Categorie archief: Overleven

Gevoel

wilhelmina
Goed, ik ben nu ongeveer een week nagenoeg in mijn eentje aan het werk geweest, precies zoals het moet, alsof het allemaal gewone dagen zijn, dus op dezelfde tijd uit bed, dezelfde rituelen gevolgd om de dag te beginnen, hetzelfde ritme aangehouden, in beweging gebleven (oefeningen voor mijn zielige arm gedaan), en dus gewoon aan het werk gegaan, of nou ja, gewoon… ik doe niet alles helemáál hetzelfde, want ik kam en boetseer mijn baard niet eindeloos tot-ie in de perfecte vorm zit, en het zal u misschien verbazen, maar ik trek ook geen pak aan. Een t-shirt dat al 20 jaar meegaat, en een op marktplaats bij elkaar gescharreld joggingpak. U zou me eens moeten zien, of nee, eigenlijk liever niet.
Over pakken gesproken, gisteren las de koning op de tv een toespraak voor, wél in een pak. Een pak van bordkarton. Zo zat hij er tenminste bij. (Oké, het was natuurlijk een serieus onderwerp, maar iets meer schwung had wel gemogen, toch?) Hij bedankte zo’n beetje iedere landgenoot en landgenote. 
Altijd gevaarlijk zo’n lijstje, want het is natuurlijk nooit compleet. Toen hij eraan begon werd ik al zenuwachtig, omdat hij vast en zeker een beroepsgroep vergeten zou. Ik ben maar luidruchtig gaan koken, om de opsomming alleen half-en-half te horen. 
Kysia Hekster, die naderhand de analyse deed, had natuurlijk wel goed opgelet. ‘Deze toespraak ging over gevoel,’ zei ze, ‘in tegenstelling tot die van premier Rutte, want die ging over beleid.’
‘Ja,’ riep ik van achter het aanrecht, ‘laten we die twee dingen vooral uit elkaar houden!’
Het maakte me echt pissig!
Ik schrijf namelijk al 20 jaar beleid, en dat doe ik op mijn gevoel. Bij mij gaat het juist fout als ik níét ook en tegelijkertijd mag opschrijven wat mijn hart me ingeeft.
Beleid is emotie.
Ja, romantisch hè?
Puh, van mijn part noemt u het naïef en sentimenteel, maar het is zo.
Daarom stak het mij toch wel een beetje dat de koning niet alle mensen van beleid bedankte, of dan tenminste toch de mensen van beleid die iedere notitie telkens weer uit het diepst van hun hart haalden.
En Kysia hoorde ik er ook niet over, in weerwil van haar ijverige glimoogjes.
Maar goed, waardering of niet, ik ga gewoon door, net als de overgrootmoeder van de koning, Wilhelmina, ‘eenzaam maar niet alleen’. Wat ik opeens niet goed begrijp, die titel bedoel ik, want ik zou hopen dat het juist andersom was: alleen maar niet eenzaam (gemiste kans voor de speechschrijver).
Hoe dan ook, ik ga voor dat laatste. Al dan niet noodgedwongen.
Nee, dat is niet half zo droevig als u zou denken. U kunt er inmiddels over meepraten. Het is helemaal niet droevig.
Ironisch misschien.
Social distancing, eindelijk iets waarin ik uitblink, en niemand die het ziet.

Raam

Aan de overkant van de straat is een raam dat ik niet begrijp. Ik bedoel dat ik niet kan achterhalen bij welke voordeur het hoort.
Dat is irritant!
Ik heb me een ongeluk zitten puzzelen, net zo lang naar de gevel getuurd en kleuren van kozijnen met elkaar vergeleken tot ik zowat van mijn verstand ging en het misschien wel verdacht werd. Maar ik kwam telkens een voordeur te kort, of ik hield een raam over. Of andersom.
Rara, hoe kan dat?
Vroeg ik mij af.
Thornfield Hall in de Lombokstraat. Of Blauwbaards burcht!
Eek!
Ja, ik kon natuurlijk eens een praatje aanknopen met de overbuurman/-vrouw of met een van de 38 studenten uit de huizen daarnaast, en dan langs mijn neus weg naar dat raam vragen, maar laat ik eerlijk zijn, dat durfde ik niet.
Eh…
Goed.
Meer dan geheimzinnig was het raam niet. Er was eigenlijk niks aan. Geen licht of leven was erachter te zien. Een saai zwart gat was het.
Tot er op een dag zomaar opeens twee hele kleine katjes in de vensterbank zaten. Ze keken mij aan toen ik mijn gordijnen openschoof, net zo verbaasd over mij als ik over hen. En misschien vonden ze mijn raam wel net zo geheimzinnig als ik hun raam, dat door hen alleen maar geheimzinniger werd, want waar kwamen zij vandaan?
Misschien dat het raam toch bij het huis van mijn overbuurman hoorde. Hij leek me wel een kattenman. Dus ik mijn stoute schoenen aan toen hij zijn vuilniszak buitenzette. Maar hij wist van niks, integendeel hij hield helemaal niet van katten, want hij was er allergisch voor. Hij keek me aan alsof ik hem een onbetamelijk voorstel deed. Beledigd.
Dat had ik weer.
Weer binnen staarde ik pissig naar de katjes, die al hun verbazing kwijt waren en alleen maar blij om me te zien.
Dat maakte een hoop goed. Sterker nog, het maakte bijna alles wat me sindsdien overkwam weer goed. Geen tegenslag zo groot of ik lachte die weg als zij bij mijn weerzien tegen de ruit opsprongen.
‘Kijk, daar is die meneer weer!’ riepen ze dan.
Dacht ik.
Vond ik.
Dus toen ik vannacht wakker werd van gemiauw, stond ik meteen naast mijn bed. Of nou ja, dat kwam ook doordat een vrouw met een nogal zware stem in het Russisch met iemand aan het telefoneren was.
Het geheimzinnige raam stond open!
En de vrouw zat in de vensterbank!
‘Don’t speak Russian,’ zei een man. De vrouw had voor het gemak haar telefoon op de speaker gezet, zodat het gesprek met galm en al in de hele straat te horen was. ‘Speak English please.’
Dat deed ze. ‘They are in the street!’ riep ze. Ik keek naar beneden, het was waar. ‘No, I don’t know how.’ Dat wisten de katjes zelf ook niet. Ze keken bangelijk in het rond alsof ze net geboren waren. De straat was opeens drie keer zo breed.
Vervolgens deed de vrouw afwisselend in het Engels en in het Russisch live verslag van wat er met de katjes gebeurde. Niet zo heel veel. Op een auto na, die bij nader inzien toch onze straat niet in kwam rijden. Terwijl de katjes onwetend bleven zitten en de vrouw het uitschreeuwde van de angst.
Dat schoot niet op. Ik deed mijn kamerjas en sloffen aan en ging naar beneden. Met een beetje geluk kon ik zowel de katjes redden, als het raadsel van de kamer oplossen, want als ik die twee van de straat had geplukt (ze zouden mij vast en zeker herkennen als die meneer van de overkant), kwam de vrouw natuurlijk vanzelf ergens uit een van de deuren te voorschijn.
Zo gezegd zo gedaan.
Maar u snapt het al, het liep allemaal anders.
Het begon zoals ik mij had voorgesteld, de katten begroetten mij als een oude vriend, de vrouw kwam tevoorschijn – neem dat letterlijk, ze was er opeens, uit het niets – maar terwijl zij in haar peignoir ongemakkelijk dicht tegen mij aan kwam staan zodat ik de katjes in haar armen kon laten overstappen, verscheen haar Engels sprekende vriend ook opeens uit het niets.
‘Yes, I can see you now…’ zei hij.
Zijn stem echode luid, zowel in het echt als via het mobieltje van de vrouw, dat zij onder het schouderbandje van haar bh had gestoken. Ik schrok (van de telefoon) en deed snel een stap achteruit.
Foute reactie.
De man liep op mij af. De vrouw probeerde hem in het Russisch op andere gedachten te brengen. Tevergeefs.
Ik werd badend in het zweet wakker.
En nou weet ik nog niet hoe het met dat raam zit.

Boodschappenkarretje

Ik heb een boodschappenwagentje. 

Ongeveer 20 jaar eerder dan ik had gedacht. 

Hoewel ik met één arm net zo makkelijk tassen kan sjouwen als vóór mijn ongeluk (heus wel), vond mijn ergotherapeute het toch geen goed idee. Omdat ik mijn goede arm moet ontzien. 

Goed punt. 

Want wat ik zo lang mogelijk uit wil stellen, is dat ik iedere morgen moet wachten op iemand van de thuiszorg die mij komt aankleden, of mij bij iets anders intiems komt helpen. Los van het feit dat  ik dan weer een schaamte voorbij moet zien te komen, wat me tot mijn eigen verbazing nog steeds redelijk goed lukt, maar waar ik iedere keer toch weer tegenopzie, wil ik graag zo lang mogelijk eigen baas over lijf en leden blijven. 

Onafhankelijk. 

In het revalidatiecentrum waar ik vier weken verpleegd werd, was onafhankelijkheid verreweg het belangrijkste doel van iedereen die daar verbleef. 

Het enige, eigenlijk.

Ja, een lichaam dat deed wat je wilde, dat wilde natuurlijk ook iedereen, maar dat alleen omdat het de voorwaarde voor onafhankelijkheid was.

Dingen zelf kunnen doen, daar ging het om. 

Gaat het om. 

De hele dag door.

De rest van je leven.

Dus ben ik erg zuinig op mijn rechterarm.

Enter boodschappenwagentje. Een ding dat ik mij alleen voor de geest kon halen met een kromgebogen grijs vrouwtje ervoor en daar weer een stoffig hondje naast. Of een gebochelde man met een sleepvoet, die het karretje gebruikt om er de stadskrant mee te rond te brengen. 

Ja, dat waren mijn akelige herinneringen die tevoorschijn kwamen toen ik kriskras over het internet surfde op zoek naar een model boodschappenwagen dat het allemaal wat minder erg zou maken. 

Dat viel reuze mee. Het ene karretje was nog hipper dan het andere (en die rood-groen-geruite met zwart nepleer afgebieste dingen bestaan niet eens meer). Om maar niet te spreken van de far out of my league foto modellen. Voor € 89,95 kon ik al een bolide kopen waarmee ik de hele wijk onveilig kon maken. En goede sier bij weet ik veel wie.

Dus ik kocht er een.

En ik trok 40 kg boodschappen door de Kanaalstraat alsof het niets was. Maar het winkelen zelf, dat bleek logistiek ingewikkelder dan ik had gedacht. Want de Albert H. is ingericht op zijn eigen winkelkarretjes. Typisch egocentrische houding van een grootkapitalist, vind ik, maar voor de meeste mensen is dat kennelijk geen probleem, want die laden na het afrekenen alles vrolijk en tweehandig van het karretje in hun tas, alsof het niks is (kost), maar wat moet een éénhandige? Met twee karretjes de lanen in (eigen karretje in AH’s karretje)?

Hm… ik zal u niet vermoeien met alle systemen die ik gaandeweg bedacht en probeerde uit te voeren en weer verwierp. Maar neem van mij aan dat het gedoe was, in het echt en in mijn hoofd, zoveel gedoe dat ik iedere keer mijn hele leven tegelijkertijd ridicuul en treurig vond en van de weeromstuit heimwee kreeg naar de tijd dat er bij de kassa een frisse jongeman stond die hielp bij het inpakken, weliswaar door alles volgens een meestal volslagen onlogisch systeem in je tas te arrangeren, maar die ik nu zou toejuichen omdat hij het boodschappengedeelte van mijn leven tenminste een beetje draaglijk zou maken. 

Eh…

Iets of iemand heeft kennelijk mijn gestuntel en wanhoop gezien, want er kwam een soort hulp van boven. Albert H. voerde in mijn eigen persoonlijke supermarkt aan de Damstraat eindelijk de zelfscanner in. 

Geweldig! 

Onafhankelijkheid!

Ik croste door de supermarkt met mijn eigen wagentje, scande links en rechts spullen die ik meteen kon inladen en hoefde aan het eind alleen maar even die scanner terug te hangen. En te betalen.

Een pistool, noemden mijn kinderen zo’n apparaat vroeger, toen ze die alleen nog maar in XL-Winkels hadden en zij er, in weerwil van hun pacifistische opvoeding, om vochten tot we een of ander schema verzonnen om het schieten eerlijk te verdelen. 

Uiteindelijk bleek het grootste probleem telkens weer om dat pistool niet kwijt te raken. Want als het ruziën om het pistool gedoofd was, verloor de winnaar/winnares al snel zijn/haar belangstelling in het schiettuig en liet het dan ergens liggen. 

En konden we weer helemaal opnieuw beginnen, nadat we de achttien zakken paprikachips en zeven zakken M&M’s op een of andere manier uit het geheugen van Het pistool hadden weten te wissen.

Daar dacht ik laatst met weemoed aan terug, op de achterbank van een politieauto, toen ik zelf die scanner was verloren. 

Ik kende de routine nog, dus had me vooraan bij het meisje van de balie voor sigaretten en bonuskaarten gemeld.

‘Ik ben mijn pistool kwijt, het ligt ergens in de winkel,’ zei ik tegen haar.

Hm… dat leverde dus een hele andere reactie op dan ik had verwacht.

Henk

Eigenlijk wilde ik helemaal niet eens opstaan en naar beneden lopen om open te doen, want ik zat in mijn leunstoel te niksen, maar ik ben natuurlijk veel te nieuwsgierig om dat vol te houden, zeker als de bel gaat, dus ik deed het toch (liep de trap af en haalde de deur van het slot), en nodigde van de weeromstuit een vreemde vrouw binnen omdat ze zo verdrietig keek dat mijn hele verdediging in een paar tellen afbrokkelde, en stonden we even later na twee zwijgend bestegen trappen voor mijn slaapkamerraam om in de binnenplaatsjes achter mijn huis naar haar verloren kat te zoeken.
Henk.
Rare naam voor een kat.
Vond ik.
Maar het leek me ongepast om daar nou over te beginnen en bovendien durfde ik dat niet, want ik was al ver, vér buiten mijn comfortzone terwijl ik er een nota bene een ander, een volslagen vreemde nog wel, in had toegelaten. Dat was misschien vragen om moeilijkheden.
Dus hield ik mijn mond.
Ik dacht wel van alles, bijvoorbeeld dat Henk een geliefde van haar was (geweest), die nu als avonturier en matroos eerste klas, of zoiets (zéker geen tweede klas), op grote oceaanstomers voer en maar zelden aan wal kwam, maar wiens geest voor zijn vertrek in hun kat gevaren was (pun intended, ik kon het niet laten).
De vrouw had van buren en daar weer buren van gehoord dat er ergens achter mijn huis telkens een miauwende kat te horen was.
Dat klopte.
Misschien was dat Henk, dacht ze.
Dat Henk er heel anders uit zag, de kat achter mijn huis was rood en Henk was grijs, en dat die rooie dus al een jaar lang iedere dag een mengeling van klagen en zich geen raad weten aan het roepen was, dat had haar hoop niet gebroken toen ik haar die feiten plompverloren voor de voeten had gegooid.
Ze wilde dat andere beest met haar eigen ogen zien.
Dus stonden we daar en tuurden we naar beneden.
Sip.
Zij omdat ze Henk miste (2x), en ik omdat ik aan mijn eigen kat terugdacht, een somber en schuw dier dat ik, vanwege dat ik godbeterhet natuurlijk maatschappelijk betrokken moest doen, bij het asiel had gekocht, inclusief een gebruiksaanwijzing van vier aan elkaar geniete a4tjes, want het was een kat ‘met een vlekje’.
Een paar vlekjes, eigenlijk. Meer vlekjes dan ik in de instructies en op internet kon vinden.
Dat had ik weer.
Ik snapte ook wel dat ik dat niet als een persoonlijke afwijzing moest opvatten, maar toen ze na twee weken nog niet onder de bank vandaan wilde komen, behalve om te eten, en dan alleen nog als ik in een hele andere hoek van de kamer ging staan, werd ik er toch wel een beetje droevig van.
Net zo droevig als de vrouw naast mij, die nog steeds alle koertjes en schuurdaken afspeurde op zoek naar Henk. Of de rode huilkat, want als ze die spotte dan kon ze, hoe treurig ook, de hoop dat het Henk kon zijn van haar lijstje schrappen.
En verder zoeken.
Mijn kat en ik, dat wil zeggen, ík in ieder geval, probeerde(n) een paar maanden met elkaar samen te leven, maar echte liefde zoals de liefde van de vrouw voor Henk (2x) werd het nooit. Bij lange na niet. Een vreedzame co-existentie was het op zijn best, maar hoe nep en broos die was, bleek toen ik haar, nota bene voor haar eigen bestwil, naar de dierenarts moest brengen voor een spuitje tegen een of andere kattenziekte.
Ze moest in een draagbaar gevangenisje.
En dat wilde ze niet.
Kon ik me voorstellen.
Maar het moest toch echt.
Mijn charme legde het op een hele sneue manier af tegen haar achterdocht. Al meteen bij mijn eerste poging haar de cel in te lokken rook ze onraad, en niet veel later, na een onterend gevecht dat ik kansloos verloor, had zij zich sissend en blazend weer onder de bank verschanst.
Het was een van die momenten in mijn leven waarop ik besefte dat het allemaal anders moest. Terwijl ik op mijn buik met bloedende handen en armen haar met kattenlekkernij probeerde te naderen, zag ik mezelf daar opeens liggen, met afstand machtelozer dan ik ooit was geweest…
‘Oké, jij wint,’ zei ik.
Tegen mijn kat.
Na drie dagen wist ik haar eindelijk in het traliemandje te krijgen (nadat ik haar uitgehongerd had en met voer naar binnen had gelokt), zodat ik haar naar het asiel kon terugbrengen, inclusief gebruiksaanwijzing en vlekjes. Het was een van de donkerste dagen in mijn leven.
‘Kijk, daar is hij!‘ riep de vrouw.
De rode kat. Hij keek ons recht in de ogen en dacht bij zichzelf: wat een sukkels.
Get a life!’ miauwde hij.
Of zoiets. Zo klonk het ten minste.
Dacht ik.

Eikenprocessierups

De eikenprocessierups, daar hoor je ook veel over tegenwoordig.
Mooi woord, eikenprocessierups.
Omdat iedereen altijd zegt dat ik zo openhartig ben, ga ik hier niet geheim te houden dat ik dat woord eerst verkeerd begreep. Half en half expres, want iets verkeerd begrijpen is vaak veel grappiger.
Ik dacht dus dat die éíken in processie moesten staan. Netjes op een rijtje achter elkaar. Ja achter elkaar, wat best wel moeilijk vast te stellen is, omdat volgens mij een boom geen voor of achterkant heeft, dat wil zeggen de voor- of achterkant is afhankelijk van waar je staat. Ik ga dat verder niet uitleggen want ik moet nog meer vertellen. En ik denk dat u wel snapt wat ik bedoel.
De eikenprocessierups begreep ik als een rups die voorkeur heeft voor eiken die achter elkaar staan. Kennelijk kunnen die beestjes wél bepalen wat de voor en achterkant van een eik is, dacht ik, en dan kunnen ze ook nog eens zien dat ze in processie staan. De eiken bedoel ik. En dat terwijl ze op de grond tussen het gras en gevallen bladeren rondscharrelen, de rupsen bedoel ik.
Maar goed, de natuur staat voor niets. Zei ik tegen mezelf.
Allemaal niet waar dus.
Jammer.
De rupsen zelf, die vallen wel mee, las ik ergens, het gevaar zit in hun haren. Die branden. Ze heten dan ook brandharen. Een enkele krant schreef erover in de verkleinende vorm: brandhaartjes. En ja hoor, ik zag brandhaardjes (met een ‘d’) voor me, inclusief hele kleine brandweerautootjes met hele kleine brandweermannetjes en -vrouwtjes die een heel klein fikkie aan het blussen waren.
Schattig toch?
Neem van mij aan, het leven is een stuk grappiger als je het verkeerd begrijpt. Of nou ja, je moet niet alles verkeerd begrijpen. Denk ik.
Nooit geprobeerd.
Hoe dan ook, voor wie alles meteen goed begrijpt, zijn de rupsen een plaag en zorgen ze voor onveilige situaties. Dan komen ze in de krant en moeten ze bestreden worden. Roep ‘onveilig’ en er volgen maatregelen: bijvoorbeeld mensen gekleed als maanlanders met enorme stofzuigers die de eiken te lijf gaan.
Exit processies.
Maar we leven in Nederland, en dat gaat dus zomaar niet. Wat blijkt, in ieder stad of dorp pakken ze de bestrijding van de rupsen anders aan. Er is geen lijn in te vinden. De wethouders voor bestrijding van onveilige situaties en andere enge dingen roepen dat er centraal beleid moet komen.
Nou ben ik van beleid en ook nog eens van het landelijk kantoor (= een centraal orgaan), maar volgens mij is dat geen goed idee. Ten eerste omdat het beleid er dan nooit komt, want voor de landelijke commissie samengesteld is en die een gemeenschappelijk gedragen eikenprocessierupsenvisie heeft weten op te stellen, zijn al die rupsen al aan het poppen om vlinder te worden. Ten tweede omdat je met centraal beleid die rupsen in de kaart speelt, want dan kunnen zij op hun beurt een landelijke tegenstrategie ontwerpen om op de centrale mensenstrategie af te stemmen, in plaats van dat zij door de volkomen ondoorzichtige en fijn chaotische regionale en lokale aanpak helemaal in de war raken, en van wanhoop niet meer weten wat de voor- of achterkant van een eik is, laat staan dat ze nog fatsoenlijk kunnen zien of die eiken achter elkaar staan, om vervolgens in verwarde toestand de lanen uit en de paden af te gaan.
Maar nee hoor, alles moet centraal.
Inmiddels is het centrale punt er, inclusief een website om vragen te stellen, een kenniscentrum voor onderzoek, en protocollen om op te volgen.
Dit alles om te bewijzen dat de mens niet meer tegen de natuur op kan.
Let op mijn woorden mensen, we zijn aan het verliezen, we kunnen maatregelen nemen wat we willen, centraliseren en protocolleren tot we een ons wegen, maar hoeveel brandweermannetjes en-vrouwtjes we ook inzetten, uiteindelijk zullen de infernootjes ons verslinden.
Misschien moeten we toch beginnen met een paar dingen niet goed te begrijpen. Kleine dingen. Gewoon proberen. Voor de lol. Even veel jeuk, maar wel grappiger.
Houden we ook meer tijd over om de grote dingen goed te begrijpen.

p.s. Over dingen verkeerd begrijpen gesproken… (sorry, het volgende heeft niets met het voorgaande te maken, maar ik móét dit opschrijven, ik loop er al zo lang mee rond).
In het revalidatiecentrum waar ik altijd kom, hing laatst een bordje: ‘Training ganganalyse’, met een pijl eronder, naar rechts. Waar een enorme gang is. Dus dat begrijp ik wel, zo’n gang, dat is geen eenvoudige constructie, daar moet je zo nu en dan eens wat langer bij stilstaan, uitzoeken hoe het nu eigenlijk zit. Voor architecten in opleiding zag ik er veel nut in zo’n analyse. Ik stelde mij voor hoe een klas jonge studenten met een gretige blik op hun knieën door de gang gingen om op het einde van de dag met z’n allen tot de conclusie te komen dat een gang eigenlijk niks is zonder het gebouw. Kan zo op een tegeltje, en daar dan weer een foto van op LinkedIn.

Allenig

‘Kijk, daar is-ie!’ zei de dokter. Júíchte de dokter.
Mijn biceps. Daar was mijn biceps. Ik had ‘m zelf weten te vinden en weer tot leven gewekt.
Of nou ja, dat laatste had de dokter gedaan. Eigenlijk. Een jaar geleden. Met een operatie. Maar daar kon ik me niet zoveel meer van herinneren. Kon ik niet of wilde ik niet, dat wist ik niet.
Het was iets wat ik had willen vergeten, maar toch ook niet kwijt wilde, al wist ik niet waarom (noch het een noch het ander had me gerustgesteld), zodat ik het dan maar ergens in een of ander achterafkamertje van mijn hoofd had opgeslagen zonder er verder over na te denken, dat wilde ik ook niet, er over nadenken, ik zou wel merken of het weer boven water zou komen.
En zo ja, hoe.
‘Boven water komen‘ was misschien geen goede beschrijving, dacht ik later. Nee, het zou waarschijnlijk met alles wat erbij hoorde (wat dat ook wezen mocht) mijn gedachten binnenrazen als een kudde wilde paarden, een zwerm nijdige bijen, een speelplein vol ontembare kinderen op zo’n middag waarop het maar niet wil gaan regenen, ondanks alles.
Maar zo ging het niet. Ik klikte iets aan op het internet en het was al te laat om weg te kijken. De foto greep me bij mijn lurvenen ik móést er naar kijken, naar de complete silence in the room as the surgical team absorbed the graivity of their mission.
Die stilte, die herinnerde ik mij opeens weer. En dat iedereen die ging helpen bij mijn operatie plechtig om me heen stond, terwijl de dokter vertelde wat ze zouden gaan doen, niet aan mij, maar aan de anderen, waardoor ik stukje bij beetje verdween tot ik zo alleen was als ik nog nooit was geweest.
Allenig.
Een woord van mijn moeder.
‘Wat zit je daar allenig?’ vroeg ze me bijvoorbeeld, toen ik klein was, als ik gewoon ergens in mijn eentje zat (wat nogal eens gebeurde, sans regrets). Maar doordat ze het altijd een beetje bezorgd vroeg, begreep ik dat woord op den duur precies andersom, niet als een zachtere vorm van alleen, maar juist als een vergrotende trap. Allenig, dat was nog allener dan alleen.
En nog erger dan eenzaam.
Want alleen, dat is zonder anderen, en eenzaam is zonder anderen terwijl je dat niet leuk vindt, maar allenig, dat is dat anderen je niet zien (denk je), dat je íéts bent in plaats van iemand.
Hm… zó erg was het niet in mijn jeugd, maar in de eerste dagen na mijn ongeluk wel. Toen was ik allenig.
En eigenlijk begreep ik dat wel. Ik wist van voren niet dat ik van achteren leefde, en als ik al ergens bewust mee bezig was, dan was het met óverleven. Dus communiceren met anderen, sowieso al een dingetje in mijn leven, dat zat er echt niet in. En dat kwam degenen die mij gingen helpen te overleven (de anderen), dan weer goed uit, want ze moesten snel handelen. Veel tijd om dingen uit te leggen was er niet.
Dus ik was iets waar je in allerijl de kleren vanaf knipt, iets wat je met laken en al met z’n vieren van het ene bed naar het andere tilt (‘bij drie… één, twee, drie!’), waar je naalden in prikt, slangen aan vastplakt, iets wat je door eindeloze koude gangen naar een operatiekamer rijdt, om daar tenslotte in ‘volkomen stilte het gewicht van wat je met z’n allen zou gaan doen in je op te nemen’.
Terwijl ik daar lag.
Allenig.
Een halve dag lang.
Toen ik eindelijk weer bijkwam, was de dokter juist aan zijn zaalronde bezig. Hij keek om en riep: ‘Kijk, daar is-ie!’, Hij kwam naar me toe kwam en legde zijn hand op mijn goede arm. ‘Daar bent u weer!’
Ik knikte. ‘Ja, daar ben ik weer!’

P.S. U kunt me geloven of niet, maar ik had nog niet de laatste punt achter deze blog gezet, of de afspeellijst waarnaar ik aan het luisteren was, schotelde me dit voor (Lonely House, Abbey Lincoln). Let vooral op deze regel: ‘Funny you can be so lonely with all these folks around’

Zwemmer

IMG_2948Toen ik afgelopen zondag over het jaagpad langs de Krommerijn van Bunnik naar Utrecht liep, kwam me halverwege Amelisweerd een zwemmer tegemoet.
Hij was helemaal bloot. Dat kon ik door het troebele water nauwelijks zien, maar ik wist het toch omdat ik hem kort daarvoor een eindje verderop in het gras naast zijn hoopje kleren had zien staan.
Een beetje zielig.
Zowel de man als zijn hoopje kleren.
Vond ik.
Ik probeerde heel hard niet meteen te denken dat hij een verward persoon was, iemand ‘met een psychische kwetsbaarheid’.
(Wie zou die laffe eufemismen verzinnen, trouwens? En zou die lafaard niet begrijpen dat zo’n rad voor ogen averechts werkt? Als ik ‘zo gek als een prei’ was, dan zou ik echt pissed zijn als iemand me in een of andere vage verzameling van mensen met [vul hier een eufemisme in] zou wegzetten. Want dan was ik meteen mijn eigen hele persoonlijke geestesgesteldheid kwijt.)
Maar goed, terug naar die man. Die ik een beetje zielig vond. Die naakt op de oever van de Krommerijn had gestaan en die niet echt de houding had van een man met onhoudbare levenslust en minachting voor het noodlot, die slome wandelaars zoals mij uitlacht om hun nietige bestaantjes. Nee, de man was geen hedendaagse vitalist die op het punt stond om weer een uitdaging van zijn bucket list te schrappen. Hij leek eerder deemoedig, als iemand die zichzelf een straf heeft gegeven.
Met de schoolslag.
Dat viel me tegen, niet dat die man zichzelf strafte, maar dat hij de schoolslag zwom. En het leek me ook nogal dom. Ik bedoel, als je op een kille en bewolkte zondagmorgen tegen de stroom in een heuse rivier te lijf gaat, dan kom je met de schoolslag niet ver, psychologisch gezien. Het water lacht je schaterend uit voor je je eerste slag hebt afgemaakt. De schoolslag is voor bangerikken.
(Wat me aan de enige keer dat ik mijn oma zag zwemmen deed denken, die was namelijk ook bang, dat haar gepermanente krullen nat zouden worden, zodat ze terwijl ze voorzichtig door het water bewoog (het was géén zwemmen) haar nek uitstak, als een stokstaartje dat voor z’n A-diploma opgaat.)
Maar dat hoorde er misschien wel bij (ik heb het nu weer over de man met z’n schoolslag), want de man onderging de hoon over zijn schichtige schoolslag alsof het zijn verdiende loon was.
De zwemtocht was een boetedoening, dat was me nu wel duidelijk. De een loopt naar Santiago de Compostella en de ander zwemt in de Krommerijn naar Bunnik. Of Wijk bij Duurstede.
En weer terug. Want zijn kleren lagen immers op de walkant in Amelisweerd inclusief een deprimerend armoedige theedoek waarmee hij zich zou gaan afdrogen. Zielig kan nog zieliger, dacht ik, toen ik er langs liep.
‘Nog zieliger!’ riep de wind en hij blies de theedoek van het hoopje.
Ik erachteraan.
Nu moet u weten dat ik tegen dingen praat. Ik weet niet waarom, maar ik doe het. Ik voer complete conversaties met wat ook maar. Ik heb een vaag vermoeden dat het beter voor mijn gemoedsrust is.
‘Hé,stomme theedoek!’ riep ik, terwijl de doek zich dansend in de wind ontvouwde. Dat was een mooi gezicht, maar ik had niet zoveel tijd om ervan te genieten, want hardlopen over een hobbelig paadje met een plotseling loodzware bungelende linkerarm, die telkens precies de andere kant op wilde, ging eigenlijk niet. Wat ik dan wel weer grappig vond (omdat ik mezelf daar zag wankelen achter die stomme theedoek aan).
‘Kom terug!’ Dat klonk hulpeloos en galmde bovendien naargeestig over het water het bos in.
Ik was inmiddels weer in de buurt van de man. Die keek om, precies op het moment dat ik zijn theedoek uit de lucht greep.
‘Hé, blijf van mijn theedoek af!’ riep hij. Dat was niet de reactie die ik verwacht had.
‘Hij vloog weg,’ antwoordde ik.
‘Ja hoor, een vliegende theedoek. Moet ik dat geloven?’ Ik haalde mijn schouders op. De man watertrappelde en inspecteerde mij. ‘Ben je wel helemaal 100? Imbeciel! Met je rare armpje’.
Imbeciel, dacht ik, dat woord hoor je niet vaak meer.
‘Ben je doof of zo? Hé! Kapitein Haak! Leg die doek terug!’
Ik knikte en keerde om, terwijl de man bleef schelden.
Nee, geen boetvaardige man die van zich zelf voor straf naar Wijk bij Duurstede moest zwemmen, leek mij. Ook geen persoon met een psychische kwetsbaarheid. Met een kort lontje, dat misschien wel.

p.s. Mijn motto, of eigenlijk dat van mijn moeder, of tenminste één van haar motto’s, iets wat ze me vaak zei toen ik klein was, is dat het leven niks is als je je niks verbeeldt. Mijn interpretatie daarvan is dat je er af en toe iets moet bijverzinnen. Dus voor de goede orde: die man zwom daar echt, en zijn kleren lagen echt op een hoopje aan de oever, lullig theedoekje bovenop. En dat theedoekje waaide echt weg, maar ik wist het meteen te pakken, nog voor het zich in de wind kon ontvouwen, en legde het terug met een mooie zwerfkei erbovenop.
Hoe saai is dat?
Dus vandaar.

Flashback

Bij de cardioloog moest ik op een fiets. Geen echte, maar zo’n hometrainer. Met de helft van mijn kleren uit – ontbloot bovenlijf heet dat in dokterstermen – want ze moesten overal met zuignappen sensoren op me vastzetten, voor een hartfilmpje.
Nou zeg maar gerust hartfílm. Een hele trilogie kwam er uit het apparaat van de mevrouw die de test afnam. Gemillimeterde vellen vol van die onheilspellende bibberlijntjes.
En ik maar doorfietsen.
Onder het bleke licht van de tl-balken.
Naar niks of nergens.
En om het allemaal nog eens lekker dik aan te zetten, hing er recht voor mij een enorme foto van een paar wielrenners die de fijne helling van een of andere Alp aan het beklimmen waren. In verfletste full color, wat het minder in your face, maar des te melancholischer maakte.
Tja… Dit zou allemaal toch ruim voldoende moeten zijn om (eindelijk) eens in tranen uit te barsten en ten overstaan van de nietsvermoedende laborante al het verdriet over mijn zielige arm eruit te schreeuwen.
Dacht ik.
Maar in plaats daarvan fietste ik gewoon door, denkend aan de lente in februari. En aan wat mijn moeder altijd zei als ik haar aan de telefoon had verteld hoe ik honderdzoveel kilometers in mijn korte mouwen en broek en met vers geschoren benen door het onverwachte mooie weer en dito landschap had gereden: ‘Dat pakken ze niet meer van je af.’
Dus wel.
Want, bijvoorbeeld, die geschoren benen herinner me wel, maar de wind langs mijn kale huid niet meer. Ja, hoe weet je dat dan, hoor ik u denken. Okay, anders gezegd: ik weet nog dat het gevoel er was, maar de sensatie zelf is foetsie.
Afgepakt, in mijn moeders woorden. Ik vroeg me opeens af wie die ‘ze’ eigenlijk waren.
Een of andere bende die er op uit was om fijne belevenissen, inclusief herinneringen daaraan, van anderen af te pakken? Storywipers in plaats van storytellers?
Hm… Storywipers… Dat lijkt de naam een minivolkje uit een boek van Roald Dahl. Of het beroep van de ranzige nerds uit die ene film over die vrouw met die ongelooflijk mooie wenkbrauwen.
Maar hoe ze ook heten, ze bestaan, weet ik nu. Dat wil zeggen, hét bestaat, het fenomeen, storywiping. Ergens in je hoofd. In mijn hoofd in ieder geval.
Echt waar.
Ik was nog niet door een motor aangereden of iets in mijn hersenen wiste niet alleen de akeligste momenten van de botsing, maar voor de zekerheid meteen ook alle fietstochten die ik ooit had gemaakt, zodat ik niet associërend van de ene herinnering naar de andere in nare scènes terecht zou komen.
En daar denk ik dus nooit meer aan terug, niet aan de botsing en niet aan die tochten. Ik krijg geen flashbacks waarin ik met mijn zielige arm avant la lettre door de lucht vlieg, nee zelfs niet als een thuisbezorger (m/v) in de Kanaalstraat een kortere weg over de stoep neemt (de kortere weg is het heilige pad voor thuisbezorgers (m/v) en de Kanaalstraat is hun Walhalla) en hij/zij voor de gein tot het laatste moment wacht met mij te ontwijken.
Doet me niks.
En met een brok in mijn keel mijmeren over de wind langs mijn geschoren benen dat doe ik ook niet (wat zonder context trouwens ook een beetje travestueus klinkt, maar dat terzijde). De geur van kettingolie? Ik zou niet weten wat dat is. Het geluid van tot zeven bar opgepompte bandjes over warm asfalt? Voorgoed verdwenen. Panorama’s van eindeloze polders aan de voet van eindeloze dijken? Verdampt.
‘Stopt u maar’, zei de vrouw. Ze trok een laatste vel uit de machine en bestudeerde het. ‘Nou meneer, u bent het fietsen niet verleerd.’
Nee, dat moest er nog eens bijkomen!

Alleen

Robert ten Brink van All you need is love heeft als motto voor zijn programma ‘Niemand mag met Kerst alleen zijn’.
Wel ja, ga er maar aanstaan.
Niemand!
Nou, ik kan u vertellen, dat is hem dit jaar niet gelukt. Toen ik zijn voornemen las, dacht ik bij mezelf, dat zullen we nog wel eens zien! Ik ben deze blog om half acht kerstavond, begonnen, en ik had toen sinds kerstochtend alleen mijn moeder gesproken. Aan de telefoon. Maar dat doe ik iedere dag. Dus dat telt eigenlijk niet. En ik heb een meneer gedag gezegd op straat, maar dat vind ik eigenlijk ook niet tellen, het duurde niet langer dan een seconde.
Inmiddels is de tweede kerstdag zowat voorbij en het zou me verbazen als hij straks nog bij me aanbelt. Robert ten Brink bedoel ik. Maar mocht hij zo vastberaden en hardnekkig zijn, dan doe ik lekker niet open. Ik vind alleen namelijk wel fijn. En Robert ten Brink vind ik eng.
Hoezo mag niemand alleen zijn? Dat is behalve een opschepperige overschatting ook een nogal aanmatigende moraal. Kennelijk ben je sneu en te betreuren als er niemand is om kerst mee te vieren. Maar ik vind kerst al geeneens een leuk feest. Dat is dan natuurlijk helemaal een gotspe.
En dan die titel van dat programma… Een nog grotere overschatting, en een behoorlijk naïeve bovendien.
Eh… All you need is love? Ik denk het niet. Ja, in 1967 leek het er misschien een beetje op, toen de Beatles het zongen, maar ik zou mij daar niet veel van voorstellen. Die jongens hadden het op een gegeven moment ook wel gehad met liefhebben en dan wilden ze ook gewoon een hapje eten.
Terug naar het onderschatte alleen zijn. Niet te verwarren met eenzaamheid. Korte definities om ze uit elkaar te houden: Iemand is alleen als hij/zij zonder anderen is (letterlijk of figuurlijk), en eenzaam als hij/zij dat niet leuk vindt.
Als u andere definities wilt, pas dan op met googelen, want het internet is vergeven van de sites over eenzaamheid. Het is booming business. Op de sites staan tips om er vanaf te komen. Dat is natuurlijk raar. Ik bedoel, stel dat ik me wél eenzaam voel, ga ik dan op een site zoeken wat ik er aan kan doen? Ik denk het niet.
Ik ben voor gein toch eens op zo’n site gaan kijken en werd er helemaal chagrijnig van. Allemaal vrolijke mensen die het kennelijk al achter de rug hadden en dat samen vierden. In your face! Als ik eenzaam was, zou ik meteen naar een andere site klikken.
Op een van de sites las ik dat er ook eenzaamheidsambassadeurs zijn. Die trekken het land door, in tegenstelling tot wat je op grond van hun titel zou denken, om eenzaamheid te bestríjden.
(Ja, toen ik die titel las, snapte ik ook wel wat ze ermee bedoelen, maar je kunt ook het tegenovergestelde begrijpen en dat vond ik dan weer veel grappiger; functionarissen die overal in het land eenzaamheid propageren en dan met kerst aanbellen om te checken of u niet toevallig midden in een gezellig samenzijn zit. En daar dan een avondvullende show over met achtergrondreportages over mensen die blij verkondigen dat ze eindelijk verlost zijn.)
De ambassadeurs gaan voor ‘lokale aanpakken’. Ze denken bijvoorbeeld aan ‘supermarkten die tekenen van eenzaamheid opvangen’.
Eek!
Ik moet gaan oppassen, want ik val zo onderhand precies in de doelgroep en voor ik het weet hebben ze me gevonden. Een gescheiden man van boven de 60 met een zielige arm (een ‘verlieservaring’ van jewelste waardoor ik ook nog eens ‘in mijn mobiliteit beperkt’ ben) met een hang naar alleen zijn, die ‘vormt’ natuurlijk een kolossaal teken van eenzaamheid.
Ik zie de winkeliers bij mij in de Kanaalstraat allemaal al bellen naar een meldpunt, of mij in de groep gooien bij een of ander ‘digitaal signaleringsnetwerk’, zodat een ‘lokale coalitie’ bij mij thuis de geraniums in beslag kan nemen. Of misschien komt minister de Jonge (politieke evenknie van Robert ten Brink) dat zelf wel doen, met camera’s erbij zodat-ie triomfantelijk over zijn mooie werk kan vloggen.
Ik denk dat ik voortaan de rest van het jaar net doe of het Kerstmis is.

Knoop

Voor wie het niet weet, ik ben naar een klein mannetje. Dus alle pakken en broeken die ik koop, moet ik laten verkorten. Een enkele keer weet ik wel ergens op marktplaats een vintage pak te scoren, uit een tijd waarin volwassen mannen allemaal zo groot waren als ik, maar dat zijn dan weer pakken die je niet zomaar aantrekt, want ze hebben een hoog verkleedkistgehalte. Ik ben wel eens naar een feest geweest waar ze me bij de deur zonder iets te vragen meteen naar de artiesteningang verwezen omdat ze dachten dat ik kwam optreden.
Als clown.
Ja, grappig.
Veel van die pakken heb ik dus niet. Alle andere heb ik laten vermaken.
Ik heb inmiddels een goede relatie met een kleermaker bij mij in de buurt. Hij is erg vriendelijk en groet me ook op straat alsof we elkaar al jaren kennen.
Dat is eigenlijk ook zo.
‘Ha Poort,’ roept hij dan. Het klinkt liefkozender dan het hier staat. Sterker nog, hij is een van de weinigen die iets moois van mijn achternaam weten te maken. Sinds ik een zielige arm heb, vraagt hij mij ook iedere keer of het al wat beter gaat. Daar zit ik dan een beetje mee, omdat hij zo hoopvol kijkt dat ik geneigd ben om te gaan liegen. Dat doe ik niet want ik kan natuurlijk geen enkele leugen onderbouwen met teruggekomen ‘functionaliteit’.
Dat is revalidatiejargon, functionaliteit. Zo weet je niet eens dat je het kan hebben en zo wil je niks anders.
Aan de kleermaker uitleggen hoe het precies zit met mijn arm is lastig, want ik spreek niet veel Turks en hij weinig Nederlands.
‘Lang wachten?’ vraagt hij. Ik knik. En daar laten we het bij.
Tegenwoordig zie ik hem vaker, voor de meest suffe dingen, want een knoop aannaaien kan ik niet eens meer. Ja, er zullen best YouTube-filmpjes zijn waarin triomfantelijke mensen stap stap voor stap uitleggen hoe je dat best wel kunt met één goede arm, maar er zijn grenzen aan mijn behoefte om het lot in z’n gezicht uit te lachen.
En ik had dus een broek waar ik, ondanks de knopengulp én de twee knopen op de tailleband, nogal op gesteld was, die er op een dag met onverwacht geweld de brui aan gaf. De belangrijkste knoop brak doodleuk in tweeën.
Dat was een gebeurtenis waar ik eigenlijk nog nooit goed over na had gedacht, ik bedoel, een knoop kan breken, dat wist ik, maar niet echt, eerder half en half, zodat ik niet goed wist dat ik het wist, en ik dus heel beteuterd naar de grond keek toen de twee helften voor mijn voeten weg stuiterden.
De kleermaker glimlachte. Hij ging dit fixen. En hij keek minzaam naar de andere knopen die ik er ooit zelf, zoals mijn moeder me had geleerd, ‘op stift’ had aangenaaid, zodat ze wel stevig, maar toch wat losser zaten zodat het dichtknopen beter zou gaan, alsof ik voorzien had dat ik mijzelf hier ooit dankbaar voor zou zijn. Ze waren door al mijn gehannes nog verder losgeraakt, maar dat was dus juist wel fijn.
‘Ik maak de knopen, jij doet boodschappen,’ zei de kleermaker terwijl hij met een tornmesje achteloos de knopen lossneed, ‘over half uurtje klaar’.
‘Maakt u ze precies hetzelfde?’ vroeg ik. Het klonk minder dankbaar en veel bezorgder dan ik bedoelde.
Paniekerig.
‘Ja, dezelfde.’
Ik twijfelde en treuzelde, maar doorvragen leek me onbeleefd.
Dus ik naar de groentenman, en naar de kruidenier, en naar de bakker, en naar wat ik maar kon bedenken… Tenslotte haalde ik de broek op.
‘Kijk, dezelfde,’ zei de kleermaker. Dat was zo. Het waren mijn eigen knopen. Hij pakte er een vast. ‘Nooit meer los!’ We lachten blij en ik pakte mijn portemonnee. ‘Neenee, voor jou gratis.’
Ik bedankte. Een paar keer. Met een soort buigingen.
Maar de broek kreeg ik niet meer aan. Je hebt op stift en je hebt op stift, wist ik nu.
Nee mensen, het leven wordt er niet makkelijker op met een zielige hand.