hele ding dan over een oude baseballpet met rafelranden aan de klep die hij telkens half voor zijn ogen schoof (de klep bedoel ik), zodat hij niemand aan kon kijken zonder zijn hoofd in zijn nek te gooien. Hij deed het om te zien wie ik was. Ik probeerde terug te kijken, maar mijn blik dwaalde telkens af naar de plooien in zijn hals. Een kalkoenennek. Hij haalde zijn schouders op en liep weg terwijl hij houvast zocht aan de winkelwagen.
Even later kwam ik hem weer tegen bij de klaphekjes waar hij rondkeek alsof hij nu pas besefte waar hij was. Ik vroeg nog eens of ik hem kon helpen. Hij gebaarde dat hij mij niet kon horen.
‘Nee, nogal wiedes,’ zei ik, ‘met dat ding op je kop.’
‘Wat!?‘ vroeg hij terug. Ik schudde mijn hoofd en hij berustte erin.
‘Wat is dat?’ Hij wees naar het muurtje met zelfscanners.
Ik zocht naar het goede begin van een uitleg en bereidde me voor om harder en langzamer te gaan praten.
(En terwijl ik dit schrijf, onderdruk ik de neiging om alles lekker in kapitalen te gaan zetten.)
‘Daar kunt u uw boodschappen mee scannen! Hoeft u straks alleen nog maar af te rekenen!’ Bij het woord scannen hield hij zijn hoofd een beetje schuin.
‘Hoe moet dat?’
‘Met uw bonuskaart! Kijk hier onder houden!’ Ik deed het voor. Het apparaat gaf een piep die ik nog nooit eerder had gehoord en een mevrouw van de Albert Heijn kwam haastig vertellen dat dat niet meer mocht. Vanwege de veiligheid. (Veiligheid? Hoezo is dat opeens een ander woord voor hygiëne? Of voor gezondheid? Laatst kwam ik langs een winkel en daar hing een A4’tje aan de deur met daarop: Voor uw veiligheid en die van anderen, houd 1,5 m afstand. Veiligheid verdringt alle mooie dingen.)
En ik mocht ook mijn boodschappenbolide niet meenemen in de winkel. Winkelwagens verplicht.
Daar dacht ik even over na. Twee winkelwagens bij elkaar zijn misschien anderhalve meter, maar wat nu als ik van achteren word aangevallen? Ik zag die oude man er wel voor aan om mij ruggelings te naderen terwijl hij met zijn hoofd in zijn nek de ingredientenlijst van een pot vitaminepillen probeerde te lezen. Maar goed, kwart over zeven in de morgen is geen goede tijd om daar met personeel van de Albert Heijn over te gaan discussiëren, die mensen hebben wel wat beters te doen (ook op andere tijden van de dag, trouwens). Bovendien waren de man en ik de enige klanten, dus het zou me niet zoveel moeite kosten bij hem uit de buurt te blijven.
Nou, dat viel toch niet mee. Om te beginnen reed hij meteen mijn lege karretje aan. Dat had ik ergens geparkeerd, in het aller onbereikbaarste hoekje van de winkel, dacht ik, maar nee hoor. ‘Mijn god,’ fluisterde ik, ‘hoe krijgt hij het voor mekaar?!’ Om daarna meteen mezelf terecht te wijzen, met de dreiging dat dit misschien mijn voorland wel was. ‘Dus heb een beetje geduld met die man.’
Goed, u raadt het al, dat geduld van mij werd behoorlijk op de proef gesteld. Ik was drukker met de man dan met mijn boodschappen. Ik probeerde hem ofwel te ontwijken ofwel te helpen (op anderhalve meter afstand terwijl hij er geen moment aan dacht om zijn koptelefoon even af te zetten).
Ik vond een nieuwe dimensie van geduld.
In een universum waar ik ergernis uitgebannen had.
Dit alles in de nergens op gestoelde verwachting-schuine-streep-hoop dat ik het allemaal ooit op een dag, als ik ook heel oud was, bij een jongere generatie zou kunnen inlossen.
Toen ik eindelijk bij de kassa stond, zag ik de oude man buiten in zijn scootmobiel voorbijrazen, een volle boodschappentas tussen zijn benen. Ik wendde mijn blik af.
‘Wel fijn voor u hè?’ vroeg de caissière. Ik keek haar aan. ‘Tenminste, die meneer voor u was er erg blij mee.’ (Ze was iets harder en langzamer gaan praten.)
‘Wat bedoelt u?‘
‘Nou, ons 70+ uurtje!‘

Gevoel

wilhelmina
Goed, ik ben nu ongeveer een week nagenoeg in mijn eentje aan het werk geweest, precies zoals het moet, alsof het allemaal gewone dagen zijn, dus op dezelfde tijd uit bed, dezelfde rituelen gevolgd om de dag te beginnen, hetzelfde ritme aangehouden, in beweging gebleven (oefeningen voor mijn zielige arm gedaan), en dus gewoon aan het werk gegaan, of nou ja, gewoon… ik doe niet alles helemáál hetzelfde, want ik kam en boetseer mijn baard niet eindeloos tot-ie in de perfecte vorm zit, en het zal u misschien verbazen, maar ik trek ook geen pak aan. Een t-shirt dat al 20 jaar meegaat, en een op marktplaats bij elkaar gescharreld joggingpak. U zou me eens moeten zien, of nee, eigenlijk liever niet.
Over pakken gesproken, gisteren las de koning op de tv een toespraak voor, wél in een pak. Een pak van bordkarton. Zo zat hij er tenminste bij. (Oké, het was natuurlijk een serieus onderwerp, maar iets meer schwung had wel gemogen, toch?) Hij bedankte zo’n beetje iedere landgenoot en landgenote. 
Altijd gevaarlijk zo’n lijstje, want het is natuurlijk nooit compleet. Toen hij eraan begon werd ik al zenuwachtig, omdat hij vast en zeker een beroepsgroep vergeten zou. Ik ben maar luidruchtig gaan koken, om de opsomming alleen half-en-half te horen. 
Kysia Hekster, die naderhand de analyse deed, had natuurlijk wel goed opgelet. ‘Deze toespraak ging over gevoel,’ zei ze, ‘in tegenstelling tot die van premier Rutte, want die ging over beleid.’
‘Ja,’ riep ik van achter het aanrecht, ‘laten we die twee dingen vooral uit elkaar houden!’
Het maakte me echt pissig!
Ik schrijf namelijk al 20 jaar beleid, en dat doe ik op mijn gevoel. Bij mij gaat het juist fout als ik níét ook en tegelijkertijd mag opschrijven wat mijn hart me ingeeft.
Beleid is emotie.
Ja, romantisch hè?
Puh, van mijn part noemt u het naïef en sentimenteel, maar het is zo.
Daarom stak het mij toch wel een beetje dat de koning niet alle mensen van beleid bedankte, of dan tenminste toch de mensen van beleid die iedere notitie telkens weer uit het diepst van hun hart haalden.
En Kysia hoorde ik er ook niet over, in weerwil van haar ijverige glimoogjes.
Maar goed, waardering of niet, ik ga gewoon door, net als de overgrootmoeder van de koning, Wilhelmina, ‘eenzaam maar niet alleen’. Wat ik opeens niet goed begrijp, die titel bedoel ik, want ik zou hopen dat het juist andersom was: alleen maar niet eenzaam (gemiste kans voor de speechschrijver).
Hoe dan ook, ik ga voor dat laatste. Al dan niet noodgedwongen.
Nee, dat is niet half zo droevig als u zou denken. U kunt er inmiddels over meepraten. Het is helemaal niet droevig.
Ironisch misschien.
Social distancing, eindelijk iets waarin ik uitblink, en niemand die het ziet.

Raam

Aan de overkant van de straat is een raam dat ik niet begrijp. Ik bedoel dat ik niet kan achterhalen bij welke voordeur het hoort.
Dat is irritant!
Ik heb me een ongeluk zitten puzzelen, net zo lang naar de gevel getuurd en kleuren van kozijnen met elkaar vergeleken tot ik zowat van mijn verstand ging en het misschien wel verdacht werd. Maar ik kwam telkens een voordeur te kort, of ik hield een raam over. Of andersom.
Rara, hoe kan dat?
Vroeg ik mij af.
Thornfield Hall in de Lombokstraat. Of Blauwbaards burcht!
Eek!
Ja, ik kon natuurlijk eens een praatje aanknopen met de overbuurman/-vrouw of met een van de 38 studenten uit de huizen daarnaast, en dan langs mijn neus weg naar dat raam vragen, maar laat ik eerlijk zijn, dat durfde ik niet.
Eh…
Goed.
Meer dan geheimzinnig was het raam niet. Er was eigenlijk niks aan. Geen licht of leven was erachter te zien. Een saai zwart gat was het.
Tot er op een dag zomaar opeens twee hele kleine katjes in de vensterbank zaten. Ze keken mij aan toen ik mijn gordijnen openschoof, net zo verbaasd over mij als ik over hen. En misschien vonden ze mijn raam wel net zo geheimzinnig als ik hun raam, dat door hen alleen maar geheimzinniger werd, want waar kwamen zij vandaan?
Misschien dat het raam toch bij het huis van mijn overbuurman hoorde. Hij leek me wel een kattenman. Dus ik mijn stoute schoenen aan toen hij zijn vuilniszak buitenzette. Maar hij wist van niks, integendeel hij hield helemaal niet van katten, want hij was er allergisch voor. Hij keek me aan alsof ik hem een onbetamelijk voorstel deed. Beledigd.
Dat had ik weer.
Weer binnen staarde ik pissig naar de katjes, die al hun verbazing kwijt waren en alleen maar blij om me te zien.
Dat maakte een hoop goed. Sterker nog, het maakte bijna alles wat me sindsdien overkwam weer goed. Geen tegenslag zo groot of ik lachte die weg als zij bij mijn weerzien tegen de ruit opsprongen.
‘Kijk, daar is die meneer weer!’ riepen ze dan.
Dacht ik.
Vond ik.
Dus toen ik vannacht wakker werd van gemiauw, stond ik meteen naast mijn bed. Of nou ja, dat kwam ook doordat een vrouw met een nogal zware stem in het Russisch met iemand aan het telefoneren was.
Het geheimzinnige raam stond open!
En de vrouw zat in de vensterbank!
‘Don’t speak Russian,’ zei een man. De vrouw had voor het gemak haar telefoon op de speaker gezet, zodat het gesprek met galm en al in de hele straat te horen was. ‘Speak English please.’
Dat deed ze. ‘They are in the street!’ riep ze. Ik keek naar beneden, het was waar. ‘No, I don’t know how.’ Dat wisten de katjes zelf ook niet. Ze keken bangelijk in het rond alsof ze net geboren waren. De straat was opeens drie keer zo breed.
Vervolgens deed de vrouw afwisselend in het Engels en in het Russisch live verslag van wat er met de katjes gebeurde. Niet zo heel veel. Op een auto na, die bij nader inzien toch onze straat niet in kwam rijden. Terwijl de katjes onwetend bleven zitten en de vrouw het uitschreeuwde van de angst.
Dat schoot niet op. Ik deed mijn kamerjas en sloffen aan en ging naar beneden. Met een beetje geluk kon ik zowel de katjes redden, als het raadsel van de kamer oplossen, want als ik die twee van de straat had geplukt (ze zouden mij vast en zeker herkennen als die meneer van de overkant), kwam de vrouw natuurlijk vanzelf ergens uit een van de deuren te voorschijn.
Zo gezegd zo gedaan.
Maar u snapt het al, het liep allemaal anders.
Het begon zoals ik mij had voorgesteld, de katten begroetten mij als een oude vriend, de vrouw kwam tevoorschijn – neem dat letterlijk, ze was er opeens, uit het niets – maar terwijl zij in haar peignoir ongemakkelijk dicht tegen mij aan kwam staan zodat ik de katjes in haar armen kon laten overstappen, verscheen haar Engels sprekende vriend ook opeens uit het niets.
‘Yes, I can see you now…’ zei hij.
Zijn stem echode luid, zowel in het echt als via het mobieltje van de vrouw, dat zij onder het schouderbandje van haar bh had gestoken. Ik schrok (van de telefoon) en deed snel een stap achteruit.
Foute reactie.
De man liep op mij af. De vrouw probeerde hem in het Russisch op andere gedachten te brengen. Tevergeefs.
Ik werd badend in het zweet wakker.
En nou weet ik nog niet hoe het met dat raam zit.

Boodschappenkarretje

Ik heb een boodschappenwagentje. 

Ongeveer 20 jaar eerder dan ik had gedacht. 

Hoewel ik met één arm net zo makkelijk tassen kan sjouwen als vóór mijn ongeluk (heus wel), vond mijn ergotherapeute het toch geen goed idee. Omdat ik mijn goede arm moet ontzien. 

Goed punt. 

Want wat ik zo lang mogelijk uit wil stellen, is dat ik iedere morgen moet wachten op iemand van de thuiszorg die mij komt aankleden, of mij bij iets anders intiems komt helpen. Los van het feit dat  ik dan weer een schaamte voorbij moet zien te komen, wat me tot mijn eigen verbazing nog steeds redelijk goed lukt, maar waar ik iedere keer toch weer tegenopzie, wil ik graag zo lang mogelijk eigen baas over lijf en leden blijven. 

Onafhankelijk. 

In het revalidatiecentrum waar ik vier weken verpleegd werd, was onafhankelijkheid verreweg het belangrijkste doel van iedereen die daar verbleef. 

Het enige, eigenlijk.

Ja, een lichaam dat deed wat je wilde, dat wilde natuurlijk ook iedereen, maar dat alleen omdat het de voorwaarde voor onafhankelijkheid was.

Dingen zelf kunnen doen, daar ging het om. 

Gaat het om. 

De hele dag door.

De rest van je leven.

Dus ben ik erg zuinig op mijn rechterarm.

Enter boodschappenwagentje. Een ding dat ik mij alleen voor de geest kon halen met een kromgebogen grijs vrouwtje ervoor en daar weer een stoffig hondje naast. Of een gebochelde man met een sleepvoet, die het karretje gebruikt om er de stadskrant mee te rond te brengen. 

Ja, dat waren mijn akelige herinneringen die tevoorschijn kwamen toen ik kriskras over het internet surfde op zoek naar een model boodschappenwagen dat het allemaal wat minder erg zou maken. 

Dat viel reuze mee. Het ene karretje was nog hipper dan het andere (en die rood-groen-geruite met zwart nepleer afgebieste dingen bestaan niet eens meer). Om maar niet te spreken van de far out of my league foto modellen. Voor € 89,95 kon ik al een bolide kopen waarmee ik de hele wijk onveilig kon maken. En goede sier bij weet ik veel wie.

Dus ik kocht er een.

En ik trok 40 kg boodschappen door de Kanaalstraat alsof het niets was. Maar het winkelen zelf, dat bleek logistiek ingewikkelder dan ik had gedacht. Want de Albert H. is ingericht op zijn eigen winkelkarretjes. Typisch egocentrische houding van een grootkapitalist, vind ik, maar voor de meeste mensen is dat kennelijk geen probleem, want die laden na het afrekenen alles vrolijk en tweehandig van het karretje in hun tas, alsof het niks is (kost), maar wat moet een éénhandige? Met twee karretjes de lanen in (eigen karretje in AH’s karretje)?

Hm… ik zal u niet vermoeien met alle systemen die ik gaandeweg bedacht en probeerde uit te voeren en weer verwierp. Maar neem van mij aan dat het gedoe was, in het echt en in mijn hoofd, zoveel gedoe dat ik iedere keer mijn hele leven tegelijkertijd ridicuul en treurig vond en van de weeromstuit heimwee kreeg naar de tijd dat er bij de kassa een frisse jongeman stond die hielp bij het inpakken, weliswaar door alles volgens een meestal volslagen onlogisch systeem in je tas te arrangeren, maar die ik nu zou toejuichen omdat hij het boodschappengedeelte van mijn leven tenminste een beetje draaglijk zou maken. 

Eh…

Iets of iemand heeft kennelijk mijn gestuntel en wanhoop gezien, want er kwam een soort hulp van boven. Albert H. voerde in mijn eigen persoonlijke supermarkt aan de Damstraat eindelijk de zelfscanner in. 

Geweldig! 

Onafhankelijkheid!

Ik croste door de supermarkt met mijn eigen wagentje, scande links en rechts spullen die ik meteen kon inladen en hoefde aan het eind alleen maar even die scanner terug te hangen. En te betalen.

Een pistool, noemden mijn kinderen zo’n apparaat vroeger, toen ze die alleen nog maar in XL-Winkels hadden en zij er, in weerwil van hun pacifistische opvoeding, om vochten tot we een of ander schema verzonnen om het schieten eerlijk te verdelen. 

Uiteindelijk bleek het grootste probleem telkens weer om dat pistool niet kwijt te raken. Want als het ruziën om het pistool gedoofd was, verloor de winnaar/winnares al snel zijn/haar belangstelling in het schiettuig en liet het dan ergens liggen. 

En konden we weer helemaal opnieuw beginnen, nadat we de achttien zakken paprikachips en zeven zakken M&M’s op een of andere manier uit het geheugen van Het pistool hadden weten te wissen.

Daar dacht ik laatst met weemoed aan terug, op de achterbank van een politieauto, toen ik zelf die scanner was verloren. 

Ik kende de routine nog, dus had me vooraan bij het meisje van de balie voor sigaretten en bonuskaarten gemeld.

‘Ik ben mijn pistool kwijt, het ligt ergens in de winkel,’ zei ik tegen haar.

Hm… dat leverde dus een hele andere reactie op dan ik had verwacht.

Henk

Eigenlijk wilde ik helemaal niet eens opstaan en naar beneden lopen om open te doen, want ik zat in mijn leunstoel te niksen, maar ik ben natuurlijk veel te nieuwsgierig om dat vol te houden, zeker als de bel gaat, dus ik deed het toch (liep de trap af en haalde de deur van het slot), en nodigde van de weeromstuit een vreemde vrouw binnen omdat ze zo verdrietig keek dat mijn hele verdediging in een paar tellen afbrokkelde, en stonden we even later na twee zwijgend bestegen trappen voor mijn slaapkamerraam om in de binnenplaatsjes achter mijn huis naar haar verloren kat te zoeken.
Henk.
Rare naam voor een kat.
Vond ik.
Maar het leek me ongepast om daar nou over te beginnen en bovendien durfde ik dat niet, want ik was al ver, vér buiten mijn comfortzone terwijl ik er een nota bene een ander, een volslagen vreemde nog wel, in had toegelaten. Dat was misschien vragen om moeilijkheden.
Dus hield ik mijn mond.
Ik dacht wel van alles, bijvoorbeeld dat Henk een geliefde van haar was (geweest), die nu als avonturier en matroos eerste klas, of zoiets (zéker geen tweede klas), op grote oceaanstomers voer en maar zelden aan wal kwam, maar wiens geest voor zijn vertrek in hun kat gevaren was (pun intended, ik kon het niet laten).
De vrouw had van buren en daar weer buren van gehoord dat er ergens achter mijn huis telkens een miauwende kat te horen was.
Dat klopte.
Misschien was dat Henk, dacht ze.
Dat Henk er heel anders uit zag, de kat achter mijn huis was rood en Henk was grijs, en dat die rooie dus al een jaar lang iedere dag een mengeling van klagen en zich geen raad weten aan het roepen was, dat had haar hoop niet gebroken toen ik haar die feiten plompverloren voor de voeten had gegooid.
Ze wilde dat andere beest met haar eigen ogen zien.
Dus stonden we daar en tuurden we naar beneden.
Sip.
Zij omdat ze Henk miste (2x), en ik omdat ik aan mijn eigen kat terugdacht, een somber en schuw dier dat ik, vanwege dat ik godbeterhet natuurlijk maatschappelijk betrokken moest doen, bij het asiel had gekocht, inclusief een gebruiksaanwijzing van vier aan elkaar geniete a4tjes, want het was een kat ‘met een vlekje’.
Een paar vlekjes, eigenlijk. Meer vlekjes dan ik in de instructies en op internet kon vinden.
Dat had ik weer.
Ik snapte ook wel dat ik dat niet als een persoonlijke afwijzing moest opvatten, maar toen ze na twee weken nog niet onder de bank vandaan wilde komen, behalve om te eten, en dan alleen nog als ik in een hele andere hoek van de kamer ging staan, werd ik er toch wel een beetje droevig van.
Net zo droevig als de vrouw naast mij, die nog steeds alle koertjes en schuurdaken afspeurde op zoek naar Henk. Of de rode huilkat, want als ze die spotte dan kon ze, hoe treurig ook, de hoop dat het Henk kon zijn van haar lijstje schrappen.
En verder zoeken.
Mijn kat en ik, dat wil zeggen, ík in ieder geval, probeerde(n) een paar maanden met elkaar samen te leven, maar echte liefde zoals de liefde van de vrouw voor Henk (2x) werd het nooit. Bij lange na niet. Een vreedzame co-existentie was het op zijn best, maar hoe nep en broos die was, bleek toen ik haar, nota bene voor haar eigen bestwil, naar de dierenarts moest brengen voor een spuitje tegen een of andere kattenziekte.
Ze moest in een draagbaar gevangenisje.
En dat wilde ze niet.
Kon ik me voorstellen.
Maar het moest toch echt.
Mijn charme legde het op een hele sneue manier af tegen haar achterdocht. Al meteen bij mijn eerste poging haar de cel in te lokken rook ze onraad, en niet veel later, na een onterend gevecht dat ik kansloos verloor, had zij zich sissend en blazend weer onder de bank verschanst.
Het was een van die momenten in mijn leven waarop ik besefte dat het allemaal anders moest. Terwijl ik op mijn buik met bloedende handen en armen haar met kattenlekkernij probeerde te naderen, zag ik mezelf daar opeens liggen, met afstand machtelozer dan ik ooit was geweest…
‘Oké, jij wint,’ zei ik.
Tegen mijn kat.
Na drie dagen wist ik haar eindelijk in het traliemandje te krijgen (nadat ik haar uitgehongerd had en met voer naar binnen had gelokt), zodat ik haar naar het asiel kon terugbrengen, inclusief gebruiksaanwijzing en vlekjes. Het was een van de donkerste dagen in mijn leven.
‘Kijk, daar is hij!‘ riep de vrouw.
De rode kat. Hij keek ons recht in de ogen en dacht bij zichzelf: wat een sukkels.
Get a life!’ miauwde hij.
Of zoiets. Zo klonk het ten minste.
Dacht ik.

Eikenprocessierups

De eikenprocessierups, daar hoor je ook veel over tegenwoordig.
Mooi woord, eikenprocessierups.
Omdat iedereen altijd zegt dat ik zo openhartig ben, ga ik hier niet geheim te houden dat ik dat woord eerst verkeerd begreep. Half en half expres, want iets verkeerd begrijpen is vaak veel grappiger.
Ik dacht dus dat die éíken in processie moesten staan. Netjes op een rijtje achter elkaar. Ja achter elkaar, wat best wel moeilijk vast te stellen is, omdat volgens mij een boom geen voor of achterkant heeft, dat wil zeggen de voor- of achterkant is afhankelijk van waar je staat. Ik ga dat verder niet uitleggen want ik moet nog meer vertellen. En ik denk dat u wel snapt wat ik bedoel.
De eikenprocessierups begreep ik als een rups die voorkeur heeft voor eiken die achter elkaar staan. Kennelijk kunnen die beestjes wél bepalen wat de voor en achterkant van een eik is, dacht ik, en dan kunnen ze ook nog eens zien dat ze in processie staan. De eiken bedoel ik. En dat terwijl ze op de grond tussen het gras en gevallen bladeren rondscharrelen, de rupsen bedoel ik.
Maar goed, de natuur staat voor niets. Zei ik tegen mezelf.
Allemaal niet waar dus.
Jammer.
De rupsen zelf, die vallen wel mee, las ik ergens, het gevaar zit in hun haren. Die branden. Ze heten dan ook brandharen. Een enkele krant schreef erover in de verkleinende vorm: brandhaartjes. En ja hoor, ik zag brandhaardjes (met een ‘d’) voor me, inclusief hele kleine brandweerautootjes met hele kleine brandweermannetjes en -vrouwtjes die een heel klein fikkie aan het blussen waren.
Schattig toch?
Neem van mij aan, het leven is een stuk grappiger als je het verkeerd begrijpt. Of nou ja, je moet niet alles verkeerd begrijpen. Denk ik.
Nooit geprobeerd.
Hoe dan ook, voor wie alles meteen goed begrijpt, zijn de rupsen een plaag en zorgen ze voor onveilige situaties. Dan komen ze in de krant en moeten ze bestreden worden. Roep ‘onveilig’ en er volgen maatregelen: bijvoorbeeld mensen gekleed als maanlanders met enorme stofzuigers die de eiken te lijf gaan.
Exit processies.
Maar we leven in Nederland, en dat gaat dus zomaar niet. Wat blijkt, in ieder stad of dorp pakken ze de bestrijding van de rupsen anders aan. Er is geen lijn in te vinden. De wethouders voor bestrijding van onveilige situaties en andere enge dingen roepen dat er centraal beleid moet komen.
Nou ben ik van beleid en ook nog eens van het landelijk kantoor (= een centraal orgaan), maar volgens mij is dat geen goed idee. Ten eerste omdat het beleid er dan nooit komt, want voor de landelijke commissie samengesteld is en die een gemeenschappelijk gedragen eikenprocessierupsenvisie heeft weten op te stellen, zijn al die rupsen al aan het poppen om vlinder te worden. Ten tweede omdat je met centraal beleid die rupsen in de kaart speelt, want dan kunnen zij op hun beurt een landelijke tegenstrategie ontwerpen om op de centrale mensenstrategie af te stemmen, in plaats van dat zij door de volkomen ondoorzichtige en fijn chaotische regionale en lokale aanpak helemaal in de war raken, en van wanhoop niet meer weten wat de voor- of achterkant van een eik is, laat staan dat ze nog fatsoenlijk kunnen zien of die eiken achter elkaar staan, om vervolgens in verwarde toestand de lanen uit en de paden af te gaan.
Maar nee hoor, alles moet centraal.
Inmiddels is het centrale punt er, inclusief een website om vragen te stellen, een kenniscentrum voor onderzoek, en protocollen om op te volgen.
Dit alles om te bewijzen dat de mens niet meer tegen de natuur op kan.
Let op mijn woorden mensen, we zijn aan het verliezen, we kunnen maatregelen nemen wat we willen, centraliseren en protocolleren tot we een ons wegen, maar hoeveel brandweermannetjes en-vrouwtjes we ook inzetten, uiteindelijk zullen de infernootjes ons verslinden.
Misschien moeten we toch beginnen met een paar dingen niet goed te begrijpen. Kleine dingen. Gewoon proberen. Voor de lol. Even veel jeuk, maar wel grappiger.
Houden we ook meer tijd over om de grote dingen goed te begrijpen.

p.s. Over dingen verkeerd begrijpen gesproken… (sorry, het volgende heeft niets met het voorgaande te maken, maar ik móét dit opschrijven, ik loop er al zo lang mee rond).
In het revalidatiecentrum waar ik altijd kom, hing laatst een bordje: ‘Training ganganalyse’, met een pijl eronder, naar rechts. Waar een enorme gang is. Dus dat begrijp ik wel, zo’n gang, dat is geen eenvoudige constructie, daar moet je zo nu en dan eens wat langer bij stilstaan, uitzoeken hoe het nu eigenlijk zit. Voor architecten in opleiding zag ik er veel nut in zo’n analyse. Ik stelde mij voor hoe een klas jonge studenten met een gretige blik op hun knieën door de gang gingen om op het einde van de dag met z’n allen tot de conclusie te komen dat een gang eigenlijk niks is zonder het gebouw. Kan zo op een tegeltje, en daar dan weer een foto van op LinkedIn.

Pak

pak2

Goed, als het 32 graden in de schaduw is en de uitverkoop zwetend uit zijn voegen barst, moet je ‘s zondags niet op de herenafdeling van de Zara zijn. Zeker niet met je vriendin en een ternauwernood gedempte ruzie die handenwrijvend naast je blijft staan als je het jasje aantrekt dat zij (de vriendin) ergens uit een rek heeft getrokken.
‘Het zit wel lekker,’ zegt hij.
Om de stemming te breken.
‘Ja, dat zal wel,’ zegt zij, ‘het is te groot. Dat staat voor geen meter.’
Eigenlijk wil hij helemaal geen pak aan. Maar er is altijd wel een of andere gelegenheid waarvoor dat moet, de bruiloft van een bevriend stel ofzo, en daar moeten ze heen, en hij heeft dus niks wat een beetje netjes is.
Vindt zij.
Sjiek hoeft niet, gewoon een beetje netjes.
Een pak.
‘Een pak is wél sjiek,’ zegt hij.
‘Nee, een smoking is sjiek. Een pak is gewoon netjes,’ zegt zij.
‘Wat is een smoking?’
‘Dat doet er niet toe, die hebben ze hier toch niet. En dat zou echt helemaal nergens op slaan… in een smoking naar een bruiloft.‘ Ze bekijkt hem nog eens. ‘Ga nou eens recht staan.’
‘Ik sta toch recht?!’
De ruzie gniffelt en trekt aan de rechtermouw van de jongen.
‘Ik kijk even of ze een maat kleiner hebben.’
De jongen bekijkt zichzelf in de spiegel en strekt zijn armen zodat de rest van zijn handen tevoorschijn komen. ‘Volgens mij is dit prima,’ zegt hij. Tegen zichzelf. Hij kijkt rond. De vrouw loopt langs de rekken, drie nieuwe jasjes onder haar arm geklemd. ‘Geen zwart, Es!’ roept hij.
Es. Kort voor Esther. Of Esmée.
Hoe dan ook, ze loopt door. De jongen wacht. Bekijkt en bevoelt verveeld een stropdas.
‘Ga je een das dragen? vraagt Es. Ze staat opeens achter de hem. Hij schrikt. ‘Staat je altijd goed.’ Hij schudt zijn hoofd.
‘Dat is zo benauwd.’
De ruzie laat een van de stropdassen eens even verlokkelijk glanzen. Es tilt hem met haar vrije hand verder in het licht. ‘Deze is best mooi.‘
‘Ik wil echt geen das om.’
Ze laat de das los en duwt het bovenste jasje in de handen van de jongen. ‘Probeer deze eens.’
‘Dit is een hele andere. Dit is zwart…’
‘Ja, dat zie ik ook. Deze is alleen om te zien of de maat goed is.’
‘De stof prikt in m’n nek.’
Es zucht. ‘Het gaat alleen om de maat!’ Ze laat haar blik van boven naar beneden gaan en weer terug. ‘Doe je bovenste knoop eens dicht, en dan je armen naar voren.’ Dat doet hij. ‘Nee, alleen de bovenste knoop.’
‘waarom?’
‘Dat hoort zo.’
‘Waarom zitten er dan twee aan?’
‘Goeie vraag,’ zegt de ruzie.
Zij haalt haar schouders op. ‘Is dat nú belangrijk?‘
‘Nee…’
‘Doe je armen maar weer omlaag…’ Ze zucht weer. ‘Ga nou eens gewóón staan!’
‘Ik sta toch gewoon?’
‘Dit is beter,’ zegt Es, meer tegen zichzelf dan tegen de jongen. Ze hangt de andere jasjes terug in een rek. ‘Wacht hier even, dan zoek ik er de goede broek bij.’
‘Dan wordt het een pak! We zouden alleen een jasje zoeken. Ik wil geen pak…. En ook geen zwart!’
Tien minuten later stapt hij een pashokje uit en gaat hij in het midden van het pad staan: pak, overhemd, das… The works. Es staat met haar rug naar hem toe, strijkt met haar hand langs een satijnen jurk die iemand heeft laten hangen.
‘Es…,’ fluistert hij. Ze draait zich om, kijkt en houdt haar adem in. De ruzie zet zich schrap.
‘Fuck!’, zegt ze tenslotte, ‘je bent opeens net papa…’
‘Ja! Snap je nou waarom ik geen pak aan wil?’ Ze knikt. ‘Mama zou zich kapot schrikken als ik haar zo naar het altaar zou brengen.’
‘Kom, trek alles maar uit, dan zoeken we een mooie pantalon met een trui of zo.’
De jongen verdwijnt weer in het hokje en zij gaat op een krukje zitten, handen in haar schoot.
‘Warm hè?’ zegt de ruzie, die tegenover haar is gaan zitten. Ze veegt het zweet uit haar wenkbrauwen.
‘Thieu,’ roept ze naar het pashokje, ‘laten we maar naar huis gaan.’