Opzeggen

mainImage_1196_1429193005888_Carousel-banner

Ik ben dol op muziek, maar rekenen, daar heb ik een broertje aan dood. Een mens vraagt zich wel eens af wat erfelijke eigenschappen precies zijn, want mijn vader was boekhouder en ik heb warme herinneringen aan de eindeloze winteravonden die hij peizend doorbracht aan de keukentafel vol met enorme schriften met cijfertjes.
Dat vond hij leuk. Begrotingen, kosten, baten, een balans, dat soort dingen.
Ik niet. Laat me een excelsheet zien en ik spring uit het raam.
Doe dus maar niet.
Maar goed, ik heb inkomsten en uitgaven, een bankrekening waar die posten heel confronterend onder elkaar staan en soms baart het verschil tussen die twee mij zorgen. Dus toen ik zag wat ik allemaal aanschafte via iTunes en tegelijkertijd van moderne mensen hoorde wat Spotify behelsde en kostte, trok ik toch snel de conclusie dat mijn liefde voor muziek goedkoper kon.
Laat spotify nou net zo duur zijn als het lot dat ik iedere maand bij de bankgiroloterij koop! Het lot waar nog nooit iets op gevallen was! (Ik tel dan alle blikken stroopwafels en nutteloze huishoudelijke spulletjes in de kleuren van die loterij niet mee. Dat waren geen prijzen maar straffen voor mijn gulzigheid.)
Ik wilde dus van die loterij af om van het bedrag dat ik zo bespaarde lid te worden van Spotify, of hoe heet zoiets.
Zo gedacht zo gedaan. Dacht ik.
Op de website van de loterij stond ene Robert in een te groot colbertje van een soort fluweel mij enthousiast aan te kijken. Die wist niet wat ik kwam doen. Of misschien wel, want toen ik ging zoeken hoe ik van mijn loten af kon komen, verschenen zijn ouders en schoonouders en andere familieleden en/of vrienden, kennissen, buren, et cetera (zo’n loterij, dat is een en al nepotisme, vertel mij wat), telkens blij in beeld met reuzenvarianten van de cheques die ze kennelijk ontvangen hadden. De astronomische bedragen juichden nog harder dan zijzelf, maar ze vonden het toch nodig om aangrijpende sterke staaltjes van hun geluk te beschrijven. Ze weerlegden alle wetten van de statistiek met voorbeelden van toeval.
Ik werd gek.
Na eindeloos scrollen vond ik twee buttons, waarvan er een ‘blijven meespelen’ heette en de andere ‘toch opzeggen’. Die klikte ik aan, waarna er een meneer van de ‘afdeling goede doelen’ op het scherm verscheen om mij te vertellen wat ik anderen zou aandoen als ik er de brui aan gaf, want al dat loterijgeld was helemaal niet voor de winnaars, maar voor goede doelen.
Ja hoor. De ‘afdeling goede doelen’, dat is een eufemisme voor strijkstok.
Nog eens scrollen, en dan de verlossende mededeling: ‘opzeggen kan het beste telefonisch’.
Ik sprong een gat in de lucht. Weg van die site!
Dom, want telefonisch, dat is contact met echte mensen, en dat is eh, nou ja, niet mijn sterkste competentie, zal ik maar zeggen.
Wachtenden in de rij en enge muziek, maar uiteindelijk kreeg ik een neefje van Robert aan de lijn die mijn wens beantwoordde met een opgewekt ‘helder!’
Inderdaad. Hoe moeilijk kon het zijn.
Voor mij een vraag voor hem een weet.
Hij begon half tegen zichzelf en half tegen mij te prevelen wat hij ging doen. Dat had hij op een cursus geleerd. Stilte is niet goed, heette die les.
‘Ik ga eerst uw gegegevens noteren,’ zei hij.
Wat meer was, hij spelde alles terwijl hij typte en declameerde de vragen die het systeem aan hem stelde voordat hij triomfantelijk ‘Okay!’ zei als hij op ‘Bevestigen?’ klikte. Het was te zielig voor woorden, maar ik zat er met mijn gezonde verstand naar te luisteren alsof Einstein me postuum de theorie van alles uit de doeken deed. Tot hij (de jongen) opeens op bezorgde toon liet weten dat het eigenlijk best wel een slecht moment was om op te zeggen.
Oh?
Ja, want laten ze nou net een hele lucratieve actie op stapel hebben staan!
Goh!
Ja, echt! Iedere dag de kans om 10.000 euro te winnen!
Een kans! En dan iedere dag een!
Één!
Goed, menselijk contact is gedoe, maar in dit soort gevallen krijg ik opeens de geest. Rising to the occasion, noemen de Engelsen dat.
’Nee, ik wil opzeggen,’ snoerde ik hem de mond.
‘Helder.’ Dat ‘helder’ vond hij een fijn woord. De betekenis ervan niet. ‘Maar misschien wilt u toch…’
‘Nee, luister naar me…’
‘U laat me niet uitpraten.’
‘Ik wil het namelijk niet horen.’
‘U weet niet eens wat ik zeggen wil.’
‘Als jij maar weet wat ík zeggen wil. Ópzeggen, om precies te zijn.’
Een zucht.
‘Ik begrijp dat u dit gesprek als vervelend ervaart.’ Weer een zinnetje uit de training. Ik vroeg hem of dat ook zo was. Gewoon uit interesse. Maar ik had hem misschien niet precies na moeten bauwen.
‘Als u zo begint dan hang ik op, mijnheer.’
‘Als u zo begint dan hang ik op, mijnheer.’
Wat hij deed. Nou ja, hij stuurde me digitaal de gang op en ik kwam terug in de wachtrij bij de muziek.
Da capo.

p.s. U kunt het geloven of niet, maar ik had een week daarna het laatste woord van deze blog nog niet getypt of een manische collega van de jongen belde op om me dronken van geestdrift een geweldig aanbod te doen! Iedere dag de kans om 10.000 euro te winnen!
Ik legde mijn mobieltje voor me op tafel en zocht mooie rustgevende muziek bij zijn telkens weifelender roepen. O ja, dat was echt grappig, het ieniemieniestemmetje waarmee hij steeds wanhopiger contact met me probeerde te maken.
Maar ja, contact, daar ben ik niet zo goed in.

Vertrouwen

Lintje

Onlangs heeft een jonge reporter door de boel op te lichten onterecht een lintje gekregen.
Goh.
Het stond in de krant.
Met een foto van de journalist erbij.
Hij had best een zachtaardig gezicht, in ieder geval niet bepaald het ponem van een flessentrekker. Ik zou zo een tweede hands auto van hem kopen, maar ja, ik heb geen verstand van auto’s. Sterker nog, ik vind ze eng. Heb pas twee jaar mijn rijbewijs omdat ik niet eerder durfde. Het verkeer is te ingewikkeld voor een zenuwlijder als ik. Iedere soort verkeer, eigenlijk.
Maar daar gaat het nu niet over.
De burgemeester die hem het lintje abusievelijk had opgespeld verweerde zich met de standaard mededelingen die burgemeesters voor zulke gevallen op de burgemeestersschool hebben geleerd, namelijk dat hij nader onderzoek zou laten doen naar wat er mis was gegaan (dat begrip ’nader onderzoek’ moeten ze op boot camp in de Ardennen een week lang als een mantra voor zich uit prevelen, of nog langer, net zo lang tot de betekenis is verdampt, een geweldige methode waar ze ook andere termen voorgoed nutteloos mee maken, nutteloos voor gewone mensen dan, zie hieronder).
Hij kan niet anders, dat snap ik ook wel, maar ik zou het niet doen. Dat onderzoek. Er is namelijk niks misgegaan. Dat zei hij later zelf ook, al had hij dat misschien niet door.
‘De procedure berust op vertrouwen,’ zei hij.
En die reporter had dat dus beschaamd.
Case closed, zou ik zeggen, en zeker de Kanselarij der Nederlandse Orden er niet bijhalen.
Want dat beloofde de burgemeester ook.
Toen ik dit blog typte schreef ik het telkens achterstevoren en andersom: de Orde der Nederlandse Kanselarij, of : de Nederlandse Orde der Kanselarij.
Als ik die burgemeester was zou ik, zeker in het licht van de recente gebeurtenissen, even nagaan of die club wel bestaat, want als iedere verhaspeling ook een geloofwaardig naam voor een deftig instituut oplevert, is bedrog niet ver weg. Gewoon googelen. Mijn gok is dat het een departementale commissie uit een Harry Potter-boek is.
Over departement gesproken. De ambtenaar op het ministerie die over de lintjes gaat zei: ‘Als men kwaad wil, dan lukt het.’
En de journalist wilde kwaad. Hm, dat klinkt duivelachtiger dan ik bedoel. Goed, laten we het branie noemen. Hij wilde branie schoppen. Met een aangeplakte baard de burgemeester voor schut zetten.
Dat is gelukt.
Goed zo!
Het knappe is vooral dat hij zo’n beetje het laatste bestuurlijke gebied heeft ontdekt waar nog vertrouwen heerst. En dat heeft-ie meteen voor confiscatie door achterdochtige Dorknopers ontsloten. Want die kanselarij gaat de regels natuurlijk aanscherpen. Of anders die ambtenaar wel.
Dichttimmeren heet dat.
Exit vertrouwen.
Je kon erop wachten. De afgelopen 15 jaar was zo’n beetje het populairste programma op de tv ‘Wie is de mol?’. Dat is niks anders dan misleiding en bedrog. Elkaar neppen en over je schouder kijken als nationaal vermaak, kom er maar eens op. Geniaal, op een akelige manier. En dan zijn er nog mensen die zich afvragen of het programma zelf doorgestoken kaart is.
Duh! Wake up!
De overheid heeft haar beleid natuurlijk van ‘Wie is de mol?’ afgekeken. Wantrouwen en argwaan als leidend principe voor het besturen van de maatschappij, dat moet kunnen, dachten ze in Den Haag na het eerste seizoen. Ze noemden het prestatiemeting en outputfinanciering. Of prestatiefinanciering en outputmeting. Resultaatverantwoording kan ook. Let op, je kan die woorden naar hartelust door elkaar husselen en dat is dus altijd een slecht teken. Zie hierboven. De mantra’s die erbij horen: transparant zijn, inzichtelijk maken, rekenschap geven.
De ironie is dat alle mensen voor wie vertrouwen de kern van hun beroep is, (onderwijzers, verpleegkundigen, reclasseringswerkers, zorgverleners, et cetera) nauwelijks aan hun beroep toekomen omdat ze de hele tijd moeten bewijzen dat ze dat ze te vertrouwen zijn door alles wat ze doen te registreren (dat is: tellen wat ze doen, niet vértellen, wat veel interessanter zou zijn).
Hoe bizar is dat?
Terug naar die lintjes. Ik zie een ambtenaar voor me met excelbestanden en staafdiagrammen waarop iemands verdienste voor de samenleving inzichtelijk en transparant is gemaakt zodat van iedere goede daad rekenschap te geven is.
Ik waarschuw alvast; leuk dat u nu uw hele ziel en zaligheid in vrijwilligerswerk voor de vereniging ‘Weiland en polder’ (of andersom) legt, maar als ik u was zou ik vanaf nu uren gaan schrijven en geredde veldmuizen tellen.
En let op, als u het lintje ophaalt (ik hoop voor u dat één van die muizen niet de tamme van uw buurmeisje blijkt te zijn), moet u niet meteen daarna weglopen. Want dat was de burgemeester wel als verdacht opgevallen, dat de illegale laureaat meteen met zijn onderscheiding het pand had verlaten.
Maar daar had hij verder niet bij stilgestaan in al het feestgedruis.
Hoera!
Een lintje voor goedgelovigheid, dat zou wat zijn.
Of voor valse baarden.
Iedereen blij.

Plat & scherp

Smid

Toen mijn tante Stien veertien was, ging ze in een manufacturenwinkel aan de Spaarndammerstraat in Amsterdam werken. Garen, knopen, hoedenelastiek, onderbroeken van Ten Cate (ik ga dit niet uitleggen), dat soort dingen. Zij mocht daar niet platpraten.
Niet platpraten, in de Spaarndammerstraat! Ga er maar aanstaan. Maar het lukte haar, helaas ten koste van twee of drie vriendinnen die opeens vonden dat zij uit de hoogte deed. Want schakelen, dat bestond toen nog niet. Ja, in een auto. In het gewone leven was dat nog niet uitgevonden. Je was iets of je was iets anders, maar daartussen heen en weer pendelen, dat ging niet.
Gedoe.
Iedereen één rol.
Geweldig!
Op mijn zesde heb ik zelf na een verhuizing zuidwaarts, juist om vrienden te máken mijn platte Amsterdams afgeleerd. Dat is niet helemaal gelukt (ik gebruik nog steeds de ‘s’ voor alles wat daar op lijkt), wat dan weer komt doordat alle jongetjes die voor vriendschap in aanmerking kwamen mijn goedbedoelde Brabants treiterig nabauwden, waarna ik hen dan op hun gezicht sloeg. Ja, ik raad dat niemand aan, maar het luchtte wel op. Het resultaat is een eenzaam bestaan, maar dat neem ik voor lief. Alles voor de taal.
Goed, dit allemaal ter inleiding van de hedendaagse term ‘plat’. Dat is het nieuwe ‘kort door de bocht’. Kunt u dat even noteren? ‘Kort door de bocht’, dat is echt té 2014, kan niet meer. Dus waar u vroeger zei: ‘ik zeg het even kort door de bocht’, zegt u nu: ‘ik zeg het even plat’. Voor alle duidelijkheid, dat betekent dus niet dat u eventueel met geweld afgeleerde (of juist behouden) dialecten (weer) kunt gebruiken, maar dat u de beknopte en ongenuanceerde versie van een mededeling of verhaal doet.
U kunt ook zeggen: ‘ik sla het even plat’. Waarna u een uitgebreid en gedetailleerd relaas van alle rim-ram ontdoet en wat er dan van over is als de kale variant presenteert (en heimelijk als de veel betere suggereert). Hoewel u zodoende de bedenker van de originele versie natuurlijk enorm schoffeert, zal toch iedereen uw interventie waarderen, inclusief die bedenker zelf.
Want plat is de nieuwe mode. Ideaal in tijden van bezuiniging, als alles eenvoudiger moet, en ‘genuanceerd’ een ander woord voor duur is.
Platslaan, iedereen doet het.
Nou ja, niet iedereen, want er zijn tegenwoordig ook mensen die in plaats van dingen plat te slaan er ‘scherpte in brengen’. Dat is ongeveer het tegenovergestelde. Wie ergens scherpte inbrengt, neemt een vaag of nogal oppervlakkig verhaal en maakt dat duidelijk en/of polemisch. Dit om vlammen in een discussie te blazen of een smeulende onenigheid aan te wakkeren. Iets van alle kanten bezien of weloverwogen van gedachten wisselen, dat schiet niet op, dus in ieder gezelschap neemt in zulke gevallen iemand dan het woord om scherpte in het gesprek te brengen.
Erg hip en modern.
Ook dit soort interventies zijn handig als het geld op is, want ellenlang doorzeuren over het een of ander is er niet meer bij. Voor je het weet zit er ergens scherpte in en is de kwestie in drie zinnen, of nog beter: in drie cijfers, beslecht. Verwarrend genoeg kun je scherpte aanbrengen door iets plat te slaan. Hoe kan dat? Denk aan een smid, die doet het de hele dag. Meestal geen denkers, maar doeners. Mannen van weinig woorden. Laat staan woordenwisselingen. Kort van stof. De laatste keer dat ik er een sprak, over mijn kapotte tuinhek, kreeg ik als antwoord: ik doe geen sierwerk. 
Dus wie geen tierlantijnen wil, doet als de smid: sla alles plat en breng er scherpte in. Niet andersom, dat is zonde (denk ik).
Dit alles is natuurlijk funest voor een beleidsadviseur als ik, die, want de enige scherpte die ik aan mijn platpraten heb overgehouden is dus die ‘s’. Voor de rest weid ik maar uit en uit. Met alweer als resultaat: alleen op de wereld.
So sielig.

Trevira 2000

Trevira 2000

Ik kocht bij Giensch in Utrecht een stropdas van Trevira 2000 en moest meteen aan mijn moeder denken, mijn moeder die vroeger zelf mijn kleren naaide.
Ja, jongens en meisjes, moeders naaiden vroeger alles zelf. Van patronen. Grote vellen papier waarop als op plattegronden van de metro tientallen lijnen hun eigen weg gingen in een geheimtaal die alleen moeders begrepen.
Die patronen waren bijlagen bij speciale damesbladen waarin bloedeloze foto’s stonden van keurige en gangbare gezinnen (vader, moeder, zoon, dochters – altijd twee dochters, een oudere van een jaar of zestien, en een jongere van tien of zo) die in al even bloedeloze kleren poseerden met als enig doel die kleren te showen.
Welk ander doel ze zouden moeten hebben, wist ik nooit, maar in ieder geval iets spannenders, hoopte ik dan. Iets echts, met gevoel.
Ik was veertien.
Want hoewel ze altijd een of andere fijne situatie uitbeelden (een picknick met Brabants bonte tafelkleden op nepgras, of een dagje aan het strand, met een vlieger voor de mannen en een glimmende bal voor de meisjes), was altijd ook duidelijk dat het daar niet om ging, niet om ranja en koude kip of vlieger en bal, nee, het ging om coltruien en broekpakken. Plooirokjes en overgooiers.
Ja, op alle foto’s stond er altijd ten minste één meisje met een overgooier aan. Dat was echt het icoon van alle bloedeloosheid. Een rok en mouwloos lijfje aan elkaar vast, staat er in de van Dale. Dat mouwloze lijfje zie ik dan voor me, als zo’n verwrongen lichaam op een schilderij van Francis Bacon.
Ik dwaal af.
In die patroonbladen van mijn moeder stonden ook nieuwtjes over materialen. Stoffen. Trevira 2000 was zo’n stof. Een hypermoderne, geheel van kunstvezels gemaakte stof. Een revolutie was het. Ik herinner mij nog dat de naam in gesprekken van mijn moeder met de buurvrouw viel. O, de ondertoon van geheimzinnigheid, kippenvel kreeg je daarvan.
Het was natuurlijk ook een geweldige naam. Dat kwam door dat getal. Een combinatie van een woord met een getal is altijd prachtig, maar deze al helemaal omdat het ‘2000’ was. In de jaren zeventig was dat getal het summum van de toekomst. Een betoverend jaartal dat ook betekenis had zonder dat je aan een jaar dacht. Het hoefde niet eens te komen. Liever juist niet. Altijd de toekomst. Nog mooier!
Dat mijn moeder de stof eerst nergens kon vinden, was ook enorm spannend. Wij moesten ervoor naar de stad (waarom ging ik eigenlijk mee? Weet ik niet meer). Een half uur in de bus en dan van het station naar steegjes in het centrum, waar winkels met stoffen waren, soms ook met fournituren. Geweldige zaken, waar alles dat met zelf naaien van doen had te koop was.
Ik bedoel dus álles!
Je kon het zo gek niet bedenken of ze hadden het. Knopen, drukkertjes, ritsen, pailletten, koorden, kwasten, garen, bandjes, elastieken, noem maar op. Er was altijd wel ergens een la met vakjes waar voldoende van wat ook maar in zat om er de rest van de dag in twijfel naast te staan, met de stof in de ene hand en dat wat ook maar in de andere hand, om te zien wat het beste bij elkaar paste.
Maar Trevira 2000 was dus zeldzaam in die winkels. Althans in de provincie, waar wij woonden. Niet dat zoiets mijn moeder tegenhield. Zij is niet iemand die zich in dat soort winkels laat afschepen. Zij had zelf ook in zo’n winkel gewerkt en wist meer van de textielhandel dan de verkoopsters lief was. Ze voerde gesprekken met de winkelbedienden op een toon die de meeste van hen in wanhoop over hun verdere carrière achterliet.
Op onze eerste tocht gaf pas in de vierde zaak een vrouw achter de toonbank weifelend toe dat zij wel van Trevira 2000 gehoord had.
Mijn moeder knikte. Meer niet.
En de vrouw slikte.
Daarna volgde een minuut of wat stilte. Waarna de vrouw achter een deur verdween waar ‘privé’ op stond. voor de rest van haar leven, denk ik.
Door dit soort gesprekken was Trevira 2000 voor míj nog mythischer geworden dan het al was. Wie iets droeg dat dáár van gemaakt was, zou meteen een halfgod worden, met fabelachtige eigenschappen. Ik kon niet wachten tot ik iemand zou ontmoeten die iets van die stof zou dragen.
Het liefst een meisje.
Ik was veertien.
Zo’n meisje uit de patroonbladen van mijn part. Ik kende er inmiddels wel een paar die heel verwarrend met een stuk fruit in de handen op een Schots geruite plaid konden zitten.
Ja, ik schreef dan wel stoer dat die fotoreportages bloedeloos waren, maar ja, dat was terugziend. Toentertijd zag ik alles natuurlijk anders. Een dagje naar het strand met zo’n meisje van twee jaar ouder dat dan een jurkje (geen overgooier) van Trevira 2000 droeg, dat leek me geweldig.
En nu heb ik dus een stropdas van Trevira 2000! Thuis heb ik ’m meteen omgedaan en dit allemaal in één roes opgeschreven.
Het blijft magisch spul.

Loslaten

Liggende boeddha

Op weg naar de trein kwam ik terecht in een groep Chinezen die uit de draaideur van een hotel wervelde. ze hadden allemaal dezelfde gelukzalige lach op hun gezicht en dito verwondering in hun ogen. De dag was amper begonnen, maar voor hen kon hij al niet meer kapot. Dit was leuk (vonden zij): de wind in de achterafstraat naast het station, de in zichzelf gekeerde fietsers die er tegenin klauterden, het zwerfvuil dat zich liet rondwaaien, het stuivende zand van de eeuwig opengebroken wegen rondom Hoog Catharijne… kortom, alles.
Je bent op vakantie of niet.
Ze droegen geplastificeerde kaartjes aan touwtjes om hun nek als kinderen op een schoolreisje in de Efteling. Voor schut, maar what the fuck, ze liepen ook allemaal op spuuglelijke sneakers en hun bespottelijk kleine rugzakken klampten zich vol proviand en reisbenodigdheden verbeten als apen aan hen vast, waardoor ze niet anders konden dan hulpeloos met hun armen gespreid rondlopen.
Voor schut, maar ook koddig. Aandoenlijk.
Je zou van Chinezen verwachten dat ze aan fietsers gewend zijn, en dus dat ze mij wel ergens in een ooghoek zouden hebben ontwaard en opzij zouden stappen, maar hun reisvreugde was kennelijk zo sterk dat ze alles wat aan thuis deed denken waren vergeten.
Hadden losgelaten.
Zouden Chinezen dat ook doen, loslaten? Of is dat weer zo’n westers dingetje? Ik had de neiging om de dichtst bijzijnde man te vragen hoe het zat, ik botste toch zowat tegen hem op, maar zag er vanaf omdat het me te ingewikkeld leek om de kwestie voor te leggen en ik bovendien niet zou weten wat ik met het antwoord aan zou moeten. Daar weer nieuwe vragen over stellen, vreesde ik. Stel dat hij zou antwoorden (ik vertaal even alles in het Nederlands): ‘Ja, wij Chinezen laten ook wel eens los.’ Wat zou ik dan moeten zeggen? Okay, bedankt voor de info, logisch, typisch oosters? Nee, dan zou ik natuurlijk meer willen weten. Wat laten ze los? En waarom? wat zijn de ervaringen? Hebben ze het al eens geëvalueerd? Dat soort dingen. Ik ben van beleid, immers.
Of hij zou zeggen: ‘Nee, loslaten, dat doen wij niet.’ Ook raar, zou ik dan denken. Iedereen laat wel eens iets los. Het is algemeen menselijk. Toch? Altijd maar aan alles vasthouden, dat trekt niemand. Maar goed, Chinezen misschien wel. Of ze durven niet anders, bang voor de partijleiding.
(Ja, sorry, ik heb veel vooroordelen, da’s ook menselijk.)
Voor alle duidelijkheid, al deze overwegingen schoten door mij heen terwijl ik probeerde langs en/of door die groep te fietsen en te vermijden dat ik die man aankeek.
Want ik was op weg.
Naar mijn werk.
Een vergadering.
In Den Haag.
Op het ministerie.
Over gewelddadige overvallers.
Echt waar.
De man had ondanks dat ik mijn nieuwsgierigheid geheim probeerde te houden en dus heel erg star voor mij uit staarde, toch mijn vraag gezien want hij sprong zo’n beetje voor mijn fiets en begroette míj zo mogelijk nog monterder dan hij de rest van de wereld al tegemoet trad, klaar om wat het ook maar was leuk te vinden. Dacht ik.
Met zijn vrouw trouwens, die hij god mocht het weten waarvandaan aan haar hand tevoorschijn trok en midden op de straat posteerde.
Hemelse glimlach. Maal twee.
Hij stak zijn mobiele telefoon vooruit.
‘You take picture?’
Leg dan maar eens uit dat je eigenlijk naar het ministerie moet. Die glimlachen waren onweerstaanbaar. Als hij me gevraagd had zijn gympen over te kopen had ik het ook gedaan.
Tijdens de remweg had ik mij alle zenuwentochten uit mijn leven herinnerd, de helletochten die ik iedere dag weer had gemaakt, op weg naar school, college, werk; om bus, trein, vliegtuig, boot te halen; om kinderen tussen crèches en huis heen en weer te fietsen – ja, het leven – maar had ik ook het chinese restaurant in een van de straten waar ik dan telkens doorheen raasde weer gezien, en waar altijd, echt altijd, in een soort mini tempel-schuine-streep-etalage een lichtje brandde voor het beeld van een liggende Boeddha.
Hemelse glimlach.
Ik glimlachte altijd terug. (die seconden loslaten op een dag, dat kon toen wel). Altijd!
Dus ook naar de Chinese man.
‘Yes! I take picture!’
Wel jammer dat ik van de weeromstuit álles losliet. Ook zijn mobieltje. Ja, te flauw voor woorden, maar het was zo.
Goed, die vergadering redde ik niet. Wel een hoop over gewelddadige overvallers geleerd.
Dat heb ik weer.

De weg kwijt (voor E.)

Abbey road

Een nadeel van Groot Brittannië is dat de Britten zo aardig zijn. Ja, noem me een chagrijn, maar na een paar dagen in London kan ik ze wel villen. En dan schijnt het nog mee te vallen in die stad. Te jachtig voor vriendelijkheid.
Niks van gemerkt. Iedereen was zo tergend beleefd dat ik op een gegeven moment de man die mij met een manische blik en opengesperde neusgaten uitlegde dat ik required by law was hem ongehinderde toegang tot het zebrapad te verlenen, spontaan om de nek wilde vallen
Ja, dat is echt een dingetje daar, zo’n zebrapad.
Andersom sta ik geregeld met een kloppend hart aan de stoeprand naar hartelijke automobilisten te staren die geduldig als de hel wachten tot ik durf oversteken.
Ik ben in Engeland altijd de weg kwijt. Letterlijk en figuurlijk. Het leven in Nederland is al een hele toer voor een zenuwpees als ik, maar daar is het ronduit een beproeving. De houvast die ik hier heb, namelijk dat ik in ieder geval (eh, geloof ik) weet welke sociale vaardigheden ik níet heb (nogal wat), zodat ik daar rekening mee kan houden, ben ik daar natuurlijk  door al die beminnelijkheid meteen kwijt. Dat haalt mijn hele zenuwenbestel (nee, geen typefout) omver.
Daarom was ik zo blij dat we naar de IKEA gingen. Want dat is een internationaal doolhof waar verdwalen de norm is, óók letterlijk en figuurlijk. Er gelden andere wetten (en er zijn geen zebrapaden), ook in het menselijk verkeer. En geheime toegangsregels, volgens mij, waar wij kennelijk aan ontsnapt waren, want de combinatie vader-dochter kom je daar niet tegen. Eigenlijk zie je alleen moeders en dochters, jonge stellen waarvan er één hoogzwanger is, en gezinnen. Vader-dochters moeten naar de GAMMA. Ga maar eens kijken, daar sterf het ervan, vooral als het academisch jaar begint. Een GAMMA konden we daar trouwens niet vinden. Wel een tot in de verste uithoek volgestouwde DIY (do it yourself), die als geruststellend motto had: if we don’t have it, you don’t need it.
Ik dwaal af.
De eerste de beste Engelsman die we in de IKEA om informatie vroegen, deed gelukkig al meteen ietwat bits (scheelt maar één letter, bizar!), omdat we een bed met Europese maten zochten.
Ik weersta hier de neiging om uitgebreid uit te leggen waarom dat een hachelijke missie was. Bij een bed hoort natuurlijk een matras en ook een lattenbodem en die zijn heel handig in zowel Europese afmetingen als in standard Brittish size te krijgen zijn, maar niet allemaal in de winkel, wel te bestellen (drie weken levertijd en een ordertoeslag) of op de website aan te klikken (inclusief leveringskosten).
Toch kwam alles goed. Dankzij E., die de bovenmenselijke gave heeft om door die winkel te lopen zonder iets te kopen wat niet op haar lijst staat, dus ook, zoals zij zei, geen handige hulpjes voor problemen in het huishouden waarvan je niet wist dat je ze had (IKEA’s motto: if you don’t need it, we put it next to the check out).
Ja, mensen het kan!
Dat hield ik in gedachten toen ik gisteren in Utrecht een paar gordijnen ging kopen. De IKEA daar is aan het uitbreiden! Hoe absurd is dat? Die zaak was al zo groot als de jaarbeurs, keer twee. Nog even is het een buitenwijk van Utrecht en stopt lijn zeven in de Klippangata. Bij een spårvagnhållplats van ongelakt vuren die je eerst zelf in elkaar moet zetten.
Goed, ik met mijn ogen strak naar de grond op weg naar de kassa. Gordijnen onder mijn arm. Betaalpas gereed.
So far so good. Maar de grens tussen focussen en bewustzijnsvernauwing is vaag. Evenals de grens tussen vreugde en van je verstand gaan. Nu pas besef ik hoe beheerst dat fatsoen van die Britten is.
Het is een gave.
Die ik niet heb.
Dus dat de politie mij mee kwam nemen, snap ik wel een beetje. Buitenzinnig rondspringen en roepen dat het gelukt is, dan kan nog wel. Aanstaande vaders satanisch uitlachen om hun volgeladen winkelwagentjes, misschien. Maar de juffrouw van de kassa zoenen, nee. En kleerhangers van een studente afpakken en ze als boomerangs de winkel in zeilen, écht niet. Ook niet als ze zo heten.

Rendementsdenken

Maagdenhuis  slaapzak

Toen dat Maagdenhuis leeg en verlaten was en alle journalen met camera’s door dat pand banjerden om net te doen alsof het een first person shooter was, bleef mijn oog hangen bij de luchtbedden met slaapzakken. Ja, hoe bizar is dat, maar het beeld van die kamers met lieve bergjes achtergelaten beddengoed is het enige dat me bij is gebleven, zonde van die spullen, denk ik dan, zouden ze die later nog komen ophalen, of hoe zit dat.
Nadat het stof was neergedaald (neem dat letterlijk) was het tijd voor een evaluatie. Zo noemden ze het niet, maar het vraaggesprak dat ik op het nieuws zag, leek er toch veel op, want de eerste vraag was: ‘wat heeft dit concreet opgeleverd?’
De jongeman die mocht antwoorden monterde helemaal op, wat ik om een of andere reden geen goed teken vond. ‘Nou heel concreet allereerst dat het debat geopend is,’ zei hij. Jammer van die passieve formulering, zeurde ik meteen hardop (ja, ik praat tegen mijn iPad, tegen de ijskast trouwens ook, eigenlijk vooral tegen dingen en mijn kat, die zeggen niks terug), want nou is dat debat als lijdend voorwerp op een of andere wonderlijke manier vanzelf ontstaan (en zal het precies zo verdampen, wat ik u brom).
En eh,  noem me oud of ouderwets, maar is een bezetting van zes weken geen erg ingewikkelde manier om een gesprek aan te knopen? Ik vraag het maar even, aangezien ik nou niet echt een deskundige ben in contact met anderen maken (zie hierboven). Dus misschien heb ik iets gemist.
De jongen noemde verder als concreet wapenfeit dat er twee commissies waren opgericht (ja, die waren ook passief uit het niets ontstaan).
Eh…
Twee commissies.
Ik wil echt niet betweterig doen hoor, maar in de wereld van het college van bestuur van een universiteit is dat het tegenovergestelde van ‘heel concreet’. Dat gaan die bestuurders nooit toegeven, het is immers hun wereld en aan de vaste waarden daarvan peuteren brengt niks goeds, ja cognitieve dissonantie, maar om daar de voordelen van te zien (het is vaak het begin van jezelf veranderen) moet je een zekere introspectie op kunnen brengen en ik vermoed dat ze daar niet zo goed in zijn.
Over introspectie gesproken. Als een debat en twee commissies het resultaat zijn van anderhalve maand ‘strijd’, zou ik aan mezelf gaan twijfelen (= cognitief dissoneren).
Rendementsdenken, daar is soms wel iets voor te zeggen.
Ja, daar begon het allemaal om, die hele bezetting en alle gesprekken erover, en het is altijd een beladen woord, om niet te zeggen een vies woord, maar dat komt doordat iedereen altijd meteen aan geld denkt en geld is dus ook vies. Nee, dat is niet waar, geld is gewoon een armoedige maat voor kosten en baten, en al helemaal voor opbrengst.
Als ik een universiteit moest managen, zou ik voor kennis gaan. Of, nee, nieuwsgierigheid. Eh… twijfel! Nou ja, zoiets. Eerst twijfel zaaien, nieuwsgierig kijken wat er gebeurt, om dan kennis te oogsten. Hadden ze dat gedaan, ik bedoel, waren ze zelf door twijfel en nieuwsgierigheid bevlogen geweest, dan was dat debat echt een zichzelf ontwikkelende peulenschil geweest. En hadden ze in de verste verte niet aan een commissie gedacht.
Laat staan aan zo’n pathetische jaren-80-ontruiming.
Ontruimen, dat is heel erg wetenschappelijk onverantwoord. Net als rotzooi maken, overigens. Maar goed, die jongen zei dat ze het graag hadden opgeruimd als ze zelf niet waren opgeruimd. Dus die studenten wegjagen was behalve onwetenschappelijk ook niet bijster rendabel.
Zijn montere stem werd opeens een voiceover in de first person shooter. Weer die slaapzakken in beeld en daarna met goed gevoel voor drama en misselijkmakende camaeravoering enkele versplinterde deurposten, om nog eens te laten zien dat de jeugd van tegenwoordig  gespeend van alle realiteit in haar eigen first person shooter leefde. Nieuws maken is zo makkelijk! Een nieuwslezer nam het van de jongen over en deelde veelbetekenend mede dat nog niet duidelijk was wie de schade van dit alles zou gaan betalen.
Ik hoop voor die studenten dat het college daarvoor een commissie gaat instellen.

Uil & Wolf

Owl&Wolf

Hm, eerst die uil en toen een wolf. Ik durf hier wel te bekennen dat het gedoe met die Oehoe mij emotioneel dus best wel raakte of zo. Als kind luisterde ik altijd naar de verhalen van Paulus de boskabouter (ja, jongens en meisjes, wij hadden wel een tv, maar dit was alleen op de radio, dat noemden ze een hoorspel) en Paulus had een Oehoe als vriend. Een zachtaardig wijze vogel die als enige tekortkoming had dat hij af en toe een muis at. Zijn stopwoord was ‘helendal nogal wel zo tamelijk’ (ja, vier woorden, maar hij sprak ze iedere keer in één adem als één kolossaal tussenwerpsel uit), wat ik hilarisch vond. Nu nog eigenlijk. Dus toen bleek dat in Purmerend een soortgenoot van hem niets vermoedende burgers zonder aanwijsbare reden aanviel, verschoof mijn wereldbeeld een beetje. Ieder mens heeft een paar ankers in zijn leven en één van de mijne was losgeraakt.
Het gaat nu wel weer.
Eh, dat is te zeggen, ik had dat nog niet achter de rug, of die wolf daagde op. Ook een bizar geval van foute typecasting.
In het journaal voerde men een deskundige meneer van de stichting ‘Wolf in Nederland’ op. Zo’n man en zijn stichting houden mij dan al bezig voordat hij ook maar iets gezegd heeft. Hoezo ‘Wolf in Nederland’? Is dat een streven of een constatering? In beide gevallen zou ik zeggen dat ze de stichting wel weer kunnen opheffen. Want doel bereikt en/of feit bevestigd. Kunnen ze fijn een nieuwe club oprichten, ‘Uil úít Nederland’ misschien. Of ‘Kweepeer in Sliedrecht’. Kan allemaal.
Hoe dan ook, de man gaf ons zijn analyse van het geval en begon met de geruststellende mededeling dat – let op de aanhalingstekens, ik citeer nu – ‘de wolf helemaal niet boos was naar de mensen toe’.
Ik kan zeker vijf minuten niet fatsoenlijk functioneren als ik zo’n zin hoor, maar die man komt op het journaal om blij als een bos rozen ongestraft zulke dingen te zeggen. In de rest van het korte gesprek liet hij ook nog eens openhartig zien dat hij zijn klassieken niet kende. In zo’n beetje alle sprookjes die mij ooit zijn verteld, komt wel een wolf voor die mensen verslindt. Nou, als dat niet boos naar de mensen toe is, dan weet ik het niet meer. De man keek niettemin volstrekt gelukkig bij zijn conclusie. Iedereen kan zomaar een stichting beginnen.
Het werd nog mooier. Na de ‘Man in Nederland’ kwam een gedeputeerd statenlid aan het woord. Hij droeg zijn stropdas alsof het ding hem naar het leven stond en zette meteen, verontwaardigd, hoog in. ‘We verwelkomen de wolf in Nederland, maar dat betekent wel dat hij natuurlijk gedrag moet vertonen.’
Echt waar.
PVV-gedachtengoed, maar dan voor wolven. Voor je het weet hebben ze al onze banen en vrouwen ingepikt. Da’s de sociologische variant van ‘boos naar de mensen toe’.
Het statenlid gaf gehinderd door onwetendheid en angst voor de camera, een tamelijk vage beschrijving van het natuurlijke wolvengedrag dat hij graag zou zien. Een beetje rondrennen in buitenwijken hoorde er niet bij, dat wist hij wel. De wolf hoort in ‘beboste omgeving’ thuis.
Ik zie dan die wolf, die immers het beste met de mensen voor heeft, ondanks dat hij geen flauw idee heeft van wat het is, toch braaf op zoek gaan naar ‘beboste omgeving’. Dat is echt heel wat hoor, voor een beest dat eigenlijk naar een diep en zwart woud verlangt waar hij geroofde kinderen kan opeten.
Dit alles maakt wel duidelijk dat onze samenleving niet met buitenissigheden om kan gaan. Dieren die out of the box doen, dat vatten we niet. (Ja, ik ben beleidsadviseur, dus ik zie meteen een maatschappelijke ontwikkeling.)
Die uil wilden ze met een verdovende pijl uit de luchtschieten. Goed idee. Het wachten was op de vergunning.
En die wolf moest dus een locatiegebod en een chip in zijn oor, vond de gedeputeerde.
Ik bedoel maar. Hoe machteloos is dat?
Intussen wil mijn cavia van zwemles af. Hij zegt dat het onnatuurlijk is. Een knaagbare context wil hij.
Dat heb ik weer.

Passend

Swimming  Cavia

Cavia moest een nieuwe zwembroek hebben. Vond hij. Hij heeft er al een stuk of acht, maar een paarse ontbrak nog, voor bij zijn badmuts en bandjes van dezelfde kleur. Kleurencoördinatie, dat is wel een dingetje van hem. Iedere andere cavia zou zich zorgen maken om voldoende gras voor het avondeten, maar die van mij staat de halve dag voor de spiegel om zijn ensembles te checken. Assorti is het kernwoord. Hij is de eerste keer voor zijn A-diploma gezakt omdat-ie niet kon kiezen wat hij aan moest voor het onderdeel gekleed zwemmen.
‘Doe gewoon iets aan wat lekker zit,’ zei ik. Fout advies. Ook al omdat hij dus echt niks had om aan te trekken, want daar was zijn garderobe niet op voorbereid, op nat worden.
’In het water ziet alles er anders uit!’ riep hij.
Dat is zo.
Goed, zijn discussies met de badmeester over de definitie van ‘gekleed’ laat ik hier achterwege. Een zwemslip met bijpassende sokken en een haarband valt in ieder geval niet onder ‘gekleed’. Onthou dat.
In de sportwinkel liepen jongens en meisjes met headsets op gejaagd de zaak te managen alsof het een reddingsoperatie was. Voor iemand als ik, die de wereld in het algemeen en andere mensen in het bijzonder zelden goed begrijpt en voor wie communicatie zeker niet de eerste optie is om dat probleem op te lossen, is het nogal verwarrend als het winkelmeisje van de badkleding hem telkens glimlachend aankijkt terwijl zij met haar collega van running de maatvoering van crossfit skinny strap racer-bh’s doorneemt.
Mixed signals! Niet goed!
Waar was ik?
Oja, Cavia wurmde zich intussen in een lila aquashort.
‘Is deze passend?’ vroeg het meisje.
Aan ons, niet aan haar collega.
‘Pássend?’ vroeg Cavia terug.
Het meisje knikte terwijl ze haar headset rechtduwde en terugschakelde naar de sport-bh’s. ‘Nee, als je vooroverbuigt zie je niks. Daar zijn ze net voor bedoeld! Dat alles blijft zitten.’
Cavia schoof het gordijn van de fitting room opzij en stak zijn hoofd naar buiten. ‘Eh?’
‘Is deze passend?’ herhaalde ze.
‘U bedoelt of hij past?’
‘Ja, dat vraag ik toch?’
‘Nee, u vraagt of hij passend is. Pássend! Tegenwoordig deelwoord. Participium praesentis.’
‘Eh?’

Ja, mensen, we zitten midden in een opleving van het akelige tegenwoordig deelwoord. Ja, akelig!
Passend, al helemaal. Dat is deftigdoenerij. Want moeilijk terwijl het makkelijk kan. Vaag. Een swimming brief is te groot of te klein of precies goed en in dat laatste geval, past-ie. Punt.
Passend, dat is ongevéér. het populairste woord in de hedendaagse beleidsnotitie. Altijd handig als je eigenlijk nog alle kanten op wilt.
U moet het niet verwarren met ‘gepast’, trouwens. Ik zeg het maar even. Aan het strand is een zwembroekje gepast, op de afscheidsreceptie van een minister en staatssecretaris niet. Of het nu passend is of niet; eh, past of niet. Het broekje dan.
(Als u nu Fred Teeven en Ivo Opstelten in hun Speedo’s op zoek naar de bitterballen ziet gaan, sorry.)

Het meisje in de winkel staarde Cavia glazig aan. Ze was weer elders met haar hoofd en luisterde naar de bh-verkoopster van running. ‘Uh, Samira wacht even, ik heb hier even een situatie.’ Cavia kwam uit het hokje om een paar stappen heen en weer te doen. ‘Er loopt hier iemand bij de hand te doen.’
Het was waar. Want Cavia paradeerde pedant langs de kledingrekken terwijl hij luid declameerde dat hij ‘passend passen in zijn gepaste en passende zwembroek zette’.
Taal is zeg maar echt zijn ding, om eens iemand te citeren.
Toen bleek dat zwembroekjes nog iets van sport-bh’s kunnen leren, en dat het sowieso beter is om die dingen niet op de groei te kopen. Zorg dat-ie past, dus. Passend, dat bleek nu wel, is echt niet precies genoeg.
Hoewel de agent die het proces-verbaal opstelde, het wel netjes noteerde toen het meisje hem vertelde dat Cavia’s slip niet passend was. En vervolgens schreef hij ook op wat Cavia haar en de rest van de winkel had laten zien. Al dan niet met opzet.
Ongepast was het wel.
Die regenjas waar hij het laatst over had, gaat hij maar alleen kopen.

Congruent communiceren

Valse hond2

Het was mooi weer en ik ging een eindje lopen in een zo’n park waar oude mensen met hun kleinkinderen uit wandelen gaan en scholieren tijdens hun pauze op gemeentelijke lounchestoelen liggen met hun mobieltjes in de aanslag om met god en alle mensen te delen wat hen maar voor de voeten komt.
Het is eigenlijk een parkje van niets, zeker als nog geen blaadjes aan de bomen zijn, want dan kijk je er dwars doorheen en zie je dat er omheen het dagelijks leven gewoon doorgaat hoe gretig je ook slentert. Maar het is er rustig, in ieder geval zo rustig dat het opvalt als er een jonge vrouw van ergens in de twintig huilend als een kind op haar omafiets over de kronkelpaadjes rost. Ik zag en hoorde haar al van verre aankomen, maar zij reed zo snel en onbesuisd dat ik voor ik het wist moest kiezen tussen opzij springen en haar vragen wat er aan de hand was. Ik deed het allebei, twijfelaar als ik ben. Terwijl ik in de lucht hing op weg naar een veilig heenkomen, riep ik: ‘wat is er aan de hand?’
‘Mijn hond is vermist!’ huilde zij terug.
Dat heb ik weer.
Ik bedoel, ‘mijn hond is vermist!’? Wat is dat voor een zin? Als je je hond kwijt bent, schrijf je dat met een paar vette uitroeptekens onder een aandoenlijke foto van het dier op een A4tje, dat je dan een paar honderd keer kopieert om op lantaarnpalen te plakken. De vrouw keek nog even om, alsof zij wilde nagaan hoe de mededeling bij mij viel.
Nou, niet in goede aarde dus.
Ja, sorry, een jonge vrouw die haar verdriet uit als een nieuwslezer, dat is me te absurd voor medeleven. Noem mij harteloos, maar na zo’n zinnetje, hoe smartelijk geroepen ook, en hoe tragisch de aanleiding ook, vloeit alle deernis uit mij weg.
Sterker nog, ik schoot in de lach. Ze keek weer om. Nog verdrietiger. Dacht ik.
Hm. Ik heb eens een training voor persoonlijke effectiviteit gevolgd en al meteen na de eerste sessie constateerde het duo dat de training gaf dat ik incongruent communiceerde (en u dacht dat ú problemen had). Incongruent communiceren is dus dat je het een zegt maar het ander laat zien. Of andersom. Ik zal niet uitweiden over de 512 verkeerd uitgepakte gesprekken, waaronder enkele bizarre liefdesverklaringen, die mij na deze diagnose opeens weer te binnen waren geschoten. Voor wie zich er een of meerdere daarvan nu ook herinnert: sorry, ik bedoelde het niet zo.
Dat meisje waarschijnlijk ook niet, besefte ik opeens. Ze leed aan dezelfde aandoening als ik! We hadden een band! Meteen in het kielzog daarvan voelde toch nog compassie. Wat moest ik doen?
Erachteraan! Het goedmaken!
Voor iemand met mijn conditie, blijkt zo’n parkje dan nog behoorlijk uitgestrekt. Gelukkig huilde de vrouw nog steeds dat het een aard had, dus kon ik haar in ieder geval op mijn gehóór volgen, terwijl ik dwars door struikgewassen raasde om bochten af te snijden. De situatie die zodoende ontstond, maakte mij, toen ik haar op enkele meters na had ingehaald, om meerdere redenen verdacht. Weet ik nu. Achteraf. Wat zagen omstanders namelijk? Een jonge vrouw in tranen op de vlucht voor een man met hoed en wapperende regenjas.
Vijf minuten later had een van de scholieren een facebookpagina over mij gemaakt, en nog eens vijf minuten later had ik 63 volgers. Waaronder de hond, die geen facebookaccount had, en die mij dus – hij was helemaal niet vermist! – in het echt volgde, nadat hij uit het niets tevoorschijn was gesprongen om de vrouw te helpen. Hij was niet alleen erg groot, maar kon ook heel congruent communiceren. Ja, dat kon hij echt veel beter dan ik. Volstrekte eenheid van woord (Waf!), gebaar (Hap!), en expressie (Kwijl!).
Van goedmaken kwam natuurlijk niets meer. Op de brief aan haar die ik op alle lantaarnpalen in de omgeving plakte heb ik nooit antwoord gekregen. Terwijl ik toch best mooi kan schrijven, al zeg ik het zelf.
En heel congruent.
Dat dan weer wel.