Reizen (2). Op de boot

zee
Op de boot van Calais naar Dover leef je in een tussenwereld. Ja, nogal wiedes, want het is een veer. Van het vaste naar een eiland. Maar ook tussen thuis en elders. In de anderhalf uur op zee kom je vanzelf in een of andere contemplatieve staat terecht waardoor je voor je het weet de balans van je reis opmaakt en als je niet uitkijkt ook die van je leven.
Welja.
Het is een soort nieuwjaar, maar dan in de ruimte in plaats van in de tijd. Niet een moment, maar een punt om stil te staan. Ja, een hele lange punt. Een lijn. Hm, u begrijpt wel wat ik bedoel.
De zee helpt dan ook om alles eens lekker te overdenken. Die is waar je ook kijkt hetzelfde, zodat er geen verschil is tussen om- en vooruitzien, waardoor ook alles opeens nogal futiel lijkt. En al dat water zet je aan het denken. Dat golft en klotst alsof het niets is. Om te benijden. Gewoon maar één ding doen. Of eh… twee dingen dus. Golven en klotsen. Ook nog te overzien.
Lijkt me wel wat.
Het is in ieder geval beter dan je anderhalf uur lang afvragen of je de auto op slot hebt gedaan of niet, en alle scenario’s die daar het gevolg van kunnen zijn bedenken en uitwerken.
Ja, dat doe ik dan tot ik gek van mezelf wordt. Iedere keer weer, en iedere keer zeg ik tegen mezelf dat ik beter op moet letten. Komt niet meer goed in dit leven.
Daar had de enorme Afrikaan naast mij geen last van. Na twee verveelde selfies met zijn vrouw was hij in slaap gevallen met een boek op zijn kruis.
Hoe mensen dat voor elkaar krijgen, slapen in het bijzijn van vreemden, dat begrijp ik niet. Ik vind slapen, op seks na, zo’n beetje het intiemste wat er bestaat en daar hoef ik dus geen mensen bij die ik niet ken. Laat staan een hele boot vol.
Had die man dus ook geen last van. Hij was al snel behaaglijk aan het snurken en maakte een diep sonoor geluid dat prachtig mengde met het amechtig brommen van de scheepsmotoren.
Het was van een wonderlijke schoonheid, waar hij natuurlijk zelf geen weet van had, en zijn vrouw ook niet, want die was op de bank naast zijn stoel al even diep in slaap. Ze voegde haar eigen geluiden toe. Ik overwoog even om hen op te nemen, want hoe vaak hoor je zoiets moois, en het zou een leuke aanvulling op hun selfies zijn, maar ik wist zo gauw niet hoe ik aan hen in het Engels moest uitleggen wat ik dan gedaan had en zag gebeuren dat ze mijn enthousiasme verkeerd begrepen en me geschokt zouden aangeven bij een veiligheidsbeambte met zo’n lichtgevend gilet aan.
Iedereen heeft tegenwoordig een lichtgevend gilet aan, trouwens.
Zo’n gifgroen hesje.
Ook gewone mensen. Iedereen die gezien wil/moet worden.
Schijnveiligheid.
Pun intended. Ja, als ik een grap zie, maak ik hem. Ook een slechte. Sorry.
De getatoueerde mannen verderop lachten. Wat ik dan wel waardeerde ook al wist ik wel beter. Ze dronken en dan is er altijd wel wat te lachen. Ja, terwijl ik braaf mijn meegenomen boterhammen met kaas opat met een kopje koffie erbij, zaten zij in hun mouwloze t-shirts (waar kun je die dingen nog kopen?) aan een tafeltje vol met pints of lager gezellig met elkaar over van alles en nog wat op te scheppen. Zo zag het eruit teminste. Alsof ze elkaar sterke verhalen vertelden en alles onvoorwaardelijk geloofden.
O, hoe geweldig is dat? Gewoon alles van elkaar aannemen?
Ja, ik wist dat natuurlijk niet zeker, want verstond er niks van, maar ze wisselden geen breipatronen uit, dat was wel duidelijk. Daar kun je echt niet zo hard om lachen. Dronken of niet.
De jongen die hun om de zoveel tijd nieuw bier kwam brengen lachte telkens mee, maar dan een beetje angstig alsof hij bang was dat het niet mocht, wat dan wel weer droevig was, ondanks dat al die bulderende mannen hem ruw maar liefdevol op zijn rug sloegen, vooral omdat hij veel te grote werkkleding droeg, een ontzaglijk wit overhemd dat hij in zijn even ontzaglijke bandplooibroek had gepropt en dat bij iedere klap tussen zijn schouders opbolde als iets dat naar adem hapte.
Zulke dingen zouden verboden moeten zijn.
Zulke dingen.
Ik bedoel dingen waar ik treurig van word.
Zoals bootreizen die een soort oud en nieuw zijn.
Toen ik van de boot reed had de radio zelf een andere zender gezocht en er kwam een viool stukje bij beetje uit het geruis te voorschijn.
Toeval bestaat niet: Bach. Partita no. 2. Chaconne.
Dat is troost.
Altijd.
Waar je ook bent.

Op reis (1). In de auto

scarlett

Ik weet niet hoe het u vergaat met zo’n mevrouw van de routebeschrijving, maar ik praat terug. Niet dat ze iets vraagt, of überhaupt enige reactie verwacht.
Ik doe het toch, kan het niet helpen. Hoe toonloos ze alles ook opdreunt, ik ga op zoek naar wat ze bedoelt, om daar dan een antwoord op te geven. Meestal een gevat antwoord, maar soms ook heel serieus. Ze zet me aan het denken.
Ja, zielig.
Nog zieliger is het dat ik op een gegegeven moment denk haar een beetje beter te kennen. Een soort Her maar dan dus nog sneuer, want in Her was er tenmiste nog sprake van een soort wederzijdse betrekking.
Hm. Dat is eigenlijk wel een interessante bewering. Is dat wederzijdse belangrijk? Waag ik te betwijfelen, met een volleybal kan het ook, zie Cast Away, en die praat niet terug. Samantha uit Her wel, als het ware. Niet echt, maar dat beseft die man niet. Het is gewoon een mevrouw uit een routebeschrijving die kan leren. En hij trapt daar in. De schokkendste scène uit de film is die waarin zij hem bekent dat ze ook op een ander is. Op 641 anderen om precies te zijn.
Je kunt leren of niet.
Kort tussentijds resumé: mannen die alleen zijn klampen zich aan van alles vast om dat niet te zijn.
Eh…
Als we van het ene land naar het andere gaan, zegt de mevrouw van de routebeschrijving heel afgemeten: ‘U heeft de grens overschreden’. Alsof ik ongewenst intiem ben geweest. Moet er niet aan denken. Er zijn grenzen aan mijn fantasie. En mijn zieligheid.
Toch schrik ik dan van haar toon. Hoe bizar is dat?
Ik praat trouwens ook tegen de radio. Maar de mensen die daarop komen, die vragen dan ook wel erg veel. Vooral in de reclames. ’Bent u op zoek naar …? en dan volgt er iets. Goedkope tuinmeubelen, een ‘job uit duizend’ (da’s Vlaams), hoge inruilkorting voor je oude tv, een avondje plezier voor twee…
Daar geef ik dan eerlijk antwoord op. We moeten per slot van rekening samen helemaal naar Engeland.
Alhoewel, in vacatureadvertenties in de krant staan ook altijd vragen en die behandel ik ook altijd heel integer. Zo ben ik nu eenmaal. Als ik de krant uit heb, gaat-ie bij het oud papier, dus het is een vluchtige relatie, maar ik maak het niet uit voordat dat ik netjes alle vragen heb beantwoord.
‘Bent u onze nieuwe beheerder natte infrastructuur?’
’Nee.’ (Dat zeg ik dan hardop).
Ik weet niet eens wat dat is, ‘beheerder natte infrastructuur’. Zie mijzelf dan de hele dag met kaplaarzen aan dingen regelen ergens op een brug of kade. Niks voor mij.
Dus: ‘Nee.’
En nee op alle andere inpertinente vragen. ‘Ben jij een enthousiaste zorgmanager met affiniteit naar ouderen?’
‘Eek!’
Nu ik toch aan het bekennen ben… ik praat ook tegen de chauffeurs (m/v) in andere auto’s. Die horen me niet. Gelukkig maar. Want dan ben ik wel eens intiem. Al dan niet gewenst, dat blijft lekker vaag.
En met de auto zelf voer ik ook gesprekken. Meestal als-ie iets doet wat ik niet begrijp. Dat is zo’n beetje alles. Ik denk niet dat ik nog ooit in mijn leven zal vatten dat ík de baas ben van ons twee. Zo’n wagen leidt een eigen leven en ik hoor daar niet in thuis. Dat stelt me dan wel weer gerust, want je zal toch goed kunnen opschieten met je auto.
Da’s pas zielig. Of eng. Zie Christine
Hoe dan ook, een reis is best wel even een dingetje als je bang bent voor auto’s en autorijden. En als verdwalen een van je basiscompetenties is. Terwijl je absurd genoeg niet tegen vreemde omgevingen en veranderende situaties kunt. En andere mensen niet begrijpt in vreemde omgevingen en/of veranderde situaties. En…
Eh…
Ik zie wel een gat in de markt. Een routebeschrijfster die niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk de weg wijst, die de chauffeur ook coacht, af en toe motiverend toespreekt, complimentjes geeft.
Troost.
Zou Scarlett Johansson daar iets voor voelen?

Ga nooit weg (3)

Koffer

Vakantie, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. Mooi hoor, als concept, bedoel ik, niet werken maar uitrusten, maar waarom verpesten mensen dat dan weer met de bizarre idee om dat elders uit te voeren?
God zal het weten. Die heeft per slot van rekening ook de zondag uitgevonden.
Maar reizen vast niet. Want dat is niet leuk. Geloof me.
Het beste is dus om nergens heen te gaan. Daar is veel onderzoek naar gedaan, vooral door mij, en de onvermijdelijke conclusie is telkens weer: hier is ver genoeg. Check voor uitgebreidere onderbouwing bijvoorbeeld de boeken van Xavier de Maistre, of Maarten Biesheuvel.
Of neem mij als voorbeeld. Ik ben altijd hier. Dat is ook voor anderen het prettigst. Want dan ben ik altijd te vinden.
Terwijl ik dit schrijf ben ik ook hier. Thuis, in mijn eigen kamertje, achter mijn eigen bureau, met zo’n beetje alles wat mij lief is om mij heen. Dat is heel overzichtelijk. Rustgevend, zelfs.
Ik heb een collega die ongeveer drie keer zo jong is als ik, of zoiets (zulke rekensommen vallen mij altijd tegen dus ik maak ze maar half), die de raad gaf om nooit weg te gaan met bovenstaande beschrijving van mijn bestaan als onderbouwing van dat advies.
Ze zei: ‘Zo, jij lééft!’
Eh… ja, dacht ik.
Maar pas toen ik thuis rustig in mijn leunstoel zat, had ik echt een weerwoord, dat is te zeggen, besefte ik opeens dat ik alle oproer en kenteringen in mijn léven! – ja, met een accent en een uitroepteken – thuis had meegemaakt.
De meeste zelfs gewoon in mijn hoofd.
Of in mijn hart.
Mijn ziel.
Dingen waar ik nóg wakker van lig, thuis, in mijn eigen bed.
Ver weg is dus onzin. Daar gebeurt niks.
En het is ook helemaal niet overzichtelijk. Het is zelfs heel erg rommelig. Ga er níét heen! Het is ginds of daar of weet ik veel waar, en als je er dan bent, dan is het telkens verschillend. De ene keer is daar somber en de andere keer is het juist groen, of soms opeens heel mistig.
Er zijn ook altijd een hoop hulpmiddelen nodig om duidelijk te maken waar je bent als je niet hier bent. Landkaarten, routebeschrijvingen, reisgidsen, tom-toms en wat al niet meer. En er zijn ook allerlei dingen om elders te doen alsof dat hier is. Spullen van hier die je dan mee moet nemen, of waarmee je alles wat te groot is om mee te nemen toch bij je kunt hebben: foto’s van hier en alles wat daarbij hoort, of symbolische voorwerpen die iets van hier voorstellen en die telkens bij aanraking of een blik erop door sentimentele mechanismen het hele hier oproepen. En er zijn natuurlijk apparaten waarmee je een beetje terug kunt. Mobiele telefoons om naar mensen te bellen die heel verstandig hier zijn gebleven en die dan aan de reiziger moeten vertellen hoe het hier is (overzichtelijk en rustgevend).
Dat is allemaal behelpen.
Koffers, tassen, rugzakken, noem maar op, allemaal omdat je zoveel mogelijk spullen van hier naar ginds of daar wilt brengen, of om instrumenten mee te dragen waarmee je met hier contact kunt zoeken.
Op de keper beschouwt ben je onderweg dus met niets anders bezig dan met uit te vinden waar je bent (niet hier), of met te doen alsof je wel hier bent, of met de weg terug te vinden (hier naar toe).
Tamelijk onzinnig, als u het mij vraagt.
Want heimelijk wil iedere reiziger hier zijn, niet weggaan, of als dat om welke reden dan ook niet lukt, terugkomen.
Na een wee is heimwee de kiem van het leven.
Ga dus nooit weg.
Hm.
Dit alles hierboven om mijn cognitieve dissonantie in de hand te houden en mijn angsten te bezweren. Want ik ga een week naar Londen om daar (!) mijn dochter te bezoeken (en haar drop en rookworsten te brengen).
Living on the edge!
Slapeloze nachten.
En reisverhalen.
Straks.
Wordt vervolgd.

Informatie

ADN-ZB/Dewag/25.11.1985 Günter Schabowski, Mitglied des Politbüros des ZK der SED und 1. Sekretär der Bezirksleitung Berlin der SED Aufnahme: 4.5.1982
Informatie, daar hoor je ook veel over tegenwoordig. De een heeft het, de ander niet en voor je het weet, schrijf je in de warboel daartussen geschiedenis. Zoals Günther Schabowski, gisteren overleden, die in 1989 in een persconferentie zei dat DDR-burgers voortaan makkelijker de grens over konden en op de vraag vanaf wannneer, antwoordde ‘voor zover ik weet… vanaf nu’.
Sofort.
Unverzüglich.
Fijne informatie!
Vond iedereen.
Met een spontane bestorming van de grensposten als gevolg. Overdonderde douaniers die niet meer durfden schieten. Mensen met pikhouwelen op de muur. Opheffing van een land.
Maar het was een misverstand, bleek later.
Te laat.
Kwestie van suffen tijdens een vergadering en gebrekkige aantekeningen. Later gaf hij toe dat het zo’n beetje de enige vergissing was waar hij géén spijt van had. Alle andere betreurde hij.
Vanmorgen op de fiets naar het station, dacht ik daar nog eens over na omdat ik ook een vergadering had en verantwoordelijk was voor een ‘punt dat uit de voorgaande vergadering gekomen was’. Ik druk me vaag uit, maar niet vager dan de collega die me er op gewezen had, en die net als ik ook niet meer wist wat het precies behelsde, met dit verschil dat mijn naam er tussen haakjes achter stond en de zijne niet.
Fijne informatie.
Niemand van de mensen die ik gebeld en gemaild had, kon zich te binnen brengen waar het over ging, en ik daardoor al helemaal niet, want in plaats van één mogelijke lezing van de notulen en de daarmede samenhangende agenda voor de volgende vergadering had ik er nu een stuk of vijf.
Uiteenlopende.
De secretaris van het project die het verslag gemaakt had, was tot de dag vóór de vergadering op vakantie in Oezbekistan om daar een deel van de zijderoute na te wandelen. Of hoe noem je zoiets. Maakt niet uit. Hij was onbereikbaar.
‘Analyse realisatie,’ had hij bij punt drie van de agenda opgeschreven. Mijn naam er dus achter, en daar weer achter: ‘stukken volgen’. Wat hij er in de notulen over had vermeld, was zo mogelijk nog schimmiger en in mijn aantekeningen stond niets wat me verder hielp. Als het andersom was geweest had ik het trouwens ook meteen geloofd. Realisatie analyse, klonk even plausibel, vond ik.
Iedereen die ik om hulp gevraagd had ook.
Plausibel.
Punt.
Verder bleef het onbegrijpelijk.
Was ik geschiedenis aan het schrijven?
Leek me sterk.
Bij het station was alles anders dan normaal. Daar houd ik helemaal niet van. Waarom zeggen ze dat niet van tevoren? Overal staan tegenwoordig van die gele borden langs de weg waarop staat: ‘Let op! Situatie gewijzigd!’ Dat is tenminste iets.
Alhoewel, ik denk dan altijd: welke situatie? Ik bedoel, laatst was ik in Daarle en daar stond ook zo’n bord…
Ja, Daarle. Het ene moment weet je niet eens dat er mensen wonen en het andere moment lees je dat de situatie is gewijzigd.
Fijne informatie.
Maar goed, op het station was dus ook een gewijzigde situatie en ik wist van niks. Ik had vast en zeker een of andere flyer gemist (die delen ze daar om de haverklap uit, maar ik denk altijd dat het voor gratis koffie bij McDonalds is).
Mijn favoriete stalplek foetsie. En overal waren mannen bezig fietsen op vrachtwagens te tillen. Geen goed teken.
Dan maar naar de bewaakte stalling. Daar was niemand. Dat wil zeggen, er was wel iemand, maar die stond af te wassen. ik hoorde water klotsen en serviesgoed tegen elkaar tikken. Theelepeltjes op de bodem van een stalen spoelbak.
Ook handig, spitsuur op het station, vliegende haast alom en de fietsenbewaker haalt zijn koffieboel even door het sop.
Ik kuchte. Dat klonk als in een slecht hoorspel. En ook veel te indringend.
‘Ik weet dat u er bent hoor,’ zei de stallingman tegen mij terwijl hij met een theedoek in zijn zijn handen tevoorschijn kwam. ‘Er gaat hier een belletje als er iemand binnenkomt.’
Ah. Fijne informatie.
Ik zei niet wat u nu denkt. In plaats daarvan keek ik heel erg niet naar zijn vuile theedoek en zei ik bedeesd dat ik haast had. Ik bood daar mijn excuses voor aan. Vraag me niet waarom. Hij niette een kaartje aan mijn fiets. Ik gaf hem een tientje.
‘Het is hier gepast betalen,’ zei hij zonder op te kijken.
Dat was zijn wraak.
Hele zoete.
Want toen ik zei dat hij dan het kaartje er maar weer af moest halen, begon hij nauwgezet met zijn dikke nagelloze vingers het nietje los te peuteren.
Dat beeld bleef bij me tot ik eindelijk in de trein zat en mijzelf tot bedaren probeerde te brengen met de stukken voor de vergadering.
Analyse realisatie! Ik las de passage uit het verslag van de vorige vergadering nog eens (drie staccato zinnen met de ambitie van een gedicht), liet alle uitleg weer door mijn hoofd gaan en tuurde naar de oneindige excelsheets die ik had had uitgedraaid, de feestelijk gekleurde staafdiagrammen die ik daarvan gemaakt had, en herhaalde in mijn hoofd de verklaring die ik erbij had verzonnen. Die werd steeds logischer vond ik.
Fijne informatie!
Dat vond de voorzitter van de vergadering niet. Hij gaf me niet eens het woord. Hij begreep namelijk niet wat het punt op de agenda deed, want hij kon zich duidelijk herinneren dat de kwestie in de rondvraag weer van tafel geveegd was omdat het veel te vroeg was voor zo’n analyse.
Of realisatie, dat wist hij ook niet meer.
Let op! gewijzigde situatie!
Zijn ondergeschikten (die ik allemaal een paar keer aan de lijn had gehad) knikten alsof zij dat altijd al geweten hadden. De anderen bogen zich over het verslag. Waarin de rondvraag ontbrak. De notulist bloosde en mompelde hij op vakantie was geweest en dat… nou ja, zo’n zijderoute gaat je niet in je koude kleren zitten. Hij was echt weggeweest.
Nou, dat wilden we wel geloven.
Stilte.
Ik schoof mijn papieren bijeen en pulkte de nietjes eruit.
De rest is geschiedenis.
Een hele kleine geschiedenis.

Herinneringen

strijkijzer1
Mededeling van mijn computer op kantoor: “er is een probleem met het lezen van een of meer herinneringen. Misschien worden enkele herinneringen niet weergegeven”.
Dat heb ik weer.
Vooral dat ‘misschien’ en ‘enkele’ bleef aan me knagen, want vergeten is tot daar aan toe, maar dat het dan volgens een onnavolgbare en toevallige selectie gebeurde, maakte me helemaal gek.
‘Vergeet dan gewoon alles!’ riep ik naar mijn scherm.
Ja, ik praat tegen dingen.
Verder gaat alles goed.
Maar, eh… Vergeten?
Moest ik niet iets onthouden?
Ja, de strijkbout!
Moest ik uitzetten!
Niet gedaan!
Ik zag mijn hele hebben en houden vlam vatten en in rook opgaan. Ik dacht aan de Nederlandse Spoorwegen. “Als u de trein verlaat, denk dan aan uw bezittingen.”
Ik sprong op de fiets en deed het. God, wat ik me allemaal te binnen wist te brengen! Eigenlijk alles behalve de strijkbout.
Toeval bestaat niet; toen ik bezweet van de zenuwen en de haast weer voor mijn huis stond, trof ik daar twee oude mensen aan die ernstig met elkaar stonden te praten over de dingen die voorbijgaan (dat is ongeveer de titel van een boek van L. Couperus dat ik voor mijn literatuurlijst gelezen heb, vraag me niet waarom ik dat nog weet, want ik zou het best wel willen vergeten, het was een heel treurig boek).
Zoiets verzin je niet.
De een zei: ‘Dus ik zeg altijd, je moet genieten van wat er is, want voor je het weet kun je niet meer klokkijken of je schoenen strikken.’ Ik kreeg meteen medelijden met hem, want als dát nou de dingen zijn waarvan je moet genieten… maar dat was dus niet zo, nee, als je niet meer kunt klokkijken, legde hij aan de ander uit, was de teloorgang van je geheugen onomkeerbaar en dementie onvermijdelijk.
Kan het symbolischer? De vergetelheid begint als je niet meer weet hoe laat het is. Noem me cynisch, maar ik vind dat dan wel weer praktisch. Want als de klok niks meer betekent, waarom zou je je dan druk maken over het verleden?
Dat schoenen strikken, kon ik jammer genoeg niet symbolisch interpreteren. Ik moest daardoor weer wel terugdenken aan de tijd dat ik een fanatieke hardloper was (en ik van schoenen strikken een neurotisch ritueel had gemaakt).
Marathons.
Als je je daarvoor inschreef, kon je altijd kiezen of je een herinnering wilde of niet. Ik koos altijd ‘zonder herinnering’, want dat was goedkoper. Nou, dat was dus grote nep, want ik weet echt alles nog! Iedere blaar staat in mijn geheugen gegrift.
Waar was ik? O ja, voor mijn deur. Ik deed die open en rende naar boven, terwijl ik onderweg probeerde te ruiken of er al iets in de fik stond. Nee, niets. De strijkbout tikte onheilspellend, dat wel, en zuchtte af en toe wat stoom.
Pfoe!
Ik ging op de rand van mijn bed zitten. En ik – dit is echt waar, soms hangt alles met alles samen – herinnerde me weer dat mijn matras van memory foam was gemaakt. Memory foam!
Toen ik dat in de beddenwinkel las, kocht ik het meteen, een naïef romantische en daardoor impulsieve aanschaf, want ik had daar gestaan en gedacht: hoe lief is dat? Een matras dat onthoudt wie je bent!
Ja, hoor. Dat matras herinnert zichzélf. Of nou ja, zijn eigen vorm.
Was míjn leven maar zo simpel.
Terug op kantoor meteen de servicedesk gebeld over mijn herinneringen. Mijn favoriete collega’s werken daar. Echt waar. Iedereen die denkt dat hij de mens en de menselijke geest doorgrondt, moet eens een bloemlezing van vragen aan de servicedesk lezen. Je begrijpt opeens waarom de evolutie zo lang heeft geduurd. En je verbaast je dat niet eens in de zoveel tijd iemand daar gillend uit het raam springt.
‘Er is iets mis met je profiel,’ zeiden ze. Vertel mij wat, dacht ik. ‘Maar we kunnen je een nieuwe geven.’
Schatten zijn het.
‘Nou graag!’
Dus dat heb ik nou.
Ben meteen dat vorige alweer vergeten.

Een zin

Touw1
De vrouw die afgelopen vrijdagmiddag op de hoek van de Kanaal- en de Riouwstraat achtendertig keer de revers van haar jas verschoof, dan weer open, dan weer dicht, god mag weten waarom, het was niet koud, het waaide niet, ze had net zo makkelijk zonder jas de deur uit kunnen gaan, maar goed, ik ga daar niet over, gelukkig maar, want ik ben ’s morgens al zo blij als een kind als ik volgens al mijn eigen neurotische kledingvoorschriften ordentelijk buiten sta, color co-ordinated, niet te deftig of te gewoon, precies goed bestand tegen elke te verwachten weersomstandigheid, et cetera et cetera, eh… ik zou jaloers op dat mens moeten zijn, eigenlijk, haar enige zenuwentic is dat ze aan d’r jas frutselt, could I be so lucky, goed, die vrouw dus, die zei tegen de vrouw waar ze mee stond te praten opeens volslagen verstaanbaar:
‘Nou ja, toen hebben we hem maar vastgebonden.’
Bob den Uyl (ik leg niet uit wie dat is, maar geef de urgente raad om alles van hem te lezen, of toch in ieder geval ‘Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam’; ik ben eens haast gestikt van het lachen, echt waar) heeft daar eens een verhandeling over geschreven, over zo’n zin die je ergens op straat of in een café hoort en waar je dan de hele godvergeten dag over blijft peinzen. Een hele zin dus; geen los woord of een flard, en ook niet een paar zinnen achter elkaar, nee, een hele alleenstaande zin, want die bevat net te weinig informatie om meteen te begrijpen waar het over gaat, maar ook weer net teveel om hem meteen te vergeten.
Krankzinnige nieuwsgierigheid.
Het zal wel beroepsdeformatie zijn (je werkt bij de reclassering of niet), of door mijn zieke geest komen, maar toen ik de zin van die vrouw hoorde, zag ik geen onschuldig tafereel voor me, zoals bijvoorbeeld een hond die het bankstel had aangevreten en die ze dan maar in de tuin aan een ketting hadden gelegd om af te koelen, of een klapperend keukenraam dat ze met vliegertouw aan het handdoekenhaakje hadden vastgemaakt.
Nee, ik zag natuurlijk iets strafbaars voor me.
Een hulpbehoevende oude man in een vochtige en donkere kelder. En ik zag zijn gemene neef met diens even gemene vrouw (het mens dat ik op straat passeerde) die ooms persoonsgebonden budget hadden verbrast en hem nu met zelfgestookte jenever en hondenvoer in leven hielden, tot er dus geen land meer met hem te bezeilen was en ze hem met touwen aan de verwarmingsbuizen hadden geknoopt.
Ja, leer mij de mensen kennen. De wereld zit vol slechtheid.
Goed, wat wel verwarrend bleef en wat ik dus in gedachten overhield, was de begripvolle blik van die andere vrouw op straat, aan wie die eerste vrouw over dat vastbinden vertelde. Daar ving ik een glimp van op terwijl zij het verhaal van die heks aanhoorde. Die blik bracht me bij nader inzien nogal in verwarring. Want laten we wel wezen, dat een of ander koppel in een verdorven liefde elkaar vindt en vervolgens van geilheid of zoiets in de criminaliteit belandt, daar zijn gevallen van bekend (ik noem een Bonnie & Clyde, of een Robin Hood en Marian), maar dat zij op de openbare weg hun verhalen daarover aan kennissen vertellen en dat die kennissen dan alles medelevend aanhoren, dat vond (en vind) ik wat lastiger om te begrijpen.
Jammer, want ik was nou net zo fijn op dreef. Ik was al aan het bedenken hoe de neef en zijn vrouw akelig door de mand zouden vallen. Want die oom zou op den duur met dat touw natuurlijk een radiator van de wand trekken, waardoor de verwarming ermee op zou houden, met als gevolg dat het duivelse liefdesstel kou vatte, longontstekingen kreeg die naar binnen sloegen (ja, dat is een complicatie waar mijn achterneef Henk zeven weken voor in het ziekenhuis heeft gelegen, sowieso een neveneffect waar hij altijd last van had, de meest onschuldige kwalen liepen bij hem op levensgevaarlijke ziektes uit omdat ze naar binnensloegen), en hun hele gestel intern wegvraten, zodat ze naar de dokter moesten, die heel toevallig een fan was van Elementary, ja eigenlijk omdat hij Lucy Liu zo mooi vond, maar hij had toch altijd goed opgelet, zodat hij meteen aan zijn water voelde dat er iets niet pluis was met die twee en de wijkagent tipte, waarna het niet lang duurde voordat de politie binnenviel, begeleid door nijdig boven het bouwvallige huis cirkelende helikopters…
Nu ja, zoiets dus…
Of dus niet. Want die begripvolle blik van die vriendin zat in de weg.
Kon ik niet plaatsen.
Irritant, want die zin waar alles mee begonnen was, raakte ik niet kwijt natuurlijk.
Dwaalt nu nog steeds rond in mijn hoofd.
Zondagmiddag!
Had ik nu maar beter opgelet, of even stil gehouden om de rest van het verhaal te horen. Daar heb ik per slot van rekening een cursus voor gevolgd.
Luisteren, samenvatten, doorvragen…
Alhoewel. Nuttig hoor, maar die methode levert niet half zo leuke verhalen op. Meestal alleen de waarheid.
Saai.
Hoe dan ook, nou lig ik vannacht natuurlijk weer de hele tijd wakker om een beetje logisch einde aan het verhaal te breien.
Misschien moet ik die vrouw komende week proberen terug te vinden. Het zou me niks verbazen als ze dagelijks op die hoek staat te beppen. Ze leek me wel iemand die het hart op de tong heeft.
Ach nee, dat gaat niet lukken. Ik moet werken natuurlijk.
Zul je altijd zien.
Eh… misschien een rare vraag… maar als u nou eens rondkijkt? Dat zou ik wel op prijs stellen.
Fijn.
Het is een mevrouw met een groene regenjas van de H&M, en een dito muts-schuine-streep-hoedje. Ze frunnikt dus de hele tijd aan haar kraag.
Als u haar ziet, zou u dan even kunnen vragen wat ze bedoelde? En kunt u mij dan laten weten hoe het zit? Dit alles in vertrouwen natuurlijk.
Alvast bedankt.

Even moeilijk als zeldzaam

Spinoza

Ik weet niet wat er vandaag aan de hand was in mijn lievelingskoffie-thee-en-nog-veel-meer-dingen-huis, maar iedereen voerde ernstige gesprekken.
Het leven, dat was wel even een dingetje.
Er was een tafel waaraan een jonge vrouw haar ouders van iets probeerde overtuigen waar zij in de verste verte niet aan wilden denken. De zinnetjes ‘dat zeggen jullie altijd’ en ‘dat heb je verkeerd begrepen’, kwamen zo vaak in de woordenwisseling voor, telkens na een bewering van een van de drie, dat ik op het laatst een goede gooi naar een analyse van hun conflict had durven geven, inclusief een paar voorstellen voor liefdevolle hereniging. Maar ze zaten elkaar zo in de haren dat ik het er niet op waagde hun dat voor te stellen. Ik zou in hun wederzijdse haat ten onder zijn gegaan. En hun haat wegnemen, dat moesten ze zelf maar doen.
Zoals het jonge stel twee tafels verderop probeerde. Dat is te zeggen, of ze elkaar haatten, kon ik niet zien, maar dat elkaar liefhebben nogal hard werken was, zag ik meteen. Ze zaten hand in hand heel erg te zwijgen en naar elkaar te staren in de stiltes tussen zwaarmoedige zinnen. Die verstond ik niet omdat ze erg zacht praatten, maar nonverbaal schreeuwden ze het uit.
Droevigheid.
Omdat ze op het punt stonden uit elkaar te gaan.
Ondanks dat ze nog erg van elkaar hielden.
Ja, dat lees je steeds vaker tegenwoordig, vooral in boulevardbladen. Beroemde stellen die uit elkaar gaan maar toch zeggen dat ze nog heel dol op elkaar zijn. Misschien heb ik een simpele voorstelling van de liefde, maar zoiets vind ik echt grote nep. Liefde overwint alles, dus als je uit elkaar gaat, heb je verloren. Aanvaard je verlies en ga verder.
En blijf vooral geen goede vrienden. Dat is echt by far de ergste troostprijs ter wereld. De eerste keer (van een hele reeks die volgde) dat een meisje mij de bons gaf, zei ze dat ook, dat ze graag goede vrienden met me wilde blijven. En ik durfde dat natuurlijk niet af te slaan. Maar er kwam helemaal niks van. Binnen een week had ze een ander en zag ze me niet meer staan.
Met zulke vrienden heb je geen vijanden nodig.
Terug naar mijn in treurige lievelingscafé.
Het stel dat uit elkaar ging.
Of een andere levenskwestie probeerde aan te roeren.
Kinderen, misschien.
Want hoe gaat het, je wordt verliefd op elkaar, gaat van elkaar houden en wilt de rest van je leven bij elkaar blijven, wat héél erg lang is, waardoor je haast vanzelf gaat nadenken over wat je dan allemaal kunt gaan doen, behalve van elkaar houden tot in de dood. Ja, dit ‘klinkt’ allemaal nogal matter of factly maar om met Spinoza te spreken: het huwelijk is een rationele aangelegenheid, dus niet alleen seks (“lichamelijke vereniging”) maar ook (of eigenlijk alleen maar, beweert-ie, maar dat is wel erg saai) kinderen verwekken en groot brengen. Hij had zelf vrouw noch kind, dus wat weet hij daar nou van, zou je zeggen, maar dat is nou net het mooie van een denker zijn, je hoeft niet alles zelf te doen en mee te maken om er verstand van te hebben.
Eh, voor alle duidelijkheid, ik haal Spinoza er niet bij om interessant te doen, ik ben een fan van die man.
Ja, dat kan.
Goed, hoe je het ook wendt of keert, op een dag heb je het erover.
Over kinderen dus (ja, over seks ook, maar dat komt dan daarvóór, meestal veel eerder, en kortere gesprekken).
Toeval bestaat niet, dus om het jonge stel te helpen stapte er een heel ernstig jongetje in een supermanpak op ze af om dertig centimeter van hun tafeltje te blijven staan en hen aan te staren. Je hebt van die jongetjes, meisjes ook, die hebben van staren een hogere kunst gemaakt.
Om de zenuwen van te krijgen. Je zag het stel onbewust maar angstig wachten op zijn ‘I see dead people’.
Na een minuut of wat werd het jochie teruggeroepen door zijn vader. Wat zijn moeder dan weer irriteerde, want ze was helemaal in een aangedaan dromen weggezakt. Wat haar betrof, was dat staren van haar zoon vertederend.
‘Laat hem toch,’ zei ze tegen haar man. ‘Hij doet toch niks verkeerds?’
Haar man vond van wel. Maar hij kon niet uitleggen wat dan. Hij riep niettemin het jochie nog eens tot de orde. Het zwijgende stel keek op en zag in één oogopslag hun (eventuele) toekomst: vader, moeder, kind.
Ingewikkeld.
Haat, of iets wat daar op lijkt.
Ze lieten elkaars handen los.
‘Ik ga even afrekenen,’ fluisterde de vrouw.
De man knikte.
‘Ik ben superman,’ zei het jongetje. Zijn moeder glimlachte naar de vrouw, die zonder op of om te kijken opstond, en eerst het jongetje en toen zijn moeder voorbijliep, langs het meisje met haar ouders, die alle drie somber van de uitzichtloosheid zaten te zwijgen, zoals ook de vader en moeder van het supermannetje, dat bij hen terugkwam om háár verder te ontroeren en hém gelijk te geven.
Alles wat mooi is, is even moeilijk als zeldzaam, schreef Spinoza.
Geluk, dat is best wel een dingetje.

Broek

Woelrat

Ergens in de jaren 80 kocht ik een zwarte leren broek, In de uitverkoop. Destijds was zo’n broek sexueel neutraal. Ik leg nog uit waarom ik dat per se opschrijf.
Mijn achterbuurman was een gecertificeerde relnicht die er dagelijks een droeg, maar mijn toenmalige zwager, die zoals hij mij vaak zei ‘meer vrouwen had gehad dan ik aardappelen gegeten’ droeg er ook vaak een.
Een leren broek was van alle gezindten en ik had er dus een, die zonder dat ik het wist in de afgelopen twintig jaar van liever lede een homosueeel attribuut werd. Daar kwam ik pas achter toen ik na een grote schoonmaak dat ding uit de kast haalde (pun intended) en op marktplaats zette.
Mijn god, de details die ‘geïnteresseerden’ over die broek wilde weten! Binnenbeenlengte, buitenbuitenbeenlengte, taille… lieve help. En ik had niets door. Al die lieve jongens informeerden naar míjn afmetingen!
Ja, lach maar.
Uiteindelijk, toen een mogelijke koper genaamd Playboy mij vroeg of de broek glom en zo ja, waar dan precies, begon mij toch iets dagen. Maar nog pas nadat ik mijn antwoord begon met ‘hallo…’ en er ‘Playboy’ achter wilde typen. Opeens zag ik een harige man met ontbloot torso en een matrozenpet op.
De volgende koper heette Woelrat . Nu ken ik mijn klassieken, dus dit keer snapte ik het meteen. Of hij langs mocht komen om te passen. Hij moest toch in U. zijn.
Hm. Ik had veel zin om dat af te slaan, maar die broek werd van liever lede een of ander dreigend object waar ik snel vanaf wilde, dus ik maakte een afspraak.
Een week later hinkte Woelrat als een ooievaar op één been (ik vermijd hier het woord poot) voor ons dressoir, zijn andere been halverwege de pijp van mijn lederen broek terwijl ik decent naar buiten staarde. Toen ik weer opkeek, stond hij minzaam aan de kennelijk te ruime plooien van de broek te plukken.
God mag weten waar ik het vandaan haalde, maar voor hij iets kon zeggen snoerde ik hem de mond met loftuitingen over de manier waarop de broek hem iets extra’s gaf. Ja, het leer gaf hem een bepaalde uitstraling, die…
Twee tellen later, stond ik winkeltje te spelen. Of nou ja, winkeltje… modezaak! Ik gaf Woelrat het ene na het andere rake advies over de combinaties die hij zou kunnen maken met andere kledingstukken en niet veel later had ik hem niet alleen de broek, maar ook een groot deel van mijn eigen en Cavia’s garderobe verkocht, waaronder diens hele verzameling zwembroeken, die Woelrat gelukkig niet allemaal hoefde te passen, omdat hij inmiddels alles blind van me aannam en in zijn tas propte.
Het is wat. Het ene moment weet je niet beter of je bent je hele leven beleidsmedewerker om de godganse dag notities te schrijven, en het andere moment blijk je opeens de getalenteerde eigenaar van een modezaak.
Als het ware.
Ja, mijn opa had een manufacturenwinkel (garen, band, knopen, dat soort dingen, maar ook pyjama’s, ondergoed en bh’s) en ik hielp hem wel eens als het druk was, maar dat ik er kijk op had, dat was toen nooit tot mij doorgedrongen. Pas toen Woelrat met een volgeladen auto de straat uitreed, kwamen de herinneringen aan die winkeltijd boven. Zoals de diep gedecolleteerde mevrouw die voor mij was komen staan om een stukje van haar bh tevoorschijn te trekken en mij hees te vragen of wij die ook strapless verkochten, en dat ik haar toen zonder blikken of blozen had aangeraden om geen strapless te dragen omdat ze daar de schouders niet voor had. Had ik toen maar geweten waar ik die wijsheid vandaan haalde (want het was waar), dan had ik nu geen memo’s en impactanalyses geschreven, maar jurken en pakken verkocht.
Maar geen leren broeken.
Ik bedoel lederen.
Ik ken mijn klassieken.

Omarmen

Hugme

Laatst omarmde iemand me bij het afscheid. Ongemakkelijk gedoe als je klein bent zoals ik en de ander groot. Ik moest een beetje op mijn tenen staan.
Geen houding voor een volwassen man, vind ik.
Maar goed, toen herinnerde ik wat iemand laatst in een vergadering had medegedeeld: ‘de besteding van het Kollema-budget is door het hoofdbestuur omarmd.’
Hoe bizar klinkt dat? Het is trouwens nog bizarder om het dan later in de notulen te lezen. Vooral omdat ik dat hoofdbestuur daar dan mee bezig zie. Ja, kinderachtig, maar ik kan dat niet voorkomen. Vraag me niet wat ik dan zie. Dat is vaag. Hoge dames en heren op een soort staande receptie. Uitbundig.
Omarmen dus. Iedereen doet het. En echt van alles. In mijn wereld omarmen mensen vooral beleid of besluiten over beleid.
Ja, ik weet ook wel dat omarmen een ander woord voor aanvaarden is. Maar waarom dan niet gewoon aanvaarden?
Omdat omarmen vager is. Dat is heel handig als het over besluiten gaat. Want besluiten, nou ja, dat zijn best wel een soort van confronterende dingen. Of zo. Voor je het weet, kun je geen kant meer op en moet je doen wat je gezegd hebt.
Als je een knoop doorhakt, gaat het touw kapot. Dat is definitief. In de wereld van beleid doen mensen dat niet. Nee, die ‘werken naar besluitvorming toe’. Dat is om in de metafoor te blijven: aan het touw peuteren.
Terwijl je dat doet, schep je dan weer wel ‘ruimte voor voortschrijdend inzicht’.
Kent u dat? Dat is echt helemaal handig!
Bijvoorbeeld als je een dan eindelijk toch een besluit genomen hebt en het toch niet zo’n fijn besluit vindt, omdat je je vergist hebt. Maar vergissen, dat is niet zo stoer, dus dat zeg je dan natuurlijk niet. Nee, dan beroep je je op voortschrijdend inzicht. Het mooie daarvan is dat het je overkomt. Het is het ínzicht zélf dat voortschrijdt.
Stout inzicht! Foei!
Bij je therapeut heet dat externe attributie en in het gewone leven een smoesje.
Inzichten kun je overigens ook omarmen. Vraag me niet wat er gebeurt als ze tijdens de omarming voortschrijden. Ik denk dat het dan beter is om even niets te doen en te wachten tot het over gaat.
Dat is met veel dingen vaak het beste trouwens. Niets doen wordt zo onderschat tegenwoordig.
Níét omarmen, dat is je ware.
Alhoewel. Toen ik laatst uitgleed met mijn racefiets, over de weg schoof en de bestelbus achter mij met zijn bumper tegen mijn schouder tot stilstand kwam, en de bestuurder en ik na een poosje hijgend van de ongeconsummeerde doodsangst midden op de polderweg tussen de weilanden onder jachtige wolken tegenover elkaar stonden tot we stukje bij beetje op adem kwamen en beseften dat het allemaal goed was afgelopen, stapte hij op me af om me te omarmen.
Een enorme gozer van een jaar of twintig, twee koppen groter dan ik.
‘O man, ik ben zo blij dat je nog leeft,’ fluisterde hij.
Daar denk ik nog vaak met weemoed aan terug.

Toeval bestaat niet

Tafel

Toeval bestaat niet, zeggen ze wel eens, maar dat kan natuurlijk niet. Waarom is er dan een woord voor? Ja, oude filosofische kwestie, iets kan ook bestaan als er geen woord voor is, maar andersom vind ik lastiger. Als er een woord is, moet er ook een ding zijn dat er bijhoort..
Dat toeval niet bestaat zeggen de mensen alleen maar omdat ze per se ergens iets achter willen zoeken. Hogere machten. Kharma. Lotsbestemming.
Dat soort dingen.
Moet er niet aan denken.
Dus toeval bestaat.
Ik zeg het maar even.
Zo ook het toeval waar ik in terechtkwam. Niks geen geheime agenda van de kosmos.
Maar goed ook, want ik ben al neurotisch genoeg. Argwaan erbij, dat zou me langzaam opvreten van binnen.
Goed, ik ging naar een congres ter meerdere eer en glorie en uitleg van een convenant. Ik ga niet uitleggen waar dat over ging. Of nou ja, over samenwerking. Onderwerp en partijen doen er niet toe. Of nou ja, het speelde zich in en om de strafrechtsketen af. Moet ik uitleggen wat dat is?
Eh, heb ik geen zin in.
Maar weet wel dat het werk van die keten zich steeds vaker afspeelt aan tafels. Letterlijk en figuurlijk. In dat laatste geval is tafel een ander woordt voor overleg. Je zit aan een tafel en je neemt er aan deel. Bizarre taal, maar het bestaat.
Hoe dan ook, tafels.
Onthou dat woord.
En samenwerking. Onthou dat ook. Dat is in de wereld van beleid (mijn werk) eigenlijk een ander woord voor proces. Wie doet wat wanneer met wie, en vooral, wie informeert wie. En daar dan gedoe over. Gehannes met taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
Dat leg ik écht niet uit.
Want dat deed de vrouw van het café waar ik een dubbele espresso wilde bestellen. Illustreerde ze, eigenlijk. Dat wist ze zelf niet en dat heb ik haar ook niet verteld.
Het leven is al ingewikkeld genoeg.
Eh…
Deze inleiding is te lang.
Ik stapte binnen en vroeg om een dubbele espresso om mee te nemen.
‘Dan moet u bij het buitenloket zijn.’ Ze wees waar het was. Anderhalve meter verderop, achter een muurtje dat net te hoog was om over heen te klimmen zonder jezelf belachelijk te maken.
Ik weer naar buiten, over het terras, naar het buitenloket. Onderweg ontdekte ik verderop een collega die daar naar de lege stoelen keek om er een uit te kiezen.
‘Ik hoef niks. Wacht hier wel!’ riep ze.
De vrouw van het café had zich inmiddels negentig graden gedraaid om me nog eens te vragen wat ik wilde hebben, maar dan aan het buitenloket.
‘Een dubbele espresso om mee te nemen.’
Ik moest aan mijn zus denken, die als ze winkeltje wilde spelen me ook altijd dingen liet vragen die nogal wiedus en daarom absurd waren, namelijk de dingen die ze in haar winkeltje had, als ik iets anders vroeg werd ze boos. Leuke metafoor over aanbod gericht werken, maar daar gaat deze blog nu niet over.
Wat ik bij destijds mijn zus deed, kon ik nu ook.
Meespelen.
Terwijl ik wachtte verscheen er achter mij een andere vrouw van het café, die vroeg: ‘Hoort u bij die mevrouw?’ Mijn collega zwaaide me vrolijk toe. Ik knikte. ‘Gaat u ook bij haar zitten?’
‘Nee.’
‘Oh. Ze zei dat ze op u wachtte.’
‘Dat is wat anders.’
‘Ja, eh, maar als u bij haar gaat zitten, moet u bij mij bestellen.’ Ik keek haar glazig aan. ‘Want ik doe het terras.’
Ah.
‘Ik neem mijn dubbele espresso mee,’ verklaarde ik, ‘maar naar de overkant.’ Ik gebaarde naar het zalencentrum aldaar.
De vrouw van het terras knikte.
Argwanend.
(Ik zag nu ook opeens de ijswinkels van Australian voor me. Daar moet je bij de eerste grote puber je bestelling doen om een briefje te krijgen dat je aan de tweede grote puber geeft om je ijsje te krijgen, waarna je bij een derde grote puber met een inmiddels bestempeld briefje moet afrekenen; als een van de drie ziek wordt, doen ze in paniek de winkel op slot).
In het zalencentrum, luisterden we naar sprekers, bestudeerden we schema’s met vierkantjes en wiebertjes en pijlen, en keken we naar de plechtige ondertekening van het convenant (het moet gebeuren en zo’n moment moet in de krant, dat snap ik allemaal ook wel, maar het is een zot toneelstukje, drie volwassen mensen die hun poot op een papier zetten), om ten slotte na de pauze met elkaar in discussie te gaan.
‘Aan de hand van stellingen.’
Die ga ik hier niet citeren.
Omdat ik ze vergeten ben.
Want de organisatie van het congres had bedacht dat we de discussie gewoon in de zaal moesten voeren, niet met z’n allen tegelijk, maar in groepjes aan tafels.
Tafels!
Zoiets verzin je niet.
Zij wel.
Maar de volstrekt onnavolgbare kakafonie die erbij hoorde waarschijnlijk niet.
Laat staan het toeval.
Dat bestond gewoon.