In de polder tussen Westbroek en Hollandsche Rading werd ik ingehaald door een meneer op een step. Een grote-mensen-step. Met handremmen. (Eerst dacht ik ook nog dat er versnellingen op zaten, maar ik kon niet bedacht krijgen hoe dat dan zou werken. Niet, volgens mij.)

De man droeg een lila trui met grote witte bloemen erop. De bloemen hadden gele harten. Het was een veel te grote trui; zeker twee maten te groot. Dus een slobbertrui.

Ik kende die trui. Hij stond op mijn favorietenlijst van Vinted. Even later niet meer. Met dank aan de meneer, die maar weer eens bewees dat het niet iedereen gegeven is om een slobbertrui met gratie te dragen.

Hij droeg trouwens ook een bruine korte broek. Een grote-mensen-korte-broek met de uitstraling van een achtjarige-jongensbroek. (Dat kwam natuurlijk door die step.)

Hij stepte tamelijk langzaam. Met een soort van sierlijke stappen. Alsof het ballet was. Echt heel overdreven.

Koala werd wakker. Ze gaapte en rekte zich uit.

‘Hm… Vanwaar al die ergernis?’ vroeg ze, ‘heeft die man je iets gedaan of zo?’

Ik had geen flauw idee.

Tot ik voorbij wat struiken liep en ik hem in de verte bezig zag zich te installeren op het bankje dat ik me nog van mijn vorige wandelingen had herinnerd en dat ik al zeker een uur eerder met groeiende blijdschap voor mezelf bestemd had!

Dit had ik natuurlijk aan zien komen. In mijn onderbewuste. Dat de steppende man met zijn slobbertrui, zonder op iets of iemand acht te slaan , mijn bankje zou innemen.

Ik kreeg een grote hekel aan hem, en wat meer was, het leek mij een volstrekt gelegitimeerde hekel.

Terwijl ik hem naderde, zag ik hoe hij zat te eten. Dat deed hij even lijzig als steppen. Heel ernstig, en welbewust van wat hij aan het doen was. Om maar niet te schrijven over de dromerige blik waarmee hij het uitzicht tot zich nam. ‘In het moment’ alsof de rest van de wereld niet bestond. Ook zo irritant!

Ik zon op een soort wraak, om het de man betaald te zetten. En mijn recht te halen.

‘Loop nou maar door,’ zei Koala, ‘en laat die man met rust.’ Dat deed ik, maar zonder hem te groeten. Terwijl ik van huis uit echt een hele fanatieke gedagzegger ben.

Koala wilde me opbeuren (de schat!) en herinnerde mij aan een bankje dat verderop stond. Maar dat schrapte ik meteen uit mijn gedachten, want het had niet half zo zo’n mooi uitzicht. Dan nog liever een ongevallen boom of stronk. Maar in die zijn er in de polder eigenlijk niet. Dus toen moest ik tenslotte in arren moede gewoon op mijn derrière in het natte gras aan de rand van een slootje gaan zitten… En zat ik oog in oog met het onnavolgbare panorama hieronder.

Ik zag Koala haar gewichtige pose aannemen, natuurlijk om me lief en streng te herinneren aan haar dierbaarste Spinoza-citaat.

‘Ja, ik weet het,’ zei ik, ‘haat kan nooit goed zijn.’*

*Ethica, deel IV, stelling Stelling XLV.

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.